Inloggen

Sterke stijging omzet horeca

Horecaondernemingen hebben in het derde kwartaal 2,6% meer omgezet dan in het voorgaande kwartaal. Vooral in restaurants, cafés en snackbars steeg de omzet. Ook het volume, het aantal consumpties en overnachtingen, nam toe. In vergelijking met een jaar eerder realiseerde de horeca een recordgroei van 8,8%.
Bij restaurants en cafés steeg de omzet met respectievelijk 3,5 en 3,4% het sterkst. De groei in beide branches was tevens hoger dan in de eerste twee kwartalen van dit jaar. Cafés (waaronder eetcafés en koffiezaken) realiseerden niet eerder zo’n sterke stijging van de omzet. In tegenstelling tot de andere horecabranches, liggen de verkopen (volume) van cafés nog steeds lager dan voor de crisis. Snackbars (waaronder lunchrooms, fastfoodrestaurants, maaltijdbezorgers en ijssalons) zetten 2,7% meer om in het derde kwartaal. Vooral fastfoodketens en maaltijdbezorgers boekten meer omzet dan een kwartaal eerder. Voor hotels was de omzetgroei met 0,2% minder sterk dan voor de andere branches en ook ten opzichte van eerdere kwartalen was de groei minder. Gemiddeld waren de prijzen in horeca 2,7% hoger dan een jaar eerder. Het volume groeide met gemiddeld 6%. Dit leverde een omzetstijging op van 8,8% in een jaar tijd. Een dergelijke omzetstijging behaalde de horeca voor het laatst in het eerste kwartaal van 2007. Snackbars noteerden met ruim 13% de grootste omzetstijging vergeleken met afgelopen jaar. Niet eerder realiseerden zij zoveel groei. Bron: 30-11-2016

Verduidelijking verloonde uren

De Belastingdienst, UWV en CBS hebben een memo gepubliceerd waarin zij verduidelijken wanneer volgens hen sprake is van een verloond uur. Het aantal verloonde uren speelt een belangrijke rol bij het bepalen of een werkgever het lage-inkomensvoordeel (vanaf 2017) of het loonkostenvoordeel (vanaf 2018) ontvangt. Voor de werknemer is het aantal verloonde uren van belang voor het bepalen van een WW-, ZW-, WAO- of WIA-uitkering en voor de kinderopvangtoeslag.
In de memo geven CBS, UWV en Belastingdienst hun standpunten ten aanzien van het aantal verloonde uren dat moet worden ingevuld in de aangifte loonheffingen. Aan de hand van een reeks voorbeelden wordt aangegeven of sprake is van een verloond uur of juist niet. Denk hierbij aan verkopen of kopen van verlofuren, verloonde uren bij ziekte, bij uitbetaling van een wao-/wia-uitkering al dan niet in combinatie met dienstverband waarin wel/niet wordt gewerkt, bij minder dan 100% loondoorbetaling bij ziekte enzovoort. Ook wordt ingegaan op het aantal verloonde uren bij bijzondere dienstverbanden en situaties (artiesten, topsporters, stukloon, raadlieden). Bron: Belastingdienst, 28-11-2016

‘Ruis’ geen reden voor beboeting

Op 18 november meldde de staatssecretaris in een Kamerbrief dat de implementatietermijn van de Wet DBA wordt verlengd. Die Kamerbrief en de bijlagen daarbij leidde tot nieuwe vragen. Met name ten aanzien van de handhaving in geval van ‘kwaadwillenden’. De staatssecretaris stelt gerust: ‘ruis’ over de gezagsrelatie is geen reden voor beboeting, opzet, fraude en zwendel wel.
De handhaving van de Wet DBA wordt uitgesteld tot 1 januari 2018, behalve voor kwaadwillenden. In een bijlage bij de Kamerbrief van 18 november 2016 wordt hiervan de volgende definitie gegeven: ‘Kwaadwillend is de opdrachtgever of opdrachtnemer die opzettelijk een situatie van evidente schijnzelfstandigheid laat ontstaan of voortbestaan, omdat hij weet – of had kunnen weten - dat er feitelijk sprake is van een dienstbetrekking (en daarmee een oneigenlijk financieel voordeel behaalt en/of het speelveld op een oneerlijke manier aantast)’. Het Kamerlid Klein vroeg zich af, of niet alle organisaties alsnog als kwaadwillend kunnen worden aangemerkt? De in de bijlage opgenomen omschrijving was volgens hem in tegenspraak met de signaalwerking van de Kamerbrief. In antwoord op de Kamervragen van Klein geeft staatssecretaris Wiebes aan dat het echter gaat om ‘echt uitzonderlijke gevallen’. Handhaving is wel aan de orde in situaties waarin partijen evident zo ver buiten het wettelijk kader treden dat de Belastingdienst dat niet mag laten lopen. ‘Vanzelfsprekend gaat het daarbij dus niet om een zelfstandige professional bij wie er ruis is over de gezagsrelatie.’ Het gaat om uitzonderlijke gevallen waarin opdrachtgevers opereren in een context van opzet, fraude of zwendel. Dit komt volgens de staatssecretaris slechts beperkt voor. Hij herhaalt zijn schatting die hij eerder tegenover de Eerste Kamer heeft gedaan dat het gaat om een ordegrootte van circa tien gevallen. Voor opdrachtgevers en –nemers die niet in die categorie vallen herhaalt Wiebes zijn toezegging dat zij ten minste tot 2018 niet hoeven te vrezen voor boetes en naheffingen. Bron: MvF 25-11-2016

