Inloggen

Vergissing van één euro geen reden voor proceskostenvergoeding

Omdat de rechtbank een vergissing heeft gemaakt bij het vaststellen van het te vergoeden griffierecht, wordt het beroep van een automobilist gehonoreerd. Het toekennen van een vergoeding van kosten voor rechtsbijstand om een vergissing van € 1 ongedaan te maken, vindt het hof niet redelijk.
Een automobilist tekent bij de rechtbank beroep aan omdat het hij niet eens is met zijn naheffingsaanslag parkeerbelasting. De rechtbank verklaart zijn beroep gegrond en bepaalt dat de gemeente het griffierecht moet vergoeden. De door de rechtbank aangegeven vergoeding voor het griffierecht bedraagt echter één euro minder dan het door de automobilist betaalde bedrag. Reden voor de automobilist om beroep aan te tekenen. Hof Amsterdam is het met de automobilist eens dat de rechtbank griffierecht verkeerd heeft vastgesteld en dat dit moet worden gecorrigeerd. De gegrondverklaring van het beroep is echter geen reden om een proceskostenvergoeding aan de automobilist toe te kennen. De kennelijke en evidente vergissing van €1 van de rechtbank is een absoluut en relatief zeer gering bedrag. Het kosten maken voor en inroepen van beroepsmatige rechtsbijstand is in zo’n geval niet redelijk. Wel wordt het voor het hoger beroep betaalde griffierecht vergoed. De hoogte van de door de automobilist ter discussie gestelde proceskostenvergoeding blijft in stand. Volgens het hof heeft de rechtbank het gewicht van de zaak conform de maatstaf vastgesteld. Bron: Hof Amsterdam 18-01-2018

Verstrekking aandelen doorstaat gebruikelijkheidstoets niet

Volgens Hof Amsterdam doorstaat de verstrekking van een aandelenpakket aan enkele werknemers de gebruikelijkheidstoets van de werkkostenregeling niet. Rechtbank Noord-Holland had in eerste instantie geoordeeld dat de inspecteur niet had aangetoond dat de verstrekking van de aandelen ‘in belangrijke mate hoger zijn dan in voor het overige overeenkomstige omstandigheden gebruikelijk is’.
Een werkgever kent in het kader van een aandelenplan om niet aandelen toe aan haar werknemers. In de jaren vóór 2012 heeft de werkgever deze om niet toegekende aandelen regulier bij de werknemers verloond, waarbij de netto waarde van de aandelen is gebruteerd tegen 108,3%. Vanaf 2012 past de werkgever de werkkostenregeling toe. De aandelen wijst de werkgever sindsdien aan als eindheffingsbestanddeel. Omdat de vrije ruimte wordt overschreden geeft de werkgever over december 2012 een bedrag aan als eindheffing (op basis van een tarief van 80%). De Belastingdienst accepteert de aanwijzing van de aandelen als eindheffingsbestanddeel niet en legt over 2012 en 2013 naheffingsaanslagen loonheffing op met toepassing van het gebruteerde tabeltarief van 108,3%. De inspecteur vermindert de naheffingsaanslagen door een bedrag van € 2.400 per werknemer per jaar te accepteren als eindheffingsloon. Vraag is of de werkkostenregeling van toepassing is. Op basis van de wetsgeschiedenis gaat de werkkostenregeling er volgens het hof van uit dat alle vergoedingen en verstrekkingen, ook die naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden ervaren, tot het loon behoren. Van daaruit zijn kosten gericht vrijgesteld of kan de werkgever ze aanwijzen als werkkosten. De werkkostenregeling is niet bedoeld om verruiming te creëren ten opzichte van de voor 2011 vrijgestelde vergoedingen en verstrekkingen. De regeling moet ook niet zo worden uitgelegd dat zij ruimte biedt voor oneigenlijk gebruik op die manier dat vergoedingen en verstrekkingen zonder zakelijk of gemengd karakter onder de werkkostenregeling kunnen worden gebracht. Het hof oordeelt dat de aandelen de gebruikelijkheidstoets niet kunnen doorstaan. Het gaat om een toekenning om niet van een in aantal en waarde omvangrijk pakket aandelen. Er is sprake van een aanzienlijk voordeel: de gedeeltelijke vrijstelling en het tarief van 80% tegenover het tabeltarief van 108,3%. De tariefsarbitrage geeft oneigenlijk gebruik aan. Het hof oordeelt daarnaast dat de doelmatigheidstoets van € 2.400, die de Belastingdienst toepast, in lijn is met de uitgangspunten van de gebruikelijkheidstoets. Deze begrenzing van € 2.400 is ook uitdrukkelijk als aanknopingspunt genoemd in de wetsgeschiedenis. Het hoger beroep van de inspecteur is gegrond. Bron: Hof Amsterdam 25-01-2018

Werken aan toekomstbestendig pensioenstelsel blijft noodzakelijk

Hoewel de pensioenfondsen er beter voor staan, waarschuwen de ondernemingsorganisaties VNO-NCW en MKB-Nederland dat het systeem nog steeds kwetsbaar en afhankelijk is van de financiële markten. Volgens de ondernemingsorganisaties blijft de noodzaak om aan een meer toekomstbestendig pensioenstelsel te werken recht overeind.
Een van de zaken voor een toekomstigbestendig pensioenstelsel is volgens de ondernemersorganisaties langer doorwerken. Maar er moet ook meer gebeuren. Ook moet de premie-inleg eerlijker worden zodat er een einde komt aan de herverdeling van jonge naar oudere deelnemers. Wel kunnen risico's nog steeds collectief worden gedeeld, aldus de VNO-NCW en MKB-Nederland. Daarnaast maken veranderingen in de samenleving en arbeidsmarkt dat modernisering nodig is om draagvlak te behouden: men is individualistischer geworden, werknemers wisselen vaker van baan en willen zelf keuzes maken. Beide ontwikkelingen, financieel en maatschappelijk, maken aanpassing noodzakelijk. Het tijdelijk verhogen van de rekenrente, zoals FNV en 50-Plus voorstaan, is volgens de ondernemersorganisaties geen goede oplossing. Bron: VNO-NCW 25-01-2018

Technologie inzetten voor vergroten arbeidsparticipatie

Meer mensen met een beperking kunnen aan de slag als huidige en toekomstige technologische mogelijkheden beter worden benut. Dit blijkt uit onderzoek dat met subsidie van UWV is uitgevoerd.
De ontwikkeling van nieuwe technologische toepassingen richt zich over het algemeen op toepassingen in de gezondheidszorg. In twee verschillende onderzoeken is nu gekeken of en hoe technologie kan bijdragen aan het vergroten van de arbeidsparticipatie van mensen met een fysieke of licht verstandelijke beperking. In een onderzoek dat werd uitgevoerd door het Athena Instituut van de VU zijn vier scenario’s uitgewerkt om kansrijke technologische toepassingen in te zetten voor mensen met een licht verstandelijke beperking. De scenario’s laten zien hoe de toepassing van serious gaming, augmented reality, een activiteitentracker en omgevingssensoren deze werknemers bij hun werk kan ondersteunen. Uit een ander onderzoek, uitgevoerd door Technopolis en SEOR, zijn acht veelbelovende technologische voorzieningen naar voren gekomen die kansen bieden voor het vergroten van de arbeidsparticipatie van mensen met een beperking. Het gaat om (sociale) robotassistenten, digitale assistenten, telepresence robots, (gemotoriseerde) exoskeletten, autopersonalisatie van computers, tools voor live ondertiteling en vertaling, spraakgestuurde apparaten en gepersonaliseerde producten. De resultaten van de twee onderzoeken werden op donderdagmiddag 25 januari jl. gepresenteerd tijdens een symposium in Amersfoort. Tijdens het symposium wordt een speciale coalitie voor technologie en inclusie gelanceerd. De coalitie, waarin onder meer hoogleraar arbeidsmarkt Ton Wilthagen zitting neemt, gaat het onderwerp aanjagen, monitoren en barrières wegnemen. Andere deelnemers zijn ontwikkelaars, werkgevers, gebruikers en beleidsmakers. Samen zullen zij de komende jaren actief initiatieven stimuleren die de inclusieve arbeidsmarkt dichterbij brengen door middel van technologie. Bron: UWV 25-01-2018

ET-regeling kon met terugwerkende kracht

In de loop van het kalenderjaar voert een uitzendbureau – met terugwerkende kracht tot en met januari – een regeling in voor de vergoeding van huisvestingskosten van haar buitenlandse werknemers. Voortaan worden die kosten als extraterritoriale kosten vanuit het brutoloon vergoed. De inspecteur is het er niet mee eens en legt naheffingsaanslagen op. Volgens Hof Den Bosch kon de regeling echter met terugwerkende kracht worden ingevoerd.
Een uitzendbureau verzorgt de huisvesting van haar uit het buitenland afkomstige werknemers. Tot 1 januari betaalden de werknemers daarvoor een vergoeding uit het nettoloon. Met ingang van 2008 is dit – na afronding van de onderhandelingen tussen de betrokken cao-partijen – gewijzigd: een vergoedingsregeling is ingevoerd waarbij de huisvestingskosten als extraterritoriale kosten vanuit het brutoloon worden vergoed. Ter compensatie van de verlaging van de grondslagen voor pensioenopbouw en sociale zekerheidsrechten hierdoor wordt het brutoloon met 19% gecompenseerd. Feitelijk is de nieuwe regeling pas in oktober 2008 geïmplementeerd, doordat de salarissoftware van het uitzendbureau niet eerder was aangepast. Alle loonstroken van de betrokken werknemers zijn in 2008 met terugwerkende kracht naar 1 januari 2008 aangepast en opnieuw aan de desbetreffende werknemers uitgereikt. Volgens de inspecteur kon het door de werknemers genoten loon niet met terugwerkende kracht worden gewijzigd en hij legt een naheffingsaanslag van voor een bedrag van € 136.519 op. Volgens Hof Den Bosch is de ET-regeling feitelijk van toepassing vanaf 1 januari 2008. Weliswaar is de regeling niet geheel volgens de daarvoor geldende regels per 1 januari 2008 geïmplementeerd, maar het voert volgens het hof te ver om de inlevering van een deel van het brutoloon te negeren voor de heffing van de loonbelasting. De ET-regeling had volgens hof in de periode januari 2008 tot en met september 2008 realiteitswaarde. Ook de Inspecteur heeft die realiteitswaarde in wezen niet bestreden: met terugwerkende kracht tot 1 juli 2008 heeft hij de regeling wel geaccordeerd. Ook uit een opmerking van de staatssecretaris in een besluit van 22 augustus 2007 – ‘Ik merk op, dat de beoordeling van een vrije vergoeding in beginsel per kalenderjaar plaatsvindt’ – in samenhang met hetgeen in de Wet op de loonbelasting inzake het corrigeren van eerdere aangiften door middel van correctieberichten is opgenomen, maakt het hof op dat het uitzendbureau de ET-regeling ook in de eerste helft van het jaar mocht toepassen. Bron: Hof Den Bosch 14-12-2017

© lArcade 2020