Inloggen

Wanneer kunt een beroep doen op betalingsonmacht griffierecht?

Bent u verwikkeld in een gerechtelijke procedure en moet u griffierecht betalen, maar bent u hiertoe niet in staat. Let op: de Hoge Raad heeft onlangs in een arrest algemene richtlijnen gegeven met betrekking tot betalingsonmacht inzake het griffierecht.
De zaak betrof een belanghebbende die beroep had ingesteld tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting. Met betrekking tot het griffierecht deed zij een beroep op betalingsonmacht. De rechtbank had haar beroep tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht. De Hoge Raad grijpt deze zaak aan om algemene richtlijnen te geven met betrekking tot een beroep op betalingsonmacht inzake het griffierecht. Een natuurlijke persoon die hier beroep op wil doen moet aannemelijk maken dat op betaaldatum van het griffierecht zijn maandelijks netto-inkomen minder is dan 90% van de bijstandsnorm voor alleenstaanden en niet beschikt over vermogen waaruit het griffierecht kan worden betaald. Hierbij is de gezinssamenstelling niet van belang. Wel het inkomen en vermogen van een fiscale partner telt mee. Bij het bepalen of men aan die inkomens/vermogensnorm voldoet moet men kijken naar de periode vanaf de uitnodigingsbrief tot betaling van griffierecht tot de uiterste betaaldatum. Is er sprake van betalingsonmacht, dan moet de rechtzoekende dit tijdig kenbaar maken en daarbij de benodigde gegevens verstrekken (naam en adres, BSN, van zichzelf en partner). De griffier kan vervolgens een inkomensverklaring vragen aan de Raad voor rechtsbijstand. Voor bepaalde rechtzoekenden, zoals asielzoekers, gelden overigens nog bijzondere regels. Bron: HR 20-02-2015

Uitzendregeling ook ná verhuur eigen woning niet van toepassing

Een werknemer die wordt uitgezonden en zijn woning gedurende die uitzending aanhoudt, kan de hypotheekrente alleen in aftrek blijven brengen als hij die woning gedurende de uitzendperiode niet verhuurt. Zodra de woning wordt verhuurd ‘verdwijnt’ de woning uit box 1 totdat de uitzending voorbij is.
Een belastingplichtige heeft een eigen woning in Nederland die is gefinancierd met een hypothecaire lening. In 2003 wordt hij door zijn werkgever naar het buitenland uitgezonden. De eigen woning wordt al die tijd aangehouden. Van 30 juli 2008 tot en met 17 september 2009 verhuurt hij de woning tijdelijk. Begin 2011 keert de belastingplichtige terug naar Nederland. Voor het jaar 2009 doet hij aangifte als buitenlands belastingplichtige. Voor het hele jaar merkt hij de woning aan als eigen woning waarvoor de uitzendregeling geldt. De inspecteur corrigeert vervolgens de in de aangifte in mindering gebrachte rente vanwege de verhuur. De rechtbank oordeelde dat de eigen woning als eigen woning in de zin van de uitzendregeling kan worden aangemerkt. De rechter verwees hierbij naar een uitspraak van de Hoge Raad, waarin werd beslist dat de uitzendregeling van toepassing is in de aan de tijdelijke verhuur voorafgaande periode. Volgens de rechtbank is er geen aanleiding om voor de periode nadat de verhuur is beëindigd anders te oordelen. De staatssecretaris heeft tegen deze uitspraak sprongcassatie ingesteld. Volgens de staatssecretaris voldeed de belastingplichtige aan de voorwaarden van de uitzendregeling tot het moment waarop hij de woning aan een derde ging verhuren. Op dat moment verhuisde de woning naar box 3. Door het woord ‘sindsdien’ in artikel 3.111, lid 6, Wet IB 2001 kan de woning na afloop van de verhuur niet terugkeren naar box 1. De Hoge Raad is het met deze uitleg eens. Uit de wetsgeschiedenis valt af te leiden dat de uitzendregeling van toepassing is vanaf het tijdstip dat de woning niet langer het hoofdverblijf van de belastingplichtige is en onder de voorwaarde dat de woning vanaf dat tijdstip niet aan derden ter beschikking wordt gesteld. Is aan die voorwaarde niet langer voldaan, dan verdwijnt de woning uit box 1 en kan daarna, wanneer de tijdelijke verhuur eindigt, niet terugkeren in box 1. De staatssecretaris wordt in het gelijk gesteld. Bron: HR 20-02-2015

VAR 2014 blijft voorlopig geldig

De VAR 2014 blijft voorlopig geldig, mits de opdrachtnemer hetzelfde werk doet onder dezelfde omstandigheden en voorwaarden. Dit antwoordt staatssecretaris Wiebes op vragen van de Vaste Kamercommissie van Financiën naar aanleiding van de vertraging bij de behandeling van het wetsvoorstel Beschikking geen loonheffing.
Vorig jaar, voor de indiening van het wetsvoorstel Beschikking geen loonheffingen, was al aangekondigd dat de VAR 2014 in de eerste maanden van 2014 nog geldig zou blijven. Ook in het wetsvoorstel Beschikking geen loonheffingen (BGL) was opgenomen dat de geldigheid van de VAR nog zou doorlopen tot de inwerkingtreding van het wetsvoorstel. Echter eind vorig jaar werd duidelijk dat het wetsvoorstel niet met de aanvankelijk voorziene vaart door de Kamer zou kunnen worden geloodst. Van diverse kanten zijn alternatieven voor het wetsvoorstel aangedragen. FNV Zelfstandigen, Stichting ZZP Nederland, Zelfstandigen Bouw, FNV en CNV Vakmensen hebben, net als door VNO-NCW en MKB Nederland, een alternatief voor de BGL voorgesteld. Dit alternatief betreft een model waarin, in combinatie met een vereenvoudiging van het systeem, zowel opdrachtnemer als opdrachtgever een verantwoordelijkheid hebben voor de juistheid van de feiten en omstandigheden zoals die aan de Belastingdienst zijn gepresenteerd. Het kabinet wil dit alternatief voor de BGL eerst onderzoeken. Volgens Wiebes is van belang dat het voorstel zowel beantwoordt aan de doelstellingen van het kabinet, voldoende draagvlak heeft en goed uitvoerbaar is voor opdrachtgevers en opdrachtnemers en voor de Belastingdienst. In het voorjaar van 2015 zal hij de Tweede Kamer hierover een brief sturen. Daarin zal hij ook ingaan op de gevolgen voor het wetsvoorstel en voor de geldigheid van de VAR 2014. Bron: TK 2014-2015, 34 036, nr. 8

Reisaftrek ondanks gebreken in reisverklaring

Een werkneemster die in haar aangifte IB 2011 reisaftrek claimt, en hiervoor een reisverklaring van de werkgever met tal van gebreken overlegt, krijgt toch recht op reisaftrek. Aannemelijk is dat zij met het OV reisde en de kosten hiervan zelf heeft betaald.
Een werkneemster maakt in 2011 voor het woon-werkverkeer gebruik van het openbaar vervoer. Tot 1 juni met losse kaartjes, daarna met een OV-chipkaart, waarop zij vanaf 19 augustus een abonnement heeft. De werkgever geeft haar geen reiskostenvergoeding. In haar aangifte IB over 2011 verzoekt de vrouw reisaftrek voor de categorie 20 tot 30 kilometer. Aan de inspecteur overlegt zij een reisverklaring van de werkgever, met dagtekening 10 december 2013 en een betalingsoverzicht waaruit blijkt dat zij regelmatig met haar pinpas bedragen aan NS heeft betaald. Bij het vaststellen van de aanslag verleent de inspecteur geen reisaftrek. Verder legde zij een betalingsoverzicht over, waaruit bleek dat zij regelmatig met een pinpas aan de NS had betaald. De inspecteur weigerde de reisaftrek. Op de belastingplichtige rust de bewijslast voor de reisaftrek. Hiervoor geldt vanaf 2011 de vrije bewijsleer. De bepaling dat de belastingplichtige de reisverklaring en de plaatsbewijzen op verzoek aan de inspecteur moet overleggen is op 1 juli 2014 vervallen, met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2011. De reisverklaring bevatte een aantal gebreken, waaronder het ontbreken van een jaartal en het bedrijfsadres. Ook was een onjuist aantal werkdagen per week vermeld. Dit was voor Rechtbank Zeeland-West-Brabant echter geen reden om de reisverklaring buiten beschouwing te laten. Volgens de rechtbank had de werkneemster aannemelijk gemaakt dat zij gewoonlijk ten minste vier dagen in de week naar haar werk reisde. Volgens de rechtbank had de werkneemster recht op reisaftrek. Wel verminderde de rechtbank de hoogte van de aftrek. De afstand van station naar station bedroeg namelijk slechts 14 kilometer. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de bedoeling is dat alleen de met het openbaar vervoer afgelegde kilometers een aftrek opleveren. De per fiets afgelegde kilometers van huis naar het station telden niet mee. Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 23-01-2015

Oplossing voor problemen transitievergoeding

Minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid komt met een oplossing voor de problemen met de transitievergoeding in geval van tijdelijke werknemers. Door werkgevers en vanuit de Kamer was aangedrongen op maatregelen. Op 24 februari heeft hij de maatregelen in een Kamerbrief gepresenteerd.
Vanaf 1 juli 2015 is een werkgever een transitievergoeding verschuldigd bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst, indien de werknemer bij de werkgever een arbeidsverleden heeft van minimaal twee jaar. Omdat in de regeling, ook met terugwerkende kracht, een onderbreking van minimaal zes maanden nodig is, om twee opvolgende arbeidsovereenkomsten niet samen te tellen, lopen werkgevers van bijvoorbeeld seizoenswerkers hierdoor al snel tegen een forse transitievergoeding aan. In het verleden werd immers uitgegaan van onderbrekingen van drie maanden. Voor de betreffende werknemers was het risico dat zij hierdoor geen nieuwe arbeidsovereenkomst bij de werkgever krijgen. Omdat met name dit laatste volgens de minister ongewenst is komt hij met een oplossing. Enerzijds past hij de regeling zo aan dat een werkgever uitstel krijgt van het verschuldigd zijn van een transitievergoeding als hij de werknemer de garantie biedt dat hij uiterlijk na zes maanden weer bij de werkgever aan de slag kan. Daarnaast komt de minister met een overgangsregeling. Bij het bepalen van de transitievergoeding voor tijdelijke werknemers zullen arbeidsovereenkomsten die voor 1 juli 2012 zijn geëindigd niet meetellen. En, om het aangaan van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd te stimuleren, wordt die grens verschoven naar 1 juli 2015, indien op of na 1 juli 2015 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met de werknemer wordt aangegaan. Vanwege het spoedeisende karakter heeft de minister de maatregelen opgenomen in de tweede nota van wijziging bij het Wetsvoorstel aanpak schijnconstructies. Bron: Min SZW 24-02-2015, nr. 2015-0000038244

© lArcade 2020