Inloggen

Na afloop driejaarstermijn hypotheekrente niet meer in aftrek

Volgens Rechtbank Gelderland komt na afloop van de driejaarstermijn de hypotheekrente van de dan nog te koop staande oude woning niet meer voor aftrek in aanmerking. Dit is niet anders als voor de nieuwe woning uit kostenoverwegingen geen nieuwe lening is afgesloten ter grootte van de hypotheek die op de oude woning rustte.
Een man had zijn woning te koop staan, waarop een hypotheek rustte van € 725.000. Op een gegeven moment verhuisde hij naar een nieuwe woning, waarvan de totale kosten na een verbouwing € 2.200.000 bedroegen. Voor die nieuwe woning sloot hij leningen af voor een bedrag van in totaal € 1.510.000. Na afloop van de driejaarstermijn had de man zijn oude woning nog steeds niet verkocht. De inspecteur weigerde vanaf dat moment de aftrek van hypotheekrente ter zake de lening ten aanzien van de oude woning. De man was hier niet mee akkoord. Hij stelde uit administratieve en kostenoverwegingen ervoor gekozen te hebben om geen nieuwe lening af te sluiten voor de volledige kosten van de nieuwe woning. Zowel de hypotheek op de oude woning als op de nieuwe woning had hij als eigenwoningschuld aangemerkt. Hij had dit ook aan de inspecteur voorgelegd en beroept zich in verband hiermee mede op het vertrouwensbeginsel. Rechtbank Gelderland oordeelt ten aanzien van het beroep op het vertrouwensbeginsel allereerst dat de man de inspecteur niet heeft verzocht om een standpuntbepaling en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel dientengevolge niet kan slagen. Vervolgens oordeelt de rechtbank dat hoewel materieel de door de man gekozen route niet verschilt van de situatie dat hij zijn eigenwoningschuld op de oude woning had afgelost en een nieuwe financiering van gelijke omvang was aangegaan voor de nieuwe woning, de schuld pas kwalificeerde als eigenwoningschuld als die was aangegaan in verband met de verwerving, verbetering of onderhoud van de eigen woning. Volgens de rechtbank was aan deze eis niet voldaan, omdat de lening zag op de verwerving van de oude woning. Ook als er vanuit zou mogen worden gegaan dat de lening van € 725.000 aan te merken was als een op de nieuwe woning betrekking hebbende eigenwoningschuld, dan nog was volgens de rechtbank aftrek niet mogelijk. Na afloop van de driejaarstermijn was de oude woning namelijk een box III-woning geworden. Als gevolg hiervan ontstond een eigenwoningreserve die in mindering kwam op de totale kosten van aankoop, verbetering en onderhoud van de nieuwe woning. Uitgaande van een waarde in het economische verkeer van de oude woning van € 924.000, berekent de rechtbank dat de maximale eigenwoningschuld in dat geval slechts € 1.311.000 zou hebben bedragen. Bron: Rb. Gelderland 28-11-2017