Beloningsverschil tussen mannen en vrouwen wordt kleiner

Voor zover er beloningsverschillen bestaan tussen mannen en vrouwen zijn die voor een belangrijk deel verklaarbaar. Bovendien worden de verschillen kleiner, onder meer door een stijgend opleidingsniveau van vrouwen.
In een onderzoek door CBS naar beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen is rekening gehouden met twintig achtergrondkenmerken, zoals als opleidingsniveau, beroepsniveau, het hebben van deeltijd- of voltijdwerk en werkervaring. Bij de overheid verdienden in 2008 vrouwen nog 7% minder dan mannen. In 2014 was dit gedaald tot 5%. In het bedrijfsleven daalde het verschil in deze periode van 9% naar 7%. Zonder rekening te houden met de verschillende achtergrondkenmerken laten de cijfers een zelfde trend zien, al zijn de loonverschillen groter. In 2008 verdienden vrouwen bij de overheid nog 16% minder dan mannen, in 2014 was dit 10%. In het bedrijfsleven is het verschil in deze periode gedaald van 22% naar 20%. Om het verschil in beloning te bepalen, zonder naar de samenhang met de diverse achtergrondkenmerken te kijken, wordt het gemiddelde bruto-uurloon gebruikt. Dit verschilt voor beide sectoren. De gemiddelde lonen voor mannen en vrouwen zijn hoger bij de overheid (€ 26 voor mannen en € 24 voor vrouwen) dan in het bedrijfsleven (respectievelijk € 21 en € 17). Zonder rekening te houden met achtergrondkenmerken verdienen jonge vrouwen gemiddeld meer dan hun mannelijke collega’s in dezelfde leeftijd. Bij oudere werknemers is het andersom. Bij de overheid ligt de leeftijd waarop mannen meer verdienen dan vrouwen hoger dan in het bedrijfsleven. In 2014 verdienden vrouwen bij de overheid vanaf 36 jaar minder dan hun mannelijke leeftijdsgenoten. In het bedrijfsleven lag het omslagpunt bij 30 jaar. Dat jonge vrouwen een hoger uurloon hebben dan jonge mannen hangt voor een groot deel samen met het feit dat jonge vrouwen gemiddeld hoger opgeleid zijn dan jonge mannen. Bij oudere werknemers (vanaf 45 jaar) is het opleidingsniveau onder mannen hoger dan onder vrouwen en gaan bovendien factoren als werkervaring en beroepsniveau een grotere rol spelen. Qua aantallen en salarissen domineert de oudere groep nog altijd de totale werknemerspopulatie. Over alle leeftijden heen lijken vrouwen bij de overheid bezig te zijn met een inhaalslag. In 2008 verdiende een 50-jarige vrouw daar gemiddeld nog 20% minder dan een mannelijke collega van vijftig jaar. In 2014 was dit loonverschil gedaald tot 13%. Een dergelijke inhaalslag geldt in mindere mate ook voor vrouwen in het bedrijfsleven. Daar daalde het verschil in deze periode van 30% naar 27%. Bron: CBS, 23-11-2016

Concrete plannen hebben en werkzaamheden verrichten

Startende ondernemers moeten concrete plannen hebben en werkzaamheden verrichten om aannemelijk te maken dat zij winst uit onderneming gaan genieten.
Een startende ondernemer heeft in 2011 activiteiten verricht die verband houden met het opzetten van een informatieportaal en/of een vergelijkswebsite. In zijn aangifte heeft de startende ondernemer daarmee verband houdende kosten in mindering gebracht. Deze aangifte is door de inspecteur gecorrigeerd. Volgens de inspecteur zijn de verrichte activiteiten geen onderneming. Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden kunnen activiteiten slechts een bron van inkomen vormen als redelijkerwijs te verwachten is dat daarmee voordeel zal worden behaald. De startende ondernemer geeft aan dat het uiteindelijk zijn bedoeling was winst uit onderneming te behalen door een website op te zetten die subjectieve en objectieve rechtseconomische waarderingen in de keuze voor een rechtsbijstandsverlener betrekt. Daar het idee volgens hem een spirituele goudmijn is, moet hij daarmee prudent omspringen en kan hij zijn plannen niet publiek maken, omdat anders anderen er met zijn idee vandoor gaan. Dat is ook één van de redenen dat zijn plannen tot op heden niet tot ontwikkeling zijn gekomen en dat er vooralsnog geen omzet is behaald. Het hof vindt dat de startende ondernemer niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij de start in 2011 redelijkerwijs te verwachten viel dat hij met zijn activiteiten op enig tijdstip voordeel zou behalen. De plannen en de feitelijk in 2011 en later verrichte werkzaamheden zijn daarvoor te weinig concreet gemaakt. Ook het feit dat de startende ondernemer een vacature-website voor de horeca heeft opgezet, werkt niet in zijn voordeel. Het is namelijk niet duidelijk welk verband die website heeft met de plannen van de startende ondernemer. Deze vacature-website is daadwerkelijk opgezet en heeft, zoals de startende ondernemer heeft laten zien, in de maand eindigend met 26 juli 2014 137 bezoekers in 238 sessies gehad. Dat zegt echter weinig over het in het jaar 2011 met deze activiteiten redelijkerwijs te verwachten voordeel. Bovendien heeft deze vacature-website nog nimmer omzet opgeleverd en is niet duidelijk op welke wijze in 2011 redelijkerwijs was te verwachten dat of hoe deze website kan bijdragen aan het behalen van voordeel door de startende ondernemer met de aangegeven activiteiten. Het hof ziet dan ook geen enkele reden om de uitspraak van de rechtbank niet te handhaven. De aanslag blijft in stand. Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden 1-11-2016

© lArcade 2020