Inloggen

Archief

Materiaal tipgever mag niet worden gebruikt

Volgens Hof Den Bosch moet bewijs dat een tipgever heeft verduisterd en verkocht aan de fiscus, in principe worden uitgesloten in een beroepsprocedure.
Dit hofoordeel zag op een zaak waarin een tipgever informatie over buitenlandse bankrekeningen had verduisterd en tegen een vergoeding had overgedragen aan de fiscus. Naar aanleiding van deze informatie had de Belastingdienst onder meer een man navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd. De man en later zijn erfgenamen tekende(n) beroep aan tegen deze aanslag. Tijdens deze lange procedure deed de Belastingdienst steeds een beroep op geheimhouding wanneer de rechter vroeg om de identiteit van de tipgever. De belastingrechter wees dit beroep af, maar Hof Den Bosch stelt vast dat men moet aanvaarden dat de inspecteur kan volharden in een afgewezen beroep op geheimhouding of beperkte kennisneming. De belastingrechter kan wel gevolgen verbinden aan deze volharding, bijvoorbeeld door het bewijs afkomstig van de tipgever uit te sluiten. De Belastingdienst heeft niet onderzocht op welke wijze en onder welke omstandigheden de tipgever aan het materiaal is gekomen. Het hof is dan ook van mening dat de tipgever het bewijsmateriaal heeft verkregen door een misdrijf te plegen. Verder heeft de inspecteur geen inzicht gegeven in de beloningsafspraak die met de tipgever is gemaakt, hoewel volgens de eerdere uitspraak van de geheimhoudingskamer van de rechtbank de inspecteur die informatie wel integraal prijs had moeten geven. Ook is niet duidelijk geworden welke verwachtingen de Belastingdienst had over de belastingopbrengst bij gebruik van het bewijsmateriaal. De belangenafweging schiet daarom tekort. Het hof heeft zo beperkt inzicht gekregen in de gemaakte belangenafweging dat het hof evenmin de ernst van het tekortschieten van de belangenafweging kan beoordelen. De consequenties daarvan komen, mede gezien artikel 8:31 van de Awb, voor rekening van de inspecteur. Het hof stelt belastingplichtigen in het gelijk en vernietigt de opgelegde belastingaanslagen. Bron: Hof Den Bosch 20-02-2018

Kennisgeving is geen uitspraak op bezwaar

Als in een kennisgeving van de inspecteur niet expliciet is vermeld dat het een uitspraak op bezwaar is en er geen motivering en rechtsmiddelverwijzing zijn opgenomen, voldoet een kennisgeving qua vorm en inhoud niet aan een uitspraak op bezwaar.
Een ondernemer maakt, door het alsnog indienen van zijn aangifte omzetbelasting, bezwaar tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting met een (betaal)verzuimboete voor het niet (tijdig) betalen van de verschuldigde belasting. De naheffingsaanslag en de betaalverzuimboete worden op 25 september 2015 bij een beschikking ‘Kennisgeving omzetbelasting vermindering’ vernietigd. In een ‘uitspraak op bezwaarschrift omzetbelasting geen teruggaaf’ geeft de inspecteur op 27 november 2015 aan dat de ondernemer niet-ontvankelijk is in zijn bewaar omdat dit niet binnen de gestelde termijn is ingediend. Op 3 december 2015 stelt de ondernemer de inspecteur in gebreke voor het uitblijven van een uitspraak op bezwaar en verzoekt om toepassing van de dwangsomregeling. De ondernemer wil van Hof Amsterdam weten of de inspecteur uitspraak op bezwaar inzake de naheffingsaanslag en de betaalverzuimboete heeft gedaan. Volgens het hof kan de ambtshalve ‘kennisgeving omzetbelasting vermindering’ (naar vorm en inhoud) niet als uitspraak op bezwaar worden aangemerkt. In de tekst van de kennisgeving wordt namelijk niet vermeld dat het een beslissing van de inspecteur op het ingediende bezwaar is. De kennisgeving bevat slechts een cijfermatige uitwerking van de beslissing tot vermindering van de naheffingsaanslag en de betaalverzuimboete, zonder motivering en een rechtsmiddelverwijzing ontbreekt. De beschikking ‘uitspraak op bezwaarschrift omzetbelasting geen teruggaaf’ van 27 november 2015 voldoet wel aan de eisen voor een uitspraak op bezwaar. Deze is gemotiveerd en er is een rechtsmiddelenverwijzing in opgenomen. Het hof is het met de ondernemer eens dat geen uitspraak op bezwaar is gedaan ten aanzien van de naheffingsaanslag en de betaalverzuimboete. De inspecteur wordt terecht in gebreke gesteld en verbeurt de (maximale) dwangsom van € 1.260. Bron: Hof Amsterdam 21-12-2017 (publ. 14-02-2018)

Nieuwe Gedragscode Kleinzakelijke Financiering

De Nederlandse Vereniging voor Banken (NVB) heeft de Gedragscode Kleinzakelijke Financiering gepubliceerd. Hiermee trachten de banken tegemoet te komen aan de behoefte bij ondernemers in het midden- en kleinbedrijf om duidelijkheid te verschaffen in alle fasen van de financiering: bij de oriëntatie, de aanvraag en tijdens de looptijd van de lening.
Kleinere mkb’ers (met een omzet tot vijf miljoen euro) hebben een andere positie dan grotere bedrijven of consumenten. Zij missen vaak de kennis en ervaring van grotere bedrijven maar hebben niet de sterk gereguleerde bescherming die consumenten doorgaans genieten. De nieuwe Gedragscode doet recht aan hun bijzondere positie. De normen die gelden bij financiering worden hiermee expliciet gemaakt zodat de ondernemer de bank hierop kan aanspreken. De Gedragscode geeft kleinere mkb’ers een sterkere positie als zij een lening afsluiten bij de bank. Met de code beogen banken een duidelijke en evenwichtige presentatie van alle aspecten van zo’n lening tijdens de hele ‘customer journey’. Hierbij valt te denken aan heldere informatievoorziening over wat er gebeurt bij tussentijdse veranderingen, eventuele renteherziening en mogelijkheden om vervroegd af te lossen. Ook geven banken uitleg over een eventuele afwijzing van een aanvraag voor krediet. Wanneer banken toegevoegde waarde zien voor de klant, kunnen zij doorverwijzen naar alternatieve financiers. De Gedragscode bevat minimumnormen bij het verstrekken van financiering waar alle leden van de NVB die leningen verstrekken aan dit segment zich aan zullen houden. De code treedt op 1 juli 2018 in werking en geldt voor financieringen (geldleningen en kredietfaciliteiten) die vanaf dat moment worden aangevraagd. De code wordt in 2021 geëvalueerd. Bron: NVB 18-01-2018

Bij fraude mogelijk geen erkenning detacheringsverklaring

Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelt dat een werkland de detacheringsverklaring mag weigeren in geval van fraude. Wel moet de instantie die de verklaring heeft afgegeven op de hoogte zijn gebracht en hebben nagelaten binnen redelijke termijn afdoende te reageren.
In beginsel geldt dat een orgaan van een ontvangende staat moet afgaan op de door een lidstaat verstrekte verklaring inzake de socialeverzekeringsregeling waarbij een werknemer uit die lidstaat is aangesloten. Zolang die verklaring niet is ingetrokken of ongeldig verklaard door de instantie die de verklaring heeft afgegeven moet het bevoegde orgaan van de ontvangende staat hier van uit gaan. Het Belgische Hof van Cassatie had aan het Hof van Justitie prejudiciële vragen gesteld naar aanleiding van een fraudezaak. Het Hof van Beroep in Antwerpen had in deze zaak geoordeeld dat de bevoegde autoriteiten niet gebonden waren aan de detacheringsverklaringen van enkele Bulgaarse werknemers die in België te werk waren gesteld omdat er sprake was van fraude. Dit was gemeld bij de bevoegde instantie in Bulgarije maar een adequate reactie bleef uit. De advocaat-generaal bij het Europese Hof had in deze zaak al geoordeeld, dat de ontvangende staat in geval van fraude niet gebonden is aan de door een andere lidstaat afgegeven detacheringsverklaring. Het Europese Hof volgt die conclusie. Wel geeft het Europese Hof aan dat uit het beginsel van loyale samenwerking volgt dat elk orgaan van een lidstaat de toepassing van zijn eigen socialezekerheidsregeling zorgvuldig moet nagaan. Wanneer het bevoegde orgaan van de lidstaat van ontvangst twijfels uit over de juistheid van de feiten die aan die verklaring ten grondslag liggen, dan moet het orgaan dat de verklaring heeft afgegeven de juistheid van die afgifte opnieuw onderzoeken en zo nodig de verklaring intrekken. Indien dit laatste orgaan niet binnen een redelijke termijn overgaat tot een dergelijke heroverweging dan moet in een procedure bij de rechter in de werkstaat kunnen worden gevorderd dat de betrokken verklaringen niet in aanmerking worden genomen. Ook moeten de rechten van de betrokken personen worden geëerbiedigd en moeten ze de gelegenheid krijgen om de gegevens waarop deze procedure is gebaseerd te weerleggen, vóórdat de nationale rechter besluit om de verklaringen buiten beschouwing te laten en uitspraak te doen over de vraag of zij volgens het toepasselijke nationale recht aansprakelijk zijn. Jurisprudentie: HvJ EU 6-02-2018

Géén Cyprus-constructie

De Sociale Verzekeringsbank (SVB) heeft ten onrechte de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving toegepast voor werknemers van een bedrijf op Cyprus. Dat heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) geoordeeld. Het bedrijf zou volgens de SVB niet op het Zuid-Europese eiland, maar in Nederland gevestigd zijn.
Het ging hier om een bedrijf dat actief was in de Rijnvaart. De Centrale Raad van Beroep heeft nu vastgesteld dat het bedrijf de voornaamste beslissingen op Cyprus nam en dat daar de centrale bestuurstaken werden uitgeoefend. Ook onderhield het bedrijf daadwerkelijk een band met haar werknemers in het buitenland. Van een brievenbusfirma of van een zuivere payroll-situatie was in het geheel geen sprake. De SVB was, op instigatie van de FNV, overgegaan tot toepassing van de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving, omdat het bedrijf niet op Cyprus, maar in Nederland gevestigd zou zijn. De werknemers woonden weliswaar in Nederland, maar werkten internationaal. Werkgeversvereniging AWVN geeft in een commentaar op de zaak aan dat het in de praktijk vaker gebeurt dat de FNV een verkeerde uitleg geeft aan de aanwijsregels van de Europese sociale zekerheidsverordeningen en naar buiten komt met de stelling dat deze regels leiden tot uitbuiting en misbruik. In de media heeft FNV het betreffende binnenvaartbedrijf beschuldigd van allerlei ‘Cyprus-constructies’. De vakbeweging schakelde de SVB in om, ondanks de aanwezigheid van A1-verklaringen, toch de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving toe te passen, omdat het bedrijf vanuit Nederland zou opereren. Na meer dan drie jaar procederen, blijkt nu dat dit niet het geval is. Bron: AWVN 16-02-2018

© lArcade 2022