Herinvesteringsreserve verkeerd afgeboekt

Rechtbank Zeeland-West Brabant beslist dat een in 2011 boekhoudkundig verkeerd afgeboekte herinvesteringsreserve in 2012 alsnog vrijvalt en tot de belastbare winst gerekend moet worden.
Een bv heeft in 2009 appartementsrechten verkocht. Voor de fiscale boekwinst van € 201.459 heeft de bv in haar aangifte VPB 2009 een herinvesteringsreserve (HIR) gevormd. In haar aangifte VPB 2011 heeft de bv deze HIR boekhoudkundig volledig afgeboekt tot nihil, maar slechts € 24.459 daarvan ten gunste van haar winst gerekend. De inspecteur heeft de aanslag VPB 2011 conform de ingediende aangifte opgelegd. Uit de door de bv ingediende aangifte VPB 2012 volgt een negatief belastbaar bedrag van € 13.351. Deze aangifte is door de inspecteur gecorrigeerd. Omdat de in 2009 gevormde HIR voor een bedrag van € 177.000 in 2011 niet ten gunste van de winst was gerekend, liet de inspecteur dit bedrag in 2012 vrijvallen. De aanslag VPB 2012 werd daarom door hem opgelegd berekend naar een belastbare winst en een belastbaar bedrag van € 163.649. De bv was het hier niet mee eens omdat de HIR in 2011 reeds volledig was afgeboekt. Rechtbank Zeeland-West-Brabant volgt de inspecteur. In de aangifte VPB 2011 had de bv de volledige afboeking van de HIR klaarblijkelijk boekhoudkundig onjuist verwerkt. Omdat € 177.000 in 2011 niet ten gunste van de winst was gerekend, maakte de HIR volgens de rechtbank nog onderdeel uit van het eigen vermogen en niet van de winstreserves, zoals de bv dat administratief had verwerkt. De rechtbank overweegt dat de inspecteur de aanslag VBB 2011 in alle redelijkheid conform de aangifte had mogen vaststellen. De inspecteur had klaarblijkelijk verondersteld dat de HIR 2009 voor € 177.000 was blijven bestaan en dat het vereiste herinvesteringsvoornemen nog aanwezig was. Omdat het tijdvak waarbinnen de in 2009 gevormde HIR gebruikt kon worden pas ultimo 2012 eindigde, concludeert de rechtbank dat de inspecteur ten aanzien van de HIR ervan uit mocht gaan dat deze voor een bedrag van € 177.000 voor 2012 gehandhaafd bleef. De rechtbank stelt vast dat in verband met het eindigen van dat tijdvak aan het einde van het derde jaar volgende op dat waarin de HIR was ontstaan, derhalve ultimo 2012, geen herinvestering heeft plaatsgevonden en beslist dat de inspecteur deze in 2012 dan ook terecht tot de belastbare winst gerekend. Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 2-11-2017

Werkloosheidscijfer onder 400.000

In november hadden bijna 8,7 miljoen mensen in Nederland betaald werk, het hoogste aantal ooit. Volgens cijfers van CBS is het aantal 15- tot 75-jarigen met betaald werk de afgelopen drie maanden met gemiddeld 15.000 per maand toegenomen. Het werkloosheidscijfer volgens de ILO-definitie kwam in november uit op 397.000 mensen. Gemiddeld nam de werkloosheid de afgelopen maanden met 10.000 per maand af. Het aantal WW-uitkeringen kwam in november uit op 337.000.
Volgens de werkloosheidsindicator van de International Labour Organization (ILO) worden personen van 15 tot 75 jaar zonder betaald werk die hier recent naar hebben gezocht en direct beschikbaar zijn met ‘werkloos’ aangeduid. Volgens deze definitie kende Nederland in november 397.000 werklozen (4,4% van de beroepsbevolking). Aan het begin van de crisis, in november 2008, was het werkloosheidscijfer nog 3,6%. In het ILO-cijfer worden niet de mensen meegenomen die wel willen werken, maar om wat voor reden dan ook recent niet gezocht hebben en/of niet direct beschikbaar waren. Volgens cijfers van het CBS waren er in het derde kwartaal 210.000 mensen die wél willen werken, maar niet recent op zoek én niet direct beschikbaar zijn. Verder zijn er mensen die óf recent hebben gezocht (162.000) óf direct beschikbaar zijn voor werk (263.000). Ook mensen die in deeltijd werken en meer uren willen werken worden niet meegenomen in de ILO-definitie. Dit betreft circa 445.000 personen. Van de gemiddeld 408.000 werklozen in het derde kwartaal waren er 153.000 die twaalf maanden of langer op zoek zijn naar werk. Bijna twee op de drie langdurig werklozen waren 45 jaar of ouder. Het aantal lopende WW-uitkeringen nam in november 2017 met ruim 6.000 af. Daarmee kwam het aantal WW-uitkeringen eind november uit op 337.000. Het aantal lopende uitkeringen daalt in bijna alle sectoren. Alleen in de sectoren landbouw en visserij, horeca en culturele instellingen nam het aantal lopende uitkeringen toe, waarschijnlijk omdat er in dit seizoen minder werk is in deze sectoren. In de periode januari tot en met november 2017 verstrekte het UWV 362.000 nieuwe uitkeringen. Dat is een daling van 18% ten opzichte van dezelfde periode in 2016. In alle beroepsrichtingen is een daling van het aantal nieuwe uitkeringen te zien ten opzichte van vorig jaar. Ten opzichte van een jaar geleden, november 2016, is het aantal WW-uitkeringen met 17,7% afgenomen. De daling was relatief groot in de sectoren bouwnijverheid (-44%) en uitzendbedrijven (-28%). Bron: CBS 21-12-2017

