Inloggen

Archief

WOZ-waarde toegestaan als heffingsmaatstaf

Een ondernemer gaat in bezwaar tegen een aanslag reclamebelasting. Zijn bezwaar richt zich tegen het feit dat voor die aanslag de WOZ-waarde van het winkelpand als uitgangspunt is genomen.
De ondernemer is gebruiker van een winkelpand. Aan het winkelpand is een openbare aankondiging aangebracht ter zake waarvan een aanslag reclamebelasting is opgelegd. De hoogte van het tarief is mede gebaseerd op de hoogte van de WOZ-waarde van het winkelpand. De ondernemer stelt dat deze heffing onverbindend is, omdat de heffingsmaatstaf hiermee afhankelijk is gesteld van het vermogen, hetgeen niet is toegestaan. De rechtbank stelt hem in het ongelijk. Uit de parlementaire geschiedenis leidt de rechtbank af dat gemeenten de waarde van de onroerende zaak als heffingsmaatstaf voor gemeentelijke belastingen kunnen hanteren. Omdat de Hoge Raad reeds heeft geoordeeld dat de WOZ-waarde een geoorloofde heffingsmaatstaf is voor de heffing van rioolrecht, is de rechtbank van oordeel dat dat zeker geldt voor een algemene belasting zoals reclamebelasting. Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 23-02-2017

Wetsvoorstel beperkte gemeenschap aangenomen

De Eerste Kamer heeft op dinsdag 28 maart het initiatiefwetsvoorstel Beperking wettelijke gemeenschap van goederen, na stemming bij zitten en opstaan, met de kleinst mogelijke meerderheid (38 zetels) aangenomen.
Bij de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel wordt de omvang van de wettelijke gemeenschap standaard beperkt. Voorhuwelijks (privé)vermogen, erfenissen en giften vallen niet meer in de gemeenschap, maar blijven tot het privévermogen van de echtgenoten behoren. Enkel hetgeen de beide echtelieden gedurende het huwelijk hebben opgebouwd zal standaard in de gemeenschap vallen. De mogelijkheid om van het wettelijke standaard af te wijken blijft bestaan. De (aanstaande) echtgenoten kunnen voor of tijdens het huwelijk huwelijksvoorwaarden laten opmaken die een algehele gemeenschap regelen. Ook kan een schenker of erflater middels een insluitingsclausule regelen dat een schenking of nalatenschap in de algemene gemeenschap valt. Bron: Eerste Kamer 29-03-2017

Nieuwe wetgeving Corporate Governance Code

Het kabinet is positief over de herziene Corporate Governance Code die in december 2016 is gepubliceerd. De nieuwe code legt meer nadruk op de waardecreatie van een organisatie op de lange termijn, benadrukt het belang van een transparant beloningsbeleid en onderstreept de meerwaarde van een aangename bedrijfscultuur. De wettelijke verankering van de code kan nu in gang worden gezet. De herziening is tot stand gekomen onder leiding van de Commissie Van Manen.
De herziene Corporate Governance Code vraagt onder meer aandacht voor de cultuur van een bedrijf, voor het belang van het benoemen van een lange termijnvisie die focust op duurzaamheid en voor een transparant beloningsbeleid. Daarnaast bevordert de code het verminderen van financiële bedrijfsrisico’s. Ook is in de nieuwe code meer aandacht voor diversiteit in de top van bedrijven. De benoemingstermijn van de leden van de Raad van Commissarissen wordt tot in beginsel maximaal twee keer vier jaar beperkt. De code kan rekenen op breed draagvlak binnen de sector. Zo zijn er meer dan 120 reacties binnengekomen en verwerkt van betrokken partijen zoals Vereniging van Effectenbezitters (VEB), Eumedion, Euronext, FNV en CNV, de Vereniging van Effecten Uitgevende Ondernemingen (VEUO) en VNO-NCW. In overleg met het bedrijfsleven, zal het kabinet de herziene Code verankeren in de wet. Dit ter vervanging van de huidige Code Frijns die in 2008 is vastgesteld. Het wetsvoorstel dat dit vormgeeft zal binnenkort worden aangeboden aan de Tweede Kamer. Na de wettelijke verankering zal de naleving van de Corporate Governance Code worden gemonitord door een ingestelde overheidscommissie. Beursgenoteerde bedrijven moeten dan in hun bestuursverslag rapporteren over de wijze waarop ze de Code naleven. Het is vervolgens aan de algemene vergadering om het bedrijf aan te spreken op de naleving ervan. Bron: Min EZ 24-03-2017

Minimumloon bij overeenkomst van opdracht

De Eerste Kamer heeft ingestemd met het wetsvoorstel Van toepassing verklaring van de Wet minimumloon op nader bepaalde overeenkomsten van opdracht.
Door deze wetswijziging gaat het wettelijk minimumloon ook gelden voor personen die tegen beloning arbeid verrichten op basis van een overeenkomst van opdracht, tenzij het gaat om mensen die fiscaal als ondernemer worden beschouwd. De wetswijziging moet ‘oneigenlijk gebruik’ van de overeenkomst van opdracht tegengaan en oneigenlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden voorkomen. De Eerste Kamer nam ook een motie van het Kamerlid Rinnooy Kan (D66) aan waarin erop werd aangedrongen dat – behoudens voor fiscaal zelfstandigen – de bescherming van het minimumloon voor iedereen moet gelden, dus ook als er geen sprake is van een overeenkomst van opdracht (en ook geen arbeidsovereenkomst). