Inloggen

Archief

Goedkeuring voor samentelregeling ongehuwde partners

De staatssecretaris van Financiën keurt goed dat personen na vijf jaar onafgebroken inschrijving op hetzelfde woonadres automatisch als elkaars partner voor de Successiewet 1956 worden aangemerkt voor de samentelling van schenkingen en erfrechtelijke verkrijgingen.
Wanneer partners van dezelfde persoon allebei een schenking krijgen, worden deze schenkingen voor de berekening van schenkbelasting behandeld als één verkrijging voor het gezamenlijke bedrag. Een soortgelijke systematiek geldt voor erfrechtelijke verkrijgingen uit dezelfde nalatenschap. Dit kan ongewenste gevolgen hebben als twee bloedverwanten die voor de Successiewet 1956 als elkaars partner worden aangemerkt beiden een schenking of erfenis ontvangen van eenzelfde familielid. In onderdeel 2 van dit besluit is daarom een goedkeuring opgenomen die erin voorziet dat in dergelijke gevallen schenkingen en erfrechtelijke verkrijgingen door partners niet hoeven te worden samengeteld. Voor de goedkeuring dat partners die beiden verkrijgen van dezelfde schenker voor de berekening van de schenkbelasting niet als één en dezelfde persoon worden aangemerkt en dat de samentelregeling buiten toepassing blijft bij partners die beiden verkrijgen uit dezelfde nalatenschap gelden de volgende voorwaarden: 1. Het partnerschap tussen de verkrijgers is uitsluitend door tijdsverloop (vijf jaar onafgebroken samenwoning) ontstaan. Er is dus geen notarieel samenlevingscontract; 2. De erflater of schenker staat ten opzichte van elk van beide verkrijgers in dezelfde graad van bloedverwantschap; en 3. De verkrijgers zijn bloedverwanten van elkaar. Dit besluit treedt in werking met ingang van 23 april 2022 en werkt terug tot en met vijf jaar voorafgaand aan deze dag. Voor belastingaanslagen die inmiddels onherroepelijk vaststaan, vindt de goedkeuring plaats na een daartoe door de verkrijgers gedaan verzoek om ambtshalve vermindering. Een verzoek om ambtshalve vermindering moet bij de voor de erf- of schenkbelasting bevoegde inspecteur worden ingediend binnen vijf jaar na het moment van verkrijging. Bron: MvF 13-04-2022

Compensatie voor 60.000 spaarders

De 60.000 mensen die bezwaar hebben gemaakt tegen de heffing in box 3 over de belastingjaren 2017-2020 ontvangen voor 4 augustus automatisch rechtsherstel volgens de zogenaamde ‘spaarvariant’. Dit schrijft staatssecretaris Van Rij in een brief aan de Tweede Kamer. Het is een eerste stap in het compenseren van gedupeerden.
Hierbij krijgen voornamelijk mensen met spaargeld geld terug. Dit herstel geldt ook voor nog niet vastgestelde of opgelegde aanslagen box 3 (oa 2020 en 2021). Mensen die niet op tijd bezwaar hebben ingediend en waarbij de aanslag al vaststaat krijgen nog geen rechtsherstel. Hierbij is een uitspraak van de Hoge Raad in een andere box 3-procedure nog van groot belang, die in het najaar van 2022 wordt verwacht. Bij de voorjaarsnota, uiterlijk 1 juni 2022, wordt de Kamer op de hoogte gebracht van de budgettaire dekking. In de spaarvariant krijgen mensen automatisch rechtsherstel op basis van een nieuwe berekening waarbij wordt aangesloten bij de werkelijke verdeling van spaargeld en beleggingen van een belastingplichtige. Mensen met spaargeld worden belast op basis van de actuele spaarrente. De laatste jaren was dat bijna 0%. Voor schulden wordt aangesloten bij de hypotheekrente en bij beleggingen (effecten, onroerend goed) wordt – net als nu - uitgegaan van het meerjarige gemiddelde rendement voor beleggingen. Het kabinet stelt daarnaast voor om de spaarvariant uit te werken in een wetsvoorstel zodat deze variant ook geldt voor de overbruggingsjaren 2023 en 2024. Dit wetsvoorstel zal met Prinsjesdag naar de Tweede Kamer worden gestuurd. Vanaf 2025 komt er een nieuw systeem waarbij de belasting wordt geheven over het werkelijk rendement in box 3. Om de ongeveer 60.000 bezwaarmakers voor 4 augustus rechtsherstel te kunnen bieden (in lijn met de wettelijke termijn van zes maanden) én de aangiften inkomstenbelasting 2021 goed te kunnen verwerken was besluitvorming vòòr eind april noodzakelijk voor de Belastingdienst. Zo kan bijvoorbeeld op tijd aanpassingen in de ICT-systemen worden gedaan. Automatisch geld terug Belastingplichtigen hoeven geen actie te ondernemen om het rechtsherstel te ontvangen. Zij krijgen automatisch geld terug voor de uiterlijke datum van 4 augustus. Hetzelfde geldt voor alle aanslagen over het belastingjaar 2021. Deze aanslagen worden vanaf augustus gefaseerd opgelegd. Vanaf medio september wordt daarnaast herstel geboden aan de aanslagen over 2017 tot en met 2020 die op 24-12-2021 nog niet onherroepelijk vaststonden. Vanaf medio oktober volgt dan het rechtsherstel voor de aangiften 2017 tot en met 2020 waarbij nog geen aanslag was opgelegd. Ook voor al deze groepen geldt dat mensen hier automatisch bericht over krijgen, zij hoeven hiervoor geen actie te ondernemen. Via een rekenhulp kunnen mensen op de website van de Belastingdienst naar verwachting in juli narekenen hoe de aanslag tot stand is gekomen. Niet op tijd bezwaar In het najaar wordt een uitspraak van de Hoge Raad verwacht in een andere box 3-procedure, die van belang is voor de vraag of ook mensen die niet op tijd bezwaar hebben gemaakt recht moeten krijgen op herstel. Het kabinet neemt dan daarna voor het einde van het jaar een besluit over de definitieve doelgroep van het rechtsherstel. Ook deze groep hoeft geen actie te ondernemen. Mensen die het niet met de beslissing van het kabinet eens zijn hebben daarna nog de mogelijkheid om een zogenaamd verzoek tot ambtshalve vermindering in te dienen (en bij afwijzing daarvan in bezwaar en beroep te gaan). Eerder ingediende verzoeken wordt nog, zolang er nog geen besluit is genomen, aangehouden. Lopende aangifte Mensen met box 3-inkomen die dit jaar op tijd aangifte hebben gedaan ontvangen dit jaar niet zoals gebruikelijk voor 1 juli een te betalen aanslag. De Belastingdienst houdt de aangiftes met box 3 apart en deze aanslagen worden vanaf augustus gefaseerd opgelegd. In augustus zal naar verwachting ook een nieuwe versie van de online aangifte 2021 beschikbaar komen, waarin het rechtsherstel is verwerkt. Mensen kunnen dan als ze dit willen de aangifte voor 2021 opnieuw indienen. Zo kan bijvoorbeeld gekozen worden om een nieuwe partnerverdeling aan te brengen. Belastingplichtigen die voor 1 mei aangifte hebben gedaan over het jaar 2021 en een teruggave verwachten krijgen in eerste instantie een voorlopige aanslag opgelegd die gebaseerd is op de oude systematiek. Op deze manier kan de Belastinggeld het bedrag als gebruikelijk uitbetalen. Op een later moment krijgen zij een definitieve aanslag waarbij rekening gehouden is met het arrest. Bron: MvF,28-04-2022

A-G: beperk rechtsherstel box 3 tot omgezet laat bezwaarschrift

Hebben belastingplichtigen die niet (tijdig) in bezwaar zijn gegaan tegen de vermogensmix in box 3 recht op rechtsherstel? In principe niet, zo concludeert Advocaat-generaal Niessen. Dat is anders als het late bezwaarschrift al vóór het Kerstarrest is aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering.
In zijn conclusie van 24 februari 2022 is Advocaat-generaal (A-G) Niessen ingegaan op de gevolgen van het Kerstarrest. Maar nu komt hij met een aanvullende conclusie. Daarin behandelt hij de vraag of belastingplichtigen die niet (tijdig) bezwaar hebben ingediend tegen de box 3-heffing vanaf 2017 ook recht hebben op rechtsherstel. Bij zijn conclusie ligt de focus op de belanghebbende die probeert met een verzoek om ambtshalve vermindering zijn gelijk te halen. De Belastingdienst wijst zo’n verzoek om ambtshalve vermindering af als de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit rechtspraak die te laat is. In dit kader is rechtspraak te laat als de uitspraak is gewezen nadat de belastingaanslag onherroepelijk vaststaat. Overigens kan de Minister van Financiën een uitzondering maken op de regel dat een ambtshalve vermindering achterwege blijft bij te late rechtspraak. In beginsel hoeft hij dat echter niet te doen van de A-G. Toch is er een situatie waarin een uitzondering geldt op de regel dat de inspecteur een verzoek om ambtshalve bezwaar van een late bezwaarmaker afwijst. Deze uitzondering is aan de orde als de Belastingdienst het bezwaarschrift al in de periode vóór het Kerstarrest heeft aangemerkt als een verzoek tot ambtshalve vermindering. Deze situatie heeft zich ook voorgedaan in de cassatieprocedure waarop de conclusie van de A-G ziet. Uit de rechtspraak vóór het indienen van het verzoek om ambtshalve vermindering is al gebleken dat de aanslag IB/PVV onjuist is. De kern van deze eerdere jurisprudentie is niet gewijzigd. Daarnaast is in deze situatie geen sprake van een onherroepelijke aanslag zolang de weg van de ambtshalve aanslag nog openstaat. Daarom adviseert hij de Hoge Raad om het desbetreffende cassatieberoep gegrond te verklaren, maar alleen voor zover het gaat om de jaren 2017 en 2018. Bron: AG Niessen 24-03-2022 (gepubl. 21-04-2022)

FNV wil werknemers meer laten profiteren van welvaartsgroei

‘We moeten rechtzetten wat scheefgegroeid is. Veel huishoudens kunnen amper hun rekeningen betalen door de inflatie, terwijl veel bedrijven het ondanks de pandemie en inflatie ontzettend goed doen’, zegt vakbond FNV.
In 1975 kwam ruim 80% van de welvaart terecht op loonstrookjes van werkenden. In 2020 was dat minder dan 75% en het Centraal Planbureau verwacht dat het dit jaar zakt naar 71%. Met name in de handel zit er een groot verschil tussen wat bedrijven omzetten en wat er terecht komt in salarissen. Onlangs riep minister Schouten voor Armoedebestrijding bedrijven op te onderzoeken of de lonen verhoogd kunnen worden. Premier Mark Rutte riep op tot 'ruimhartigheid'. Werkgeversorganisatie VNO*NCW is het niet eens met het beeld van zuinigheid bij bedrijven en zegt dat er op dit moment voor tal van CAO's loonsverhogingen worden onderhandeld. Ook kijkt VNO*NCW anders naar de ontwikkeling van de AIQ. "Al vanaf de jaren 90 is de arbeidsinkomensquote stabiel. Die is altijd rond de 73,6 procent volgens voorzitter Ingrid Thijssen. Bron: Nieuwsuur, 27 april 2022

Doorbetaaldloonregeling ook bij uitbetaling aan eigen bv

Laat een bestuurder het loon voor zijn werkzaamheden voor een werkmaatschappij doorbetalen aan zijn eigen holding? Volgens Rechtbank Zeeland-West-Brabant is dat geen reden om de toepassing van de doorbetaaldloonregeling te weigeren.
De zaak ziet op een bv die een energiebedrijf drijft. Drie natuurlijke personen houden via hun persoonlijke holdings ieder 5% van de aandelen in de bv. Verder houden drie buitenlandse aandeelhouders de resterende 85% van de aandelen. De aandeelhouders van de bv sluiten een shareholders agreement. Daarnaast sluit de bv managementovereenkomsten met de drie persoonlijke holdings. Zij moet aan twee van deze holdings jaarlijks een vergoeding van € 135.000 betalen. De derde holding ontvangt een vergoeding van € 180.000. Op hun beurt maken de holdings afspraken met hun aandeelhouders. Zij komen overeen dat de aandeelhouders voor de bv bestuurswerkzaamheden verrichten. De bv meent dat met betrekking tot de werkzaamheden van de bestuurders de doorbetaaldloonregeling van toepassing is. Maar de inspecteur denkt daar anders over. De Belastingdienst stelt dat de bestuurders hun werkzaamheden voor de bv niet uitvoeren op grond van hun dienstbetrekking bij hun persoonlijke holdings. De bv zou daardoor zou de hoofdwerkgever van de bestuurders zijn. De rechtbank volgt de inspecteur niet in deze redenring. Door hun aanmerkelijk belang in de bv zijn de bestuurders in ieder geval fictief in dienstbetrekking. Bovendien zijn zij werkelijk in dienstbetrekking bij hun holdings. De rechtbank oordeelt vervolgens dat het laten uitbetalen van het loon aan de eigen vennootschap toepassing van de doorbetaaldloonregeling niet in de weg staat. Ook constateert de rechtbank dat sprake is van gedeeld ondernemerschap, zodat de gehanteerde structuur zakelijk genoeg is. Ten slotte zijn de holdings niet aan te merken als zuivere management-bv’s. Het gevolg is dat geen sprake is van misbruik. De rechtbank stelt de bv in het gelijk. Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 06-04-2022 (gepubl. 19-04-2022)

© lArcade 2024