Inloggen

Reclamebelasting hoeft geen individueel profijt op te leveren

Een reclamebelasting is een algemene belasting die ten goede moet komen aan de ondernemers in die in de heffing worden betrokken. Dat individuele ondernemers daar geen profijt van hebben is niet van belang.
Een ondernemer met een winkel is het niet eens met de aanslag reclamebelasting. Voor openbare aankondigingen aan het winkelpand die vanaf openbare weg zichtbaar zijn kan de gemeente een reclamebelasting heffen. De winkel van de ondernemer zich in bevindt een aangewezen gebied. Hij vindt echter dat hij de laatste jaren niet heeft kunnen profiteren van de activiteiten van de stichting die de geïnde reclamegelden krijgt. Volgens de ondernemer komen de activiteiten van de stichting met name ten goede aan een ander gebied, terwijl de opbrengst uit reclamebelasting moet worden besteed aan voorzieningen en diensten die in het belang zijn voor alle belastingplichtigen van wie geheven wordt. Volgens de rechtbank kan de gemeente de heffing van de belasting beperken tot een bepaald gebied als daar een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor bestaat. Dit is het geval als de gemeente in redelijkheid heeft mogen uitgaan van de veronderstelling dat degenen die profijt kunnen hebben van de opbrengst van de belasting in de heffing worden betrokken. Vaststaat dat de stichting het reclamegeld gebruikt voor evenementen en promotionele activiteiten. De rechtvaardiging voor de belasting is dat deze in het algemeen ten goede komt aan de ondernemers in de gebieden en niet in het individuele profijt van een bepaalde ondernemer. Rb. Oost-Brabant 23-04-2015, nr. 14_3891

Afroommethode: niet alleen over winstjaren

Onlangs heeft Hof Den Haag opnieuw geoordeeld dat de inspecteur de afroommethode mag toepassen, maar alleen als hij dit consequent voor alle jaren doet.
De enige aandeelhouder van een Ltd., die weer aandeelhouder is van een bv, is de enige bestuurder en werknemer van die bv. In de jaren 2007 tot en met 2010 maakt de bv winst terwijl in de jaren 2011 en 2012 verlies wordt gedraaid. De dga ontvangt al die jaren een vast salaris van zo’n € 70.000 per jaar. Na een boekenonderzoek vindt de inspecteur dat het salaris over de tijdvakken 2007 tot en met 2010 moeten worden gecorrigeerd op basis van de afroommethode. Volgens de Hoge Raad kan het gebruikelijk loon voor soortgelijke dienstbetrekkingen, als het aanmerkelijk belang geen rol speelt, worden bepaald op basis van het salaris van werknemers met soortgelijke dienstbetrekkingen. Als de opbrengsten van een bv bestaan uit de door de directeur verrichte arbeid, dan kan de afroommethode de basis zijn voor het gebruikelijke loon. De inspecteur mocht de afroommethode toepassen. De opvatting van de inspecteur dat hij in de jaren waarin de vennootschap winst behaalt een met de afroommethode berekend gebruikelijke loon kan toepassen en in jaren waarin de vennootschap verlies heeft geleden of een bescheiden winst heeft behaald niet, is echter niet juist. Toepassing van de afroommethode leidt dan tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing die de wetgever niet heeft beoogd of voorzien. Bron: Hof Den Haag 26-05-2015

VNO-NCW: verplichtingen bij ziekteverzuim schadelijk voor werkgelegenheid

VNO-NCW is blij dat een meerderheid van de Tweede Kamer wil dat werkgevers in het midden- en kleinbedrijf worden ontlast bij ziekteverzuim van personeel. De ondernemingsorganisatie vindt dat werkgevers te veel verplichtingen hebben op het gebied van ziekte en arbeidsongeschiktheid. Die werken als een ‘afbreker’ van werkgelegenheid.
Bij ziekte moeten werkgevers het loon gedurende twee jaar doorbetalen. Daarnaast moeten zij de re-integratie van hun werknemer stimuleren en daar een verslag van bijhouden. Daar gaat veel tijd, geld en energie in zitten, aldus VNO-NCW. Vooral het MKB heeft moeite om dat op te brengen. Het huidige systeem maakt het onaantrekkelijk om personeel aan te nemen. Bovendien heeft nog geen kwart van het verzuim deels of hoofdzakelijk met werk te maken, blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. De verantwoordelijkheden voor en de kosten van het verzuim zouden daarom beter verdeeld moeten worden over werkgever , verzuimverzekeraar en werknemer, vindt VNO-NCW. Zo zouden werknemers meer dan nu zelf actief moeten re-integreren en daar ook op afgerekend moeten worden. Bron: VNO-NCW 21-05-2015

Mkb-innovatiestimulering Regio en Topsectoren (MIT) deels overtekend

Het is niet meer mogelijk in te schrijven voor de MIT-regeling voor advies- en haalbaarheidsprojecten. De inschrijving startte op 19 mei 2015 maar is wegens overgrote belangstelling op 21 mei al twee maal overtekend. Het budget is op. Er zijn landelijk maar liefst 195 projecten aangemeld. Wel kunnen nog aanvragen worden ingediend voor een kennisvoucher en R&D samenwerkingsprojecten.
De Mkb-innovatiestimulering Regio en Topsectoren (MIT) is bedoeld om innovatie bij het midden- en kleinbedrijf over regiogrenzen heen te stimuleren. Het kabinet en de regio’s hebben hiervoor in 2015 gezamenlijk ruim € 50 miljoen beschikbaar gesteld. Het doel om nationale en regionale innovatiestimuleringsinstrumenten zo veel mogelijk te harmoniseren en onderling te verbinden is daarmee gedeeltelijk al behaald. In de MIT Regio en Topsectoren werken het ministerie van Economische Zaken en de regio’s (provincies) vanuit een gezamenlijke instrumentenkoffer: adviesprojecten, haalbaarheidsprojecten, R&D-samenwerkingsprojecten, kennisvouchers, TKI-Innovatiemakelaars en -netwerkactiviteiten. Adviesprojecten, haalbaarheidsprojecten en R&D-samenwerkingsprojecten worden regionaal aangeboden, kennisvouchers en de twee TKI-instrumenten (Innovatiemakelaars en netwerkactiviteiten) zijn alleen landelijk beschikbaar. R&D-samenwerkingsprojecten worden volgens het tenderprincipe, vanaf 1 respectievelijk 15 september afgehandeld, alle overige instrumenten binnen de MIT op volgorde van binnenkomst (first come, first served) vanaf 19 mei. Het is inmiddels niet meer mogelijk om in te schrijven voor advies- en haalbaarheidsprojecten (landelijk en in Zuid-Holland). Ondernemers moeten, na het volgen van een stroomschema, in principe hun aanvraag indienen binnen de regio waar zij gevestigd zijn. Via de loketwijzer (https://www.rvo.nl/loketwijzer-wssl) komt men bij het juiste loket terecht. Een ondernemer komt bij het landelijke vangnet terecht als: • er in de regio voor zijn/haar topsector geen openstelling is; • het instrument niet regionaal aangeboden wordt (bijvoorbeeld kennisvouchers). Bron: RVO 21-05-2015 en 19-05-2015

Ook ontvanger moet zich aan termijnen houden

Om een bestuurder aansprakelijk te kunnen stellen voor onbetaald gebleven naheffingsaanslagen, dient de naheffingsaanslag te zijn opgelegd en moet de uiterste betaaltermijn van die naheffingsaanslag inmiddels zijn verstreken.
Een belastingplichtige is volgens een uittreksel van de Kamer van Koophandel sinds 16 mei 2011 bestuurder van een bv. Van 16 december 2011 tot 9 september 2013 is hij ook enig aandeelhouder van de bv. Vanaf 9 september 2013 zijn de aandelen ondergebracht bij een stichting. Op 6 februari 2013 is iemand anders aangesteld (en per 2 september 2013 ingeschreven) als bestuurder van de bv. Op 13 juni 2013 wordt de belastingplichtige aansprakelijk gesteld voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonheffingen opgelegd voor tijdvakken in 2012 en de maanden januari en februari 2013. Op 9 mei 2013 doet de aandeelhouder een melding betalingsonmacht voor de maanden januari, februari en maart 2013. De ontvanger verklaart de melding betalingsonmacht voor de maanden januari en februari 2013 niet-rechtsgeldig. Hoewel feitelijke omstandigheden aanleiding kunnen zijn om een in het handelsregister ingeschreven bestuurder niet meer als bestuurder aan te merken, redt de aandeelhouder het niet met zijn betoog dat hij na 6 februari 2013 slechts als belastingadviseur voor de bv heeft opgetreden geen handelingen als bestuurder meer heeft verricht. Uit de melding betalingsonmacht en de brief met verstrekte informatie blijkt dat hij deze als bestuurder heeft ondertekend. De vermelding in het briefhoofd dat de aandeelhouder belastingadviseur is, is niet voldoende om van iets anders uit te gaan. Het hof is het met de beoordeling van de rechtbank eens dat de belastingplichtige aansprakelijk gesteld kan worden. Uit de stukken blijkt echter dat de naheffingsaanslag voor januari 2013 is opgelegd met dagtekening 13 juni 2013, zodat de uiterste betaaltermijn voor die naheffingsaanslag nog niet was verstreken op het moment van de aansprakelijkstelling. Kortom, de bv was voor deze betaling nog niet in gebreke. De aandeelhouder kon hiervoor op 13 juni 2013 dan ook nog niet aansprakelijk worden gesteld. Uit de Invorderingswet volgt immers dat aansprakelijkstelling niet plaatsvindt vóór het tijdstip waarop de belastingschuldige in gebreke is met de betaling van zijn belastingschuld. Met betrekking tot af te dragen, maar nog niet in een belastingaanslag geformaliseerde, belasting is een belastingplichtige niet als belastingschuldige aan te merken. Bron: Hof Amsterdam 16-04-2015 (gepubliceerd 13-05-2015)

© lArcade 2020