Inloggen

Verplichte werknemersverzekering minderheidsaandeelhouders

Dga’s die bij een vennootschap werken vanwege hun persoonlijke kwaliteiten, visie en ideeën zijn binnen de onderneming van de vennootschap feitelijk onmisbaar. De vennootschap zal daarom ook niet akkoord gaan met vervanging. De dga’s moeten daarom volgens het hof hun arbeid persoonlijk verrichten. Ook is sprake van gezag en loon, zodat sprake is van een dienstbetrekking en een verplichte werknemersverzekering.
Een werk-bv heeft als doel exploitatie van systeem- en gebruikerssoftware in ruime zin. Twee holdings hebben ieder 24% van de aandelen in de werk-bv. Een van de holdings is ook statutair bestuurder van de vennootschap. Beide holdings betalen hun dga’s salaris. Hof Arnhem-Leeuwarden moet uitmaken of de dga’s van beide holdings verplicht verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen. Daarvoor is allereerst van belang of sprake is van een dienstbetrekking. De dga’s zijn voor de werk-bv werkzaam vanwege hun persoonlijke kwaliteiten, visie en ideeën. Het hof vindt het aannemelijk dat de vennootschap daarom niet akkoord gaat met vervanging. Het hof concludeert daaruit dat de dga’s in dienstbetrekking werkzaam zijn bij de werk-bv. De volgende hobbel die genomen moet worden voor het toetsen van een dienstbetrekking is het bestaan van gezag. De dga’s verrichten hun werkzaamheden onder gezag van de algemene vergadering (AV) van de werk-bv. De AV is het statutaire orgaan om instructies te geven aan de directeuren en het statutaire orgaan dat beslist over benoeming, schorsing en ontslag van directeuren. Dat een Shareholders Agreement is overeengekomen, maakt dit het bovenstaande niet anders. Ook het feit dat de dga’s naar eigen inzicht invulling kunnen geven aan de wijze waarop zij hun werkzaamheden verrichten, doet niet af het bestaan van een gezagsverhouding. Aan de voorwaarden voor een dienstbetrekking is daarmee voldaan. Als zij kwalificeren als dga volgens de Regeling aanwijzing dga zijn zij echter niet verplicht verzekerd voor de werknemersverzekeringen. Niet alle statutair bestuurders hebben in de AV een gelijk of nagenoeg gelijk aantal stemmen. Bovendien zijn niet alle aandeelhouders statutair bestuurder. De uitzondering van de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder is daarom niet van toepassing. De dga’s zijn verplicht verzekerd voor de werknemersverzekeringen. Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden 15-09-2020

Sociale partners willen overgangsregime pensioenstelsel

VNO-NCW, MKB-Nederland en vakbond FNV willen met het kabinet snel een overgangsregime ontwikkelen voor het nieuwe pensioenstelsel.
Ondanks de oproep om komend jaar pensioenpremies en pensioenopbouw stabiel te houden, zien de vakbond en de ondernemersorganisaties in sommige sectoren de pensioenpremies erg hard omhoog gaan, of de pensioenopbouw fors omlaag. Dit is het resultaat van de spelregels van het huidige stelsel die in het nieuwe contract straks helemaal niet meer van toepassing zijn. Daarnaast dreigen bij veel pensioenfondsen in de periode 2022-2026 de pensioenen te moeten worden gekort. De beslissingen over het verhogen en verlagen van pensioenen en over het vaststellen van de pensioenpremies en de pensioenopbouw, zouden onderling al genomen kunnen worden in de geest van de nieuwe pensioencontracten. De sociale partners vinden het belangrijk dat op een goede en verantwoorde manier overgestapt kan worden naar de nieuwe contracten. En dat tegelijkertijd ook in de periode tot 2025 al de vruchten kunnen worden geplukt van de afspraken uit het pensioenakkoord. Bron: VNO-NCW.nl - MKB.nl, 21-09-2020 en FNV, 20-09-2020

Aangaan VOF om boekverlies pand te krijgen is geen misbruik

Rechtbank Noord-Nederland vindt dat geen sprake is van misbruik bij het aangaan van een VOF tussen een dga en haar bv. Vijf maanden na het aangaan van de VOF wordt deze ontbonden. Daarbij wordt het woon/kantoorpand met flink verlies naar privé overgebracht.
Een vrouw heeft in 2011 een onderneming als zij in dat jaar besluit haar onderneming in te brengen in een bv-structuur. Bovendien koopt de onderneemster in 2011 een bouwkavel aan. In 2011 en 2012 geeft de onderneemster in haar aangifte inkomstenbelasting de bouwkavel als eigen woning aan. Op 15 mei 2013 is de onderneemster een VOF aangegaan met de werkmaatschappij waarin haar onderneming is ingebracht. De onderneemster heeft haar in aanbouw zijnde woning aangemerkt als buitenvennootschappelijk vermogen. De woning is niet splitsbaar en het zakelijke gebruik van de woning bedraagt meer dan 10%. Op 31 december 2014 is het pand vanwege het beëindigen van de VOF weer naar privé overgegaan. Die overgang van het pand is tegen de waarde bewoond gegaan. Dat leverde een verlies op van € 262.028. De inspecteur heeft dit verlies niet geaccepteerd. Bij Rechtbank Noord-Nederland is de aftrek van het boekverlies op het pand bij overgang naar privé in geschil. De inspecteur weigert het boekverlies te accepteren. Volgens de inspecteur kan geen sprake zijn van een bron van inkomen. Als al sprake is van een bron van inkomen, dan kan het pand geen ondernemingsvermogen zijn. Bij het bestaan van een bron en juiste vermogensetikettering vindt de inspecteur dat sprake is van misbruik van recht. Bij het antwoord op de vraag of sprake is van een bron van inkomen, hoeft volgens de rechtbank geen rekening gehouden te worden met het boekverlies op het pand. De overige inkomsten zijn positief, ook gedurende langere periode. De rechtbank vindt dat hier sprake is van een bron van inkomen. Ook met de keuze om het pand tot het ondernemingsvermogen te rekenen, is niets mis volgens de rechtbank. Het pand is niet splitsbaar en wordt meer dan 10% zakelijk gebruikt, dus het mag tot het ondernemingsvermogen worden gerekend. De rechtbank wijst ook het beroep op misbruik van de inspecteur af. De onderneemster heeft niet in strijd met doel en strekking van de wet gehandeld. Zij mocht de woning tot het ondernemingsvermogen laten behoren en heeft daarmee de grenzen der redelijkheid niet overschreden. De rechtbank gaat akkoord met aftrek van het boekverlies van € 262.028. Bron: Rb. Noord-Nederland 15-09-2020

Wat is onwerkbaar weer?

Vanaf 1 november 2020 moet in de cao voor bedrijf of branche gedefinieerd zijn in welke buitengewone natuurlijke omstandigheden en onder welke voorwaarden het niet mogelijk is te werken. Het ministerie van SZW publiceerde een handreiking met voorbeelden voor zo’n cao-bepaling.
De Regeling onwerkbaar weer is sinds 1 januari 2020 van kracht. Als door een buitengewone natuurlijke omstandigheid werken niet mogelijk is en wordt voldaan aan de andere voorwaarden van de regeling, kan een werkgever na het verstrijken van een aantal wachtdagen worden vrijgesteld van de loondoorbetalingsplicht. Vanaf 1 november 2020 moet in de cao voor het bedrijf of de branche onwerkbaar werk gedefinieerd zijn, ofwel in welke buitengewone natuurlijke omstandigheden en onder welke voorwaarden werken niet mogelijk is. Bedrijven en branches kunnen de tekst in de Handreiking omwerken naar de voor hun specifieke situaties van onwerkbaar weer. Bron: AWVN.nl, 21-09-2020

Voormalig vennoot hoofdelijk aansprakelijk voor btw firma

De Hoge Raad oordeelt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om ook voormalige firmanten hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor belastingschulden ontstaan tot het uittreden.
Een vader heeft samen met zijn zonen een vennootschap onder firma (VOF) gehad. De Belastingdienst legde aan de VOF aanzienlijke naheffingsaanslagen btw op. Die hebben betrekking op de periode dat vader firmant is geweest. De Belastingdienst stelt vader hoofdelijk aansprakelijk voor de onbetaalde aanslagen btw van de firma. Na het overlijden van vader gaan de erven in cassatie. Zij zijn van mening dat de Belastingdienst de voormalige firmant niet aansprakelijk kan stellen. De Hoge Raad is van oordeel dat het in overeenstemming is met de strekking van de wettelijke bepaling voor hoofdelijke aansprakelijkheid voor onbetaalde belastingschulden van een firma, dat deze ook van toepassing is op de gewezen firmant. Het betreft een hoofdelijke aansprakelijkheid voor belastingschulden van een firma die zijn ontstaan voor of tijdens de periode waarin de gewezen firmant, firmant is geweest. Deze aansprakelijkheid behoort niet te eindigen bij het uittreden uit de firma. Bovendien is ook art. 18 Wetboek van Koophandel van toepassing op een gewezen firmant. De hoofdelijke aansprakelijkheid voor rechtspersonen is anders. Bestuurders van een rechtspersoon kunnen hun aansprakelijkheid uitsluiten door een beroep te doen op betalingsonmacht en op disculpatiegronden. De hoofdelijke aansprakelijkheid voor een rechtspersoon wijkt daarom af van de hoofdelijke aansprakelijkheid voor een firma. Het ontbreken van een expliciete vermelding van de gewezen firmant in de bepaling voor hoofdelijke aansprakelijkheid voor een firmant, is geen reden de voormalige firmant niet aansprakelijk te kunnen stellen. De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof. De voormalige firmant is hoofdelijk aansprakelijk voor de onbetaald gebleven belastingschulden van de VOF. Bron: HR 25-09-2020

© lArcade 2020