Inloggen

Minder vermogen nagelaten in 2014

Dalende huizenprijzen hebben een dempende invloed gehad op de hoogte van de nalatenschappen. In 2014 lieten ruim 138.000 overledenen bijna € 13,6 miljard aan vermogen na. In 2011 was dat nog € 15,1 miljard.
Het nagelaten bedrag bestond in 2014 voor € 16,4 miljard uit bezittingen en € 2,8 miljard aan schulden. De nagelaten woning vormt de grootste post in de nalatenschappen. Het saldo van de nagelaten eigen woning kwam in 2014 uit op € 5,2 miljard. Van de 42.000 overledenen die een woning nalieten (31 procent) had de woning een mediane waarde van € 136.000. Bij 60 procent van deze erflaters rustte nog een hypotheekschuld op de woning. Meer dan 90 procent van de overledenen liet bank- en spaartegoeden na, een op de negen nalatenschappen bevatte effecten met een totale waarde van € 2 miljard. Het mediane nagelaten vermogen van alle overledenen kwam in 2014 uit op € 19.600, ruim € 2.000 lager dan in 2011. Ruim 13 procent van de erflaters liet € 200.000 of meer na, meer dan 60 procent liet minder dan € 50.000 na. Van de overledenen lieten 8.000 een schuld na, 17.000 bezaten minder dan duizend euro. De groep overledenen die een schuld naliet is sinds 2011 gestegen van 3 procent naar 6 procent. Het nagelaten vermogen is groter naarmate erflaters ouder zijn. Zij hebben namelijk langer de tijd gehad om vermogen op te bouwen dan jongeren. Erflaters van 70 tot 75 jaar lieten het meeste vermogen na, in doorsnee € 24.000. Overledenen tussen 75 en 95 jaar lieten tussen € 21.000 en € 23.000 euro. De omvang van het nagelaten vermogen verschilt sterk tussen mannen en vrouwen. Mannen lieten in doorsnee € 23.000 na, € 5.000 meer dan vrouwen. Maar ongehuwde vrouwen lieten gemiddeld weer € 11.000 meer vermogen na dan ongehuwde mannen. Getrouwde mannen daarentegen laten € 3.000 meer na dan getrouwde vrouwen en een weduwnaar € 10.000 meer dan een weduwe. Scheiden is nadelig voor de nalatenschap: overledenen die gescheiden waren, lieten het minst na, ongeveer € 3.000 voor zowel mannen als vrouwen. Bron: CBS 30-01-2017

Let op met vrijwilligersvergoedingen

Een onlangs gepubliceerde uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant maakt duidelijk dat organisaties voor toepassing van de vrijwilligersregeling vergoedingen uit verschillende jaren en tijdvakken niet moeten samenvoegen.
Een gemeente heeft vrijwilligers ingeschakeld voor werkzaamheden in de WMO Advies Raad. Zij ontvangen voor het bijwonen van vergaderingen en andere bijeenkomsten vacatiegeld. Eén van de vrijwilligers heeft in 2013 een bedrag ontvangen van € 1.534 (de vergoeding). Daarvan had een bedrag van € 1.298 betrekking op bijeenkomsten in 2013 en een bedrag van € 236 op bijeenkomsten in 2012. Per jaar bleef de vergoeding weliswaar onder de grens van € 1.500 maar de betaling in één keer niet. Voor de IB werd het niet aangemerkt als een onbelaste vrijwilligersvergoeding. Het bedrag van € 1.298 voor 2013 werd aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden. De vrijwilliger gaat in beroep, maar krijgt bij de rechter niet zijn gelijk: de rechtbank kijkt voor de beoordeling van de grenzen van de vrijwilligersregeling naar het in een jaar ontvangen bedrag. Dat de betaling betrekking heeft op meerdere jaren en voor de inkomstenbelasting als uitgangspunt ook aan de verschillende jaren wordt toegerekend maakt dit niet anders. Dit betekent dat organisaties die met vrijwilligers werken en binnen de grenzen van de vrijwilligersregeling willen blijven, betalingen voor verschillende jaren en tijdvakken niet moeten samenvoegen. Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 31-08- 2016 (publ. 20-12-2016)

