Inloggen

Archief

Forse groei milieu-investeringen bedrijven in 2023

Bedrijven investeerden in 2023 meer in innovatieve milieuvriendelijke technieken en
bedrijfsmiddelen met belastingvoordeel. Ondernemers dienden 12.757 aanvragen in voor
de Milieu-investeringsaftrek en de Willekeurige afschrijving milieu-investeringen
(MIAVamil). Het totaalbedrag van deze investeringen is € 5,8 miljard. Dat is bijna
€ 2 miljard meer dan in 2022. Dit blijkt uit de cijfers van het jaarverslag van Rijksdienst
voor Ondernemend Nederland (RVO).

De belangstelling van bedrijven om te investeren in circulaire en duurzame gebouwen
en woningen blijft groot. In 2023 komt het totale investeringsbedrag van bedrijven
voor de gebouwde omgeving uit op € 3,5 miljard. Dit is een ruime verdubbeling vergeleken
met 2022.

Ondernemers investeerden flink meer in aanpassingen van productieprocessen om grondstoffen
te besparen. In nieuwe en innovatieve recyclingapparatuur investeerden bedrijven duidelijk
minder dan het jaar ervoor.

Meer investeringen in duurzaam verkeer en vervoer Investeringen van bedrijven in duurzame mobiliteit zijn vorig jaar met ruim een derde
toegenomen naar € 1,3 miljard. Een groot deel hiervan is voor elektrisch vervoer (bestelauto’s,
vrachtwagens, bussen en mobiele werktuigen). Van het totaal aantal aanvragen vallen
rond de 70% van de investeringen onder bedrijfsmiddelen op het gebied van mobiliteit
(hoofdstuk Mobiliteit van de Milieulijst).

Landbouw Ook investeringen in duurzame landbouw blijven met 2.400 aanvragen een belangrijke
pijler in de totale milieu-investeringen van bedrijven. In totaal gaat het om ongeveer
€ 0,5 miljard aan investeringen. Het meest investeerden bedrijven in Groen Label Kassen.

Het jaarverslag MIAVamil 2023 is hier in te zien: https://www.rvo.nl/subsidies-financiering/mia-vamil/ondernemers/jaarcijfers-2023

Bron: RVO 29-05-2024.

Verliesverrekeningsbeschikking levert geen rente op

Wie een vergoeding van schade als gevolg van een verliesvaststellingsbeschikking wil
ontvangen, moet niet in beroep gaan tegen de verliesverrekeningsbeschikking.

Een bv krijgt over het boekjaar 2006/2007 een nihilaanslag vennootschapsbelasting
opgelegd. De belastbare winst is namelijk dat jaar negatief. Daarnaast stelt de Belastingdienst
een verliesvaststellingsbeschikking op. Volgens deze beschikking bedraagt het verrekenbare
verlies € 62.692. De bv gaat met succes in beroep tegen de verliesvaststellingsbeschikking.
De belastingrechter stelt het verlies over het boekjaar 2006/2007 op € 1.581.368.
Vervolgens is het verlies van het boekjaar 2006/2007 gedeeltelijk verrekend met de
winst van het boekjaar 2003/2004. Ter zake van deze verliesverrekening is geen rente
vergoed. De bv verzoekt echter om een vergoeding van rente ‘in welke vorm dan ook’
over de periode van 7 augustus 2010 tot en met 30 mei 2017. Zij gaat in beroep tegen
de verliesverrekeningsbeschikking.

Rentederving door verliesvaststellingsbeschikking De Hoge Raad merkt op dat de verliesverrekeningsbeschikking ten onrechte niet gelijktijdig
met het vaststellen van de aanslag in de vennootschapsbelasting voor het boekjaar
2006/2007 is gegeven. Maar die omstandigheid is onvoldoende om het beroep betreffende
de verliesverrekeningsbeschikking gegrond te verklaren. De verrekening van een verlies
kan immers ook plaatsvinden in andere situaties dan bij het vaststellen van een belastingaanslag.
Bovendien heeft de bv rente gederfd door de verliesvaststellingsbeschikking en niet
door de verliesverrekeningsbeschikking. Verder heeft de wetgever voorzien in een uitputtende
regeling voor wat betreft de rentevergoeding. Deze regeling komt erop neer dat in
situaties van achterwaartse verliesverrekening geen recht bestaat op de vergoeding
van rente. Evenmin bestaat in zo’n geval recht op rente in de vorm van schadevergoeding.

Bron: Hoge Raad 24-05-2024.

Verklaring gelijke kansen op arbeidsmarkt ondertekend

Op initiatief van minister Van Gennip van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een
groep van ruim 50 bedrijven en organisaties op 27 mei 2024 de Verklaring Gelijke kansen
ondertekend. Werkgevers, intermediairs, hr-professionals, maatschappelijke organisaties
en de overheid bundelen daarmee de krachten voor meer gelijke kansen bij sollicitaties
en op het werk. Zij scharen zich achter een beweging die toewerkt naar een inclusievere
arbeidsmarkt.

Op 26 maart 2024 heeft de Eerste Kamer het wetsvoorstel Toezicht gelijke kansen bij
werving en selectie verworpen. Desondanks blijft minister Van Gennip werken aan acties
die bijdragen aan het bevorderen van kansengelijkheid op de arbeidsmarkt. Veel werkgevers
zijn al actief bezig met het bevorderen van gelijke kansen op de arbeidsmarkt, onder
meer via objectieve werving en selectie. Er is echter ook een grote groep werkgevers
die wel de waarde ziet van gelijke kansen, maar hier nog weinig werk van maakt en
ondersteuning nodig heeft. Op initiatief van minister Van Gennip is een verklaring
opgesteld, om samen met werkgevers, werkgeversorganisaties, hr-professionals en recruiters
een zichtbare eerste stap richting meer gelijke kansen op de arbeidsmarkt te zetten.

Ontwikkelagenda Gelijke Kansen Bedrijven en organisaties die de verklaring ondertekenen en aan de slag zijn of gaan
om echt gelijke kansen te bieden, krijgen ondersteuning vanuit de Ontwikkelagenda
Gelijke Kansen. Binnen deze ontwikkelagenda werkt het ministerie van SZW nauw samen
met werkgeversorganisaties, de Sociaal-Economische Raad (SER), hr-professionals en
recruiters om ondersteuning op maat te bieden en te ontwikkelen. De komende periode
zal deze ontwikkelagenda verder uitgewerkt worden. Op basis van feedback van werkgevers
over de problemen waar zij in de praktijk tegenaan lopen kan de ondersteuning verder
worden doorontwikkeld en gerichter worden ingezet. Zo wordt er voor gezorgd dat de
ondersteuning de deelnemende werkgevers echt helpt.

Inclusiedesks De minister werkt onder andere aan een tijdelijke extra impuls om regionale inclusiedesks
voor ondersteuning aan MKB-bedrijven in de regio uit te breiden, in lijn met bestaande
netwerken als Amsterdam Divers en Inclusief (ADI) en 010 Inclusief (in Rotterdam).
Deze regionale inclusiedesks zijn gericht op (praktische) ondersteuning aan regionale
MKB-bedrijven bij de inzet op gelijke kansen, diversiteit en een inclusief bedrijfsklimaat.

Bron: Min. SZW 27-05-2024.

LKV ook na bedrijfsovergang toe te passen

De Hoge Raad bevestigt dat het loonkostenvoordeel oudere werkgever is toe te passen
na de overgang van een onderneming.

Een vrouw is op 1 maart 2018 een dienstbetrekking aangegaan bij een eenmanszaak die
edelstenen bewerkt en sieraden vervaardigt. Op 26 april 2018 geeft het UWV ten name
van de vrouw een doelgroepverklaring af. Daardoor is het loonkostenvoordeel (LKV)
oudere werknemers toe te passen. De ondernemer zet zijn eenmanszaak op 7 mei 2018
om in een VOF met zichzelf en zijn echtgenote als vennoten. De VOF wil over de periode
van 1 mei 2018 tot en met 31 december 2018 het LKV oudere werknemers toepassen. De
inspecteur weigert echter de toepassing van dit LKV. Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden
was deze weigering onterecht. Maar de staatssecretaris van Financiën gaat in cassatie
tegen de hofuitspraak.

Doel van LKV Men kan stellen dat door de overgang van rechten en verplichtingen op de nieuwe werkgever
een nieuwe dienstbetrekking ontstaat, aldus de Hoge Raad. Het tijdstip van overgang
van de onderneming is dan het moment waarop de dienstbetrekking ontstaat. De nieuwe
werkgever kan onder die redenering niet het LKV oudere werknemer toepassen voor het
restant van de driejaarsperiode. Maar dat gevolg botst met het doel van het LKV. Het
LKV is immers bedoeld om werkgevers via een financiële prikkel te stimuleren mensen
in dienst te nemen uit bepaalde doelgroepen die een kwetsbare positie hebben op de
arbeidsmarkt.

Nieuwe werkgever moet om LKV verzoeken In deze zaak is ook van belang dat de overgang heeft plaatsgevonden zonder dat de
werkgever en werknemer dat eerst zijn overeengekomen. De Hoge Raad vindt het daarom
meer voor de hand liggen om na overgang van een onderneming voor wat betreft een LKV
het volgende uitgangspunt te volgen. Dat uitgangspunt luidt dat het tijdstip waarop
de oorspronkelijke werkgever en de werknemer het eens zijn geworden over het aangaan
van de dienstbetrekking, het moment is waarop de dienstbetrekking is aangevangen.
De omstandigheid dat de werknemer in geval van overgang van de onderneming een andere
werkgever krijgt, heeft wel een consequentie. De nieuwe werkgever moet namelijk het
verzoek om een LKV oudere werknemer doen voor zover het verzoek betrekking heeft op
de periode na die overgang. In deze zaak heeft de VOF dat ook gedaan. Daarom verklaart
de Hoge Raad het cassatieberoep van de staatssecretaris ongegrond.

Bron: Hoge Raad 24-05-2024.

Internetconsultatie Wet overgang van onderneming in faillissement

Het ministerie van Justitie en Veiligheid is een internetconsultatie gestart over
het wetsvoorstel Wet overgang van onderneming in faillissement.

Voorgesteld wordt dat werknemers die ten tijde van de faillietverklaring in dienst
zijn bij de gefailleerde werkgever, op het moment van de overgang van de onderneming
in principe onder dezelfde arbeidsvoorwaarden in dienst komen bij degene die de onderneming
in het faillissement overneemt en voortzet. De overgang zelf kan voor de verkrijger
geen reden zijn om van dit uitgangspunt af te wijken. Alleen als er bij de overgang
arbeidsplaatsen verdwijnen en dit het gevolg is van bedrijfseconomische omstandigheden,
is het de verkrijger toegestaan minder werknemers over te nemen. In dat geval wordt
op een objectieve en transparante manier bepaald welke werknemers wel en niet meegaan.
Voor kleinere ondernemingen (minder dan 20 werknemers) gaan de nieuwe regels voorlopig
alleen facultatief gelden. Dit wetsvoorstel bevat daarnaast een regeling voor het
recht van de ondernemingsraad (OR) om advies uit te brengen over een voorgenomen overgang
van onderneming in faillissement. Werknemers die niet bij een doorstart in dienst
kunnen komen bij de verkrijger, hebben er belang bij om zo snel mogelijk elders aan
de slag te kunnen gaan. Met het oog hierop bevat dit wetsvoorstel een regeling rond
het concurrentiebeding in faillissement. De wettelijke regeling wordt ondergebracht
in Titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW), de Faillissementswet (Fw)
en de Wet op de ondernemingsraden (WOR).

De internetconsultatie (https://www.internetconsultatie.nl/positie_werknemers_in_faillissement/b1) staat open tot en met 22 juli 2024.

Bron: Min. J&V 27-05-2024.

© lArcade 2024