Inloggen

Ondernemersorganisaties tegen strengere eisen WBSO

In een onderzoek naar het innovatiebeleid in Nederland bepleiten de onderzoekers van het CPB strengere eisen aan de WBSO. In een eerste reactie stellen ondernemersorganisaties VNO-NCW en MKB-Nederland dat ondernemers hiermee niet geholpen zijn. De ondernemers vrezen meer uitvoeringskosten aan zowel publieke als private zijde.
In het rapport ‘Kansrijk’ innovatiebeleid concluderen onderzoekers van CPB dat uitbreiding van de WBSO geen optie is. Ze verwachten dat extra uitgaven aan r&d, vanwege afnemende meeropbrengsten, minder opbrengen dan de gemiddelde subsidie-uitgaven. Een positief netto effect verwachten de onderzoekers wel van een aanscherping van de eisen om voor de WBSO in aanmerking te komen. Nu wordt als eis gesteld dat het beoogde resultaat van de r&d nieuw is voor het bedrijf. In plaats daarvan zou de eis kunnen worden gesteld dat het beoogde resultaat nieuw is voor Nederland of de wereld. Volgens de onderzoekers hanteert een aantal landen een dergelijk ‘new to the world’ criterium. Dit leidt weliswaar tot hogere uitvoeringskosten en extra administratieve lasten voor ondernemingen, maar deze extra kosten zullen beperkt zijn in vergelijking met de besparing aan subsidies en de toename van het maatschappelijke rendement, aldus de onderzoekers. Volgens VNO-NCW en MKB-Nederland ziet het CPB hiermee met hanteren van een dergelijk criterium over het hoofd dat dezelfde onderzoeksvragen ook kunnen leiden tot andere oplossingen. Juist dat levert innovatie op. De WBSO is een echt MKB-instrument. Ruim 60% van het budget gaat naar het MKB. Dat is goed voor het ontwikkelen van eigen innovatie, maar levert ook kennis op om nieuwe technologie toe te passen. Het stellen van strengere eisen zal die verscheidenheid indammen en het vermogen van het bedrijfsleven- vooral in het MKB – om nieuwe technologie en innovatie toe te passen beperken. En daarmee dus ten kosten gaan van de innovatiekracht van het MKB. De kracht van de WBSO, zeggen VNO-NCW en MKB-Nederland, is de laagdrempeligheid en toegankelijkheid voor het MKB. Bij elke aanvraag een oordeel vragen naar de stand van technologie in de wereld, zoals het CPB voorstelt, levert een enorme bureaucratische rompslomp op. En vraagt wel heel veel kennis van bedrijven en overheid. Bovendien zullen de uitvoeringskosten aan zowel publieke als private zijde enorm stijgen. Dat weegt niet op tegen het welvaartsverlies waarvan het CPB nu spreekt. Het CPB stelt overigens volgens de ondernemersorganisaties wel terecht dat het innovatiebeleid nog sterk verbeterd kan worden. Bijvoorbeeld door te kijken naar de rol van de overheid als launching customer. Bron: VNO-NCW 25-02-2016; CPB 25-02-2016

Flexibel aan de slag als schoonmaker

Van de mensen die in 2015 een baan zochten en vonden en geen onderwijs volgden gingen er zeven op de tien aan de slag in een flexibele baan. Het meest voorkomende beroep van de baanvinders: schoonmaker. De overige baanvinders (drie op de tien) gingen of aan de slag als zelfstandige of als schoonmaker.
Gemiddeld kwamen er vorig jaar ieder kwartaal 300.000 mensen met betaald werk bij. Van hen volgde ruim de helft (160.000) geen onderwijs meer. Daartegenover stonden ieder kwartaal circa 290.000 mensen (waarvan 190.000 geen onderwijs volgend) die stopten met betaald werk. Het aantal werkenden in de groep 15 tot 75 jaar is hierdoor vorig jaar gegroeid met in totaal 40.000. Aan de slag gaan in een vaste baan was bij de baanvinders vorig jaar uitzondering: slechts 12% vond een vaste baan. Tien jaar eerder lag dat percentage nog op 20%. 72% komt terecht in een flexibele werkkring (2005: 65%), terwijl 16% als zelfstandige aan de slag gaat (2005: 13%). Een voltijdbaan begint ook tot de uitzonderingen te horen: nog slechts 37% vond een voltijdbaan (2005 42%), terwijl 42% aan de slag ging in een deeltijdbaan van 12 tot 35 uur per week (2005: 36%). 22% moest het doen met een baan van 12 uur of minder. Laag opgeleiden gingen het meest aan de slag als schoonmaker (11,6%), met daarna op afstand verkoopmedewerker detailhandel, vuilnisophaler, dagbladbezorger of in de horeca. Dit beeld is in tien jaar nauwelijks gewijzigd. Bij de middelbaar opgeleiden staat de schoonmaak (6%) ook bovenaan, maar dat aandeel verschilt niet erg met de overige beroepen in de top vijf: verkoopmedewerker detailhandel, administratief medewerker (in 2005 bovenaan), kinderopvang, horeca. Bij de hoger opgeleiden loopt de top vijf uiteen van administratief medewerker tot ingenieur, waarbij het aandeel weinig van elkaar verschilt. Tien jaar geleden waren de verschillen groter en was ook onder de hoger opgeleiden baanvinders administratief medewerker het meest voorkomend. Bij de stoppers was onder de hoger opgeleiden leerkracht basisonderwijs het meest voorkomende beroep. Bij de lager opgeleiden waren het vooral schoonmakers die stopten en bij de middelbaar opgeleiden voor administratief medewerkers. Degenen die stoppen met werken zijn relatief vaak 45-plussers met vast werk. 40% van de niet-onderwijsvolgende baanverliezers had vast werk en bijna de helft een flexibele baan. Bron: CBS 24-02-2016

Kosten nieuwe parketvloer aftrekbaar

Rechtbank Den Haag oordeelt dat de kosten voor het vervangen van een parketvloer van een monumentenpand aftrekbaar zijn als uitgaven voor monumentenpanden.
Een echtpaar kocht een appartement in een flatgebouw dat aangewezen is als Rijksmonument. Op het moment van aankoop verkeerde het appartement in slechte staat doordat het 44 jaar bewoond was geweest door één familie en daarna drie jaar leeg heeft gestaan. In de aangifte IB 2011 brengt het echtpaar een bedrag van € 73.182 aan kosten voor rijksmonumentenpanden in aftrek . Van deze kosten heeft € 10.000 betrekking op de aanleg van een parketvloer (exclusief isolatie). Bij de vaststelling van de aanslag IB 2011 heeft de inspecteur het in aanmerking genomen bedrag aan kosten voor rijksmonumentenpanden gecorrigeerd. De vraag is of die correctie terecht is. Volgens het echtpaar was de oude vloer van het appartement versleten en het vervangen van de vloer noodzakelijk om het appartement weer bewoonbaar te maken. De inspecteur stelt dat de correctie terecht is aangebracht, omdat met de aanleg van de parketvloer geen sprake is van het in oorspronkelijke staat terugbrengen van de vloer en daarnaast sprake is van inrichtingsuitgaven welke kwalificeren als niet aftrekbare huurderslasten. De rechtbank oordeelt dat de belastingplichtige aannemelijk heeft gemaakt dat het vervangen van de parketvloer nodig was om het appartement in bruikbare staat te herstellen en staat de aftrek toe als uitgaven voor monumentenpanden. De omstandigheid dat hierbij onder de vloer ook isolatie is aangebracht, doet hieraan niet af, nu de kosten daarvan niet als onderhoudskosten in aanmerking zijn genomen. Bron: Rb. Den Haag 8-10-2015