Eigen risico voor zakelijke rijder onterecht

Volgen de Vereniging Zakelijke Rijders (VZR) staat ten onrechte in het leeuwendeel van de autoregelingen tussen werkgever en werknemer nog een bepaling over eigen risico voor schades gereden in werktijd. VZR wijst erop dat werkgevers met het doorbelasten van eigen risico de wet overtreden.
VZR verrichte recent onderzoek naar de bepalingen in autoregelingen. Uit dit onderzoek blijkt dat in meer dan 60% van de autoregelingen van werkgevers ten onrechte een bepaling is opgenomen inzake eigen risico voor schades gereden in werktijd. VZR wijst er op dat de werkgever geen eigen risico mag doorbelasten als de schade onder werktijd ontstaat. Op grond van art. 7:661 lid 1 BW zijn werknemers volgens VZR niet aansprakelijk voor schade die tijdens werktijd is toegebracht aan spullen van de werkgever. Een uitzondering geldt op grond van art. 7:661 BW in geval van opzet of bewuste roekeloosheid van de kant van de werknemer. Wel is het mogelijk ten nadele van de werknemer art. 7:661 lid 1 BW af te wijken voor zover de werknemer hiervoor verzekerd is. De kwestie was al in 2010 aangekaart. In een artikel in het AD werd hierover gepubliceerd. De conclusie was toen, na raadpleging van diverse juristen, dat VZR het bij het rechte eind had. Volgens VZR is er sindsdien weinig veranderd. In de praktijk hoort de vereniging vaak dat eigen risico onder werktijd gewoon doorbelast wordt en soms zelfs progressief oploopt tot € 750 per gebeurtenis. Bij in privétijd gereden schade mag een werkgever het eigen risico wel doorbelasten. Maar dat moet dan wel in verhouding staan met wat er normaal gesproken betaald zou worden als een werknemer privé verzekerd zou zijn. Het gebruikelijke eigen risico bij een particuliere autoschadeverzekering ligt tussen de € 150 en € 300. VZR vindt dat het eigen risico voor de berijder van een auto van de zaak nooit hoger mag zijn dan deze € 300. Bron: VZR 26-01-2017

Meer overwerk en hogere werkdruk onder incidentele thuiswerkers

Incidenteel thuiswerkende werknemers werken beduidend vaker over (83 procent) dan niet-thuiswerkers (62 procent) en werknemers die gewoonlijk thuiswerken (67 procent). Het afmaken van (over)werk is voor veel werknemers die incidenteel thuiswerken de belangrijkste reden om thuis te werken. Dat blijkt uit onderzoek van TNO en CBS.
Onder werknemers werken vooral managers, ICT’ers en docenten frequent incidenteel thuis. Zij werken ook vaak over en ervaren relatief vaak een hoge werkdruk. Ook zelfstandig ondernemers die incidenteel thuiswerken ervaren relatief vaak een hoge werkdruk, vaker dan werknemers. In 2015 werkten bijna 3 miljoen van de 8,3 miljoen werknemers en zelfstandigen (36 procent) wel eens thuis of vanuit thuis. Van deze thuiswerkers doet 62 procent dat incidenteel. Van de werknemers die incidenteel thuiswerken geeft 61 procent aan dat familieactiviteiten er weleens bij in schieten vanwege het werk. Vaker dan werkenden die gewoonlijk thuiswerken of juist helemaal niet thuiswerken, geven incidentele thuiswerkers aan dat ze activiteiten met hun familie missen of verwaarlozen. Bron: CBS 25-01-2017

Minimumjeugdloon stapsgewijs omhoog

De Eerste Kamer heeft ingestemd met de stapsgewijze verhoging van het minimumjeugdloon. Op 24 januari is het wetsvoorstel als hamerstuk afgedaan. Het minimumjeugdloon vanaf 21 jaar zal nu in stappen worden afgeschaft.
De komende jaren gaat het minimumjeugdloon daarom in stappen omhoog, zodat jongeren van 21 jaar het minimumloon (WML) gaan verdienen. Na inwerkingtreding van de zal eerst het minimumloon van 22-jarigen op het niveau van het volwassenminimumloon worden gebracht en zal het minimumloon van 21-jarigen worden verhoogd van 72,5% naar 85% van het volwassenminimumloon. Ook het minimumloon voor 18, 19 en 20-jarigen zal meestijgen om het risico te beperken dat de verschillende leeftijden een rol gaan spelen bij het aannemen van mensen. Voordat de leeftijdsgrens wordt voor het volwassenminimumloon naar 21 jaar volgt nog een evaluatie waarbij onder meer gekeken wordt naar de werkgelegenheidseffecten. Om baanverlies te voorkomen, neemt het kabinet compenserende maatregelen. Een van de maatregelen die in het wetsvoorstel is opgenomen is een tegemoetkoming voor werkgevers voor de verhoging van het minimumjeugdloon. Voor deze compensatie wordt gebruik gemaakt van de systematiek van het Lage-inkomensvoordeel uit de Wet tegemoetkomingen loondomein. De compensatie wordt toegekend op basis van twee kenmerken: de leeftijd die de werknemer op 31 december van het voorafgaande kalenderjaar heeft bereikt en het gemiddelde uurloon in het kalenderjaar waarover het minimumjeugdloon voordeel wordt toegekend. Maar anders dan bij het Lage-inkomensvoordeel speelt hierbij het aantal verloonde uren geen rol. Verder wijzigt het wet de wet de stukloonbepaling. Betaling op basis van stukloon blijft mogelijk, maar werknemers gaan ten minste het WML verdienen. Ook vallen alle meerwerk-uren voortaan onder het WML. Bron: Eerste Kamer 24-01-2017

© lArcade 2020