Vraag alsnog btw over zonnepanelen terug

De Hoge Raad heeft onlangs een arrest gewezen die belastingplichtigen die vergeefs btw hebben teruggevraagd over de aanschaf van zonnepanelen houvast biedt. Veelal wees de fiscus dat teruggaafverzoek af met het argument dat men te laat was. Die vlieger gaat volgens de Hoge Raad niet op.
Veel particulieren met zonnepanelen op hun woning hebben zich na het zogenoemde Fuchs-arrest van het Europese Hof van Justitie bij de Belastingdienst aangemeld als ondernemer voor de btw, om zo de btw over de aanschaf van de zonnepanelen te kunnen terugvragen. In veel gevallen werd dit door de fiscus geweigerd met het argument dat men te laat was. Volgens de fiscus geldt dat de btw uiterlijk moet worden teruggevraagd binnen drie maanden na het tijdvak waarop de factuur betrekking heeft. Een belastingplichtige die in september 2012 (derde kwartaal 2012) de zonnepanelen had laten plaatsen en pas in maart 2013 (na de conclusie van de advocaat-generaal van het Europese Hof inzake de Fuchs-zaak) verzocht om een uitnodiging tot het doen van aangifte was hiermee volgens de fiscus te laat. Dit had hij uiterlijk 31 oktober 2012 moeten doen en de btw had hij uiterlijk eind december 2012 moeten terugvragen. De belastingplichtige liet het hier niet bij en vocht zijn zaak uit tot aan de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft nu beslist dat voor een verzoek om uitnodiging tot het doen van aangifte geen termijn geldt indien, zoals in dit geval, de belastingplichtige geen belasting hoefde te betalen maar alleen maar een bedrag terugkreeg. Volgens de Hoge Raad ontstaat de verplichting om te verzoeken om een aangiftebiljet dus pas als de betalen belasting de terug te vragen voorbelasting overtreft. Het kon de belastingplichtige daarom niet worden tegengeworpen dan het niet tijdig bij aangifte een verzoek om teruggaaf heeft gedaan. Bron: HR 15-12-2017

Voorschot MKB uitvoering herstelkader rentederivaten

De uitvoering van het herstelkader rentederivaten is opnieuw vertraagd. Banken bieden op aandringen van AFM voorschotten compensatie herstelkader derivaten aan kwetsbare klanten en overige MKB-klanten aan die langer op hun compensatie moeten wachten.
In het verleden hebben banken de wettelijke eisen bij de advisering over derivaten aan niet-professionele partijen onvoldoende nageleefd. Hierdoor kan het zich voordoen dat klanten een niet passend derivaat hebben en daar schade van ondervinden. De banken zijn daarom in 2014 gestart met het herbeoordelen van rentederivatencontracten. Door de AFM is het uniforme herstelkader in het leven geroepen dat voorschrijft hoe de herbeoordelingen moeten worden uitgevoerd en welke herstelacties banken in specifieke situaties moeten uitvoeren om opgelopen schade te compenseren en toekomstige schade te voorkomen. Uit de voortgangsrapportage Uniform Herstelkader Rentederivaten MKB (december 2017) blijkt dat de uitvoering van het herstelkader opnieuw vertraging oploopt. Op aandringen van de AFM bieden de banken voorschotten aan kwetsbare klanten en overige MKB-klanten aan die langer op hun compensatie moeten wachten (met uitzondering van enkele bijzondere klantgroepen (staat van faillissement of juridische procedure met bank)). In verband met de vertraging is de hoogte van de voorschotten verruimd ten opzichte van de voortgangsrapportage van de AFM van 29 juni 2017. MKB-klanten krijgen hiermee op korte termijn meer liquiditeit tot hun beschikking. De voorschotten zorgen er voor dat, ondanks het lage aantal aanbodbrieven dat is verstuurd, alle MKB-klanten (met uitzondering van de bijzondere klantgroepen) dit jaar een geldbedrag aangeboden krijgen. Alle ondernemers die geen aanbod meer kunnen verwachten voor het einde van dit jaar (2017), krijgen een voorschot tot 100% van de coulancevergoeding. De groep kwetsbare klanten krijgt van die banken, naast een volledig voorschot op de coulancevergoeding, een aanvullend voorschot op de compensatie. Bron: AFM 04-12-2017

© lArcade 2020