Inloggen

Archief

Verbreding en vergroting aanbod MKB-financiering

Nieuwe aanbieders die geld willen lenen aan het MKB, kunnen vanaf donderdag 30 oktober 2014 meedingen naar een nieuwe overheidsgarantie. Het ministerie van Economische Zaken stelt maximaal € 400 miljoen garantie beschikbaar voor meer én nieuwe vormen van krediet voor mkb’ers. De aanpak is nieuw, want tot nu toe gaf de overheid alleen garanties op de financiering die direct aan bedrijven in plaats van aan financiers werd verstrekt.
Volgens minister Kamp van Economische Zaken is er een grote behoefte aan nieuwe financieringsmogelijkheden voor het MKB. Met de garantie wil hij nieuwe aanbieders van MKB-kredieten helpen om makkelijker de markt te betreden. Goede nieuwe initiatieven die voldoen aan de voorwaarden, kunnen in aanmerking komen voor een overheidsgarantie van maximaal 80%. Een garantie helpt nieuwe partijen om de markt te betreden. Zonder garantie zullen ze moeilijk tot niet aan financiering komen. Beleggers investeren niet snel in initiatieven zonder track record of internationale benchmark. Deze garantie biedt nieuwe initiatieven de mogelijkheid een track record op te bouwen, terwijl het risico beperkt blijft. Partijen hebben vanaf 30 oktober acht weken de tijd om hun voorstellen in te dienen. Een commissie van externe experts zal de minister adviseren. Verwacht wordt dat de eerste financieringsvoorstellen al in 2015 tot resultaat leiden. Bron: Min EZ, 30-10-2014

Integratiebedrijf ten onrechte ingedeeld als uitzendonderneming

In welke sector een werkgever is ingedeeld, is van groot belang, vooral vanwege de verschillen in de premies voor de werknemersverzekeringen tussen de verschillende sectoren. Een onderneming die uitsluitend ten behoeve van een gemeente personeelsdiensten verricht is volgens Hof Den Haag ten onrechte ingedeeld in sector 52 (uitzendondernemingen).
Een vennootschap houdt zich sinds haar oprichting in 1996 bezig met het ter beschikking stellen van personeel aan, met een gemeente als haar enige opdrachtgever. De vennootschap neemt alleen personen in dienst die door die gemeente zijn uitgezocht. In het bijzonder gaat het hierbij om personen met een ‘afstand tot de arbeidsmarkt’. De vennootschap was altijd ingedeeld in sector 45, Zakelijke dienstverlening III, maar in 2013 ontstaat er discussie met de inspecteur over de indeling. In een brief schrijft de inspecteur dat de indeling in sector 45 niet meer juist. De inspecteur overweegt indeling in sector 66 (Overheid, overige instellingen), maar uiteindelijk wordt de vennootschap bij beschikking van 11 december 2013 met ingang van 1 januari 2014 ingedeeld in sector 52 (Uitzendbedrijven). Tegen die beschikking gaat de vennootschap in beroep. In welke sector een werkgever wordt ingedeeld is afhankelijk van de werkzaamheden. Wel kent de Regeling Wfsv een aansluitregeling op grond waarvan juridisch zelfstandige bedrijven of instellingen die tot een economische of organisatorische eenheid behoren de inspecteur kunnen vragen om een beschikking dat zij aangesloten zijn bij dezelfde sector. Volgens de Regeling Wfsv (Bijlage I) gaat het bij uitzendbedrijven (sector 52) om werkgevers die op basis van een uitzendovereenkomst arbeidskrachten ter beschikking stellen, mits door die arbeidskrachten geen werkzaamheden worden verricht die ‘sec functioneel bezien’ voor meer dan 50% van het totale premieplichtige loon op jaarbasis aan één sector kunnen worden toegerekend. De vennootschap meent dat zij in dezelfde sector moet worden ingedeeld als de gemeente (sector 64), of eventueel in sector 66 omdat zij uitsluitend werkzaamheden voor de gemeente uitvoert. Hof Den Haag beslist dat het bedrijf in dezelfde sector moet worden ingedeeld als de gemeente (sector 64). Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de vennootschap zich uitsluitend bezighoudt met het ter beschikking stellen van personeel aan de gemeente, dit personeel gemeentelijke taken uitvoert en ook op de specifieke behoeften van de gemeente is afgestemd, waardoor het personeel in feite op één lijn is te stellen met gemeentelijk personeel. Het ligt daarom in de rede de vennootschap, gelet op haar werkzaamheden en maatschappelijke functie, ook onder toepassing van de aansluitingsregeling, in dezelfde sector in te delen als de gemeente. Bron: Hof Den Haag 17-10-2014

Aftrekbare kosten oppasopa?

Een opa die de opvang van zijn kleinkinderen verzorgde, wilde met die opvang samenhangende kosten in mindering brengen in zijn aangifte. Daar hij niet kan bewijzen dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en ook niet kan aangeven waar de kosten betrekking op hebben, wordt de aftrek niet verleend.
Een opa heeft in zijn aangifte IB 2010 een bruto resultaat aan overige werkzaamheden aangegeven van € 23.400. Dit resultaat heeft hij behaald met zijn werkzaamheden als gastouder/oppasopa van zijn twee kleinkinderen. Op dit resultaat heeft hij een bedrag van € 21.450 aan kosten in mindering gebracht. Tussen opa en schoonzoon is een overeenkomst opgesteld. Hieruit blijkt dat opa vanaf 1 januari 2010 tot en met december 2010 een bedrag van € 1.787,50 per maand betaalt aan zijn schoonzoon. Hiervoor staat hem altijd een auto ter beschikking voor het halen en brengen van de kinderen tijdens de opvang en krijgt hij een mobiele telefoon die uitsluitend gebruikt wordt voor de communicatie over opvang van de kinderen. Alle kosten die voortvloeien uit de opvang van de kinderen worden door zijn schoonzoon betaald. De speciale ruimte die is ingericht voor de opvang mag opa het gehele jaar gebruiken. Met deze overeenkomst dekt opa zich volledig in tegen de kosten die met de opvang te maken hebben. De inspecteur heeft de aftrek van de kosten niet geaccepteerd. Volgens de rechtbank rust op opa de bewijslast om aannemelijk te maken dat de door hem opgevoerde kosten een zakelijk karakter hebben. Hierin is opa niet geslaagd. Een overeengekomen vergoeding van € 1.787,50 per maand voor het gebruik van een auto, mobiele telefoon, eten, drinken en eventuele andere bijkomende kosten die met de opvang samenhangen ontbeert realiteitsgehalte. Een dergelijke overeenkomst zou tussen onafhankelijke derden niet tot stand zijn gekomen. Volgens de rechtbank moet dan ook aangenomen worden dat de betalingen om andere redenen zijn gedaan zodat de kosten terecht niet in aftrek zijn toegelaten. Nu de inspecteur een bedrag aan kosten van € 2.400 aannemelijk acht, sluit de rechtbank hierbij aan en is het netto resultaat uit overige werkzaamheden vast te stellen op € 21.000. Het hof vindt ook dat een redelijke verdeling van de bewijslast met zich meebrengt dat opa, die de kosten in zijn aangifte in aftrek wil brengen, moet bewijzen dat de kosten daadwerkelijk en voor dat doel zijn gemaakt. Opa heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij daadwerkelijk iedere maand een bedrag van € 1.787,50 aan zijn schoonzoon heeft betaald. Het blijkt niet uit de opnames van zijn bankrekening en op de kwitanties die zijn overlegd ontbreekt de datum. Doordat er voor maart 2010 twee kwitanties zijn, ieder met een ander nummer, bestaat het vermoeden dat de kwitanties achteraf zijn opgemaakt. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat de betalingen zijn gedaan ter vergoeding van aftrekbare kosten. De kosten zijn dan ook niet aftrekbaar. Bron: Hof Den Haag 14-10-2014

Eerste cao-afspraak over transitievergoeding

Met de inwerkingtreding van de wet Werk en zekerheid worden de mogelijkheden om in de cao afwijkende afspraken te maken beperkt, dit betreft met name de afspraken ten aanzien van de ketenregeling en oproepcontracten. Op een aantal andere terreinen kunnen echter wel in een cao afspraken worden opgenomen. Bij het Rotterdamse havenbedrijf EMO werd onlangs een eerste cao-afspraak over de transitievergoeding gemaakt.
De Wet werk en zekerheid beperkt de mogelijkheden om in de cao af te wijken van de wettelijke ketenregeling (vanaf 1 juli 2015 maximaal drie tijdelijke arbeidsoveenkomsten met een maximale contractduur van 24 maanden). In tegenstelling tot thans zijn hier wel voorwaarden aan verbonden (in geval van een uitzendovereenkomst of uit de overeenkomst/regeling moet blijken dat de aard van de werkzaamheden een verlenging noodzakelijk maken). Ook is hieraan een duidelijk plafond verbonden (maximaal 48 maanden/6 overeenkomsten). Maar op andere onderwerpen biedt de Wet werk en zekerheid mogelijkheden om in een cao nadere afspraken te maken. Dit betreft onder mee de transitievergoeding, scholing, ontslagprocedure en het derde WW-jaar. In een aantal principeakkoorden voor nieuwe cao’s dit jaar zijn al (protocol)afspraken opgenomen over de reparatie van het derde WW-jaar. Vaak betreft dit de afspraak dat partijen met elkaar in overleg gaan over de financiering van het derde WW-jaar, waarbij het SER-advies over de nieuwe WW en eventueel aanvullende bemerkingen van de Stichting van de Arbeid als uitgangspunt zullen worden genomen. Doel is te komen tot een private verzekering van het derde WW-jaar waarmee de huidige hoogte en duur van de uitkering kan worden gehandhaafd. Het Rotterdamse ertsoverslagbedrijf beet onlangs de spits af met een eerste afspraak over de transitievergoeding die een werknemer krijgt bij ontslag. De werkgever kan daar op in mindering brengen de zogenoemde transitie- en inzetbaarheidskosten, waaronder onder bepaalde voorwaarden kosten voor scholing. Bij het Rotterdamse overslagbedrijf hebben de cao-partijen in het principeakkoord voor de nieuwe cao nadrukkelijk afgesproken dat de kosten voor scholing niet in mindering komen op de transitievergoeding. Bron: Caoweb, 28-10-2014

‘Misstanden bij steigerbouwers’

Volgens FNV Bouw wordt de cao in de sector steigerbouw structureel overtreden. Volgens de bond schieten grote opdrachtgevers als Shell en de NAM tekort bij de controle op de aannemers en onderaannemers in hun keten. Dit levert hen grote besparingen op.
De bond komt tot de conclusie na een uitgebreid nalevingsonderzoek van de FNV.Uit doorrekeningen van de FNV zou blijken dat Shell mogelijk 2,5 ton tot ruim 6 ton op loonkosten heeft bespaard tijdens een recente onderhoudsstop in Pernis, uitgaande van een groep van 400 uitzendkrachten. In de gehele sector verdwijnt er mogelijk 33 miljoen euro in totaal, of 11.000 euro per uitzendkracht door het gebruik van schijnconstructies. Het FNV-onderzoek vond plaats van mei tot en met oktober 2014 op twee bouwplaatsen. Uit de controle van loonstroken is gebleken dat er bij de uitzendkrachten ten onrechte geen rekening wordt gehouden met ADV-dagen. Ook constateerde de FNV dat reisuren (het heen en weer rijden van huis naar een steeds wisselende werkplek) ten onrechte niet worden vergoed aan uitzendkrachten. Ook worden steigerbouwers met jaren werkervaring niet als vakkracht worden erkend en daardoor te laag beloond. Volgens de FNV wordt tussen de € 1,31 en € 3,20 per uur te weinig betaald. In de steigerbouw zijn naar schatting zo’n 60 uitzendbureaus actief, waarvan de 16 grootste uitzenders 80% van de markt in handen hebben. Het personeel betrekken ze in toenemende mate uit het buitenland. Bron: FNV Bouw, 28-10-2014

© lArcade 2020