Rechtvaardiging reclamebelasting niet gelegen in individueel profijt

Voor de invoering van een reclamebelasting voor een bepaald gemeentelijk gebied kan de rechtvaardiging gelegen zijn in het profijt dat de betreffende ondernemers van de opbrengst kunnen hebben. Of een ondernemer individueel hiervan profijt heeft is niet van belang.
Een in de gemeente Cranendonck gevestigde juridische dienstverlener keert zich tegen de aan hem opgelegde heffing reclamebelasting Budel-Centrum. De heffing is aan hem opgelegd omdat vanaf de openbare weg bij zijn kantoor een bord zichtbaar is met de vermelding van zijn naam en ‘Advocaat, mediator en bewindvoerder’. Volgens hem is er sprake van willekeur bij het heffen van de reclamebelasting, omdat hij wél onder de gebiedsaanduiding valt, maar zijn overbuurman en enkele andere ondernemers en winkels aan de rand van het gebied niet. Ook is hij van mening dat de opgelegde reclamebelasting onredelijk en onbillijk is omdat hij er geen enkel belang bij heeft. Ten slotte stelt hij dat de betreffende gemeentelijke verordening in strijd is met de algemene uitgangspunten van vrij ondernemen. Volgens de rechtbank staat voorop dat het de gemeente op grond van de Gemeentewet vrij staat om een reclamebelasting in te voeren en dat zij voorts niet verplicht is om de opbrengst aan te wenden voor een bepaald doel. Dat een reclamebelasting het karakter heeft van een algemene belasting staat er niet aan in de weg staat dat een gemeente de heffing van deze belasting beperkt tot een gedeelte van haar grondgebied, mits hiervoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Hiervan is sprake indien de gemeente in redelijkheid mag uitgaan van de veronderstelling dat degenen die profijt kunnen hebben van de opbrengst van de belasting in de heffing worden betrokken. De rechtbank maakt op dat de belasting op initiatief van ondernemers tot stand is gekomen als onderdeel van het ingestelde Centrummanagement. De opbrengst wordt weer in de vorm van een subsidie ter beschikking gesteld aan de ondernemers. Omdat de invoering van de reclamebelasting is gekoppeld aan het oprichten van het Centrummanagement, dat zich uitsluitend richt op het centrum en kernwinkelgebied van Budel, is er een rechtvaardigingsgrond voor het beperkte gebied waarbinnen de reclamebelasting wordt geheven. Ook de stelling van de ondernemer dat hij als individuele ondernemer geen profijt heeft van de bedoelde activiteiten, baat hem niet. De rechtbank is het met de heffingsambtenaar eens dat de rechtvaardiging van het heffen van de reclamebelasting gelegen is in het feit dat deze in het algemeen ten goede komt aan de ondernemers in het aangewezen gebied en niet in het individuele profijt van een bepaalde belastingplichtige. De is volgens de rechtbank de Verordening niet in strijd met de algemene uitgangspunten van vrij ondernemen. Het enkele feit dat reclamebelasting moet worden voldaan, maakt niet dat daardoor sprake is van een (ontoelaatbare) beperking in de vrijheid tot ondernemen. Bron: Rb. Oost-Brabant 2-11-2015 (publ. 22-02-2016)

Deel praktijkervaringen Wet werk en zekerheid

Ter voorbereiding op een rondetafelgesprek met deskundigen op 2 maart roept de Kamercommissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid mensen en organisaties op om hun eerste praktijkervaringen met de Wet werk en zekerheid (Wwz) te delen. Hiervoor is een speciaal e-mailadres geopend: wwz@tweedekamer.nl.
Door de invoering van de Wwz per 1 juli 2015 is een aantal hervormingen op de arbeidsmarkt doorgevoerd. Deze hervormingen hebben onder meer invloed op de ontslagprocedure, de rechtspositie van flexwerkers en de duur van de WW-uitkering. De commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid is benieuwd naar de uitwerking van de Wwz. Wat gebeurt er in de praktijk? Doen zich problemen voor? Zo ja, gaat het dan om aanloopproblemen of structurele problemen? En zijn er al feitelijke en/of statistische gegevens over de effecten van de Wwz beschikbaar? Praktijkervaringen kunnen tot en met donderdag 25 februari worden gestuurd naar wwz@tweedekamer.nl. De commissie wil de praktijkervaringen en de gegevens over de Wwz betrekken bij een rondetafelgesprek met deskundigen op woensdag 2 maart van 9.30 tot 12.30 uur. Het rondetafelgesprek is verdeeld in drie blokken: ontslag en transitievergoeding, ketenbepaling/flexwerk en WW en aanvullingen cao’s. Op woensdag 9 maart volgt een debat over de Wwz met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Bron: Tweede Kamer 17-02-2016

© lArcade 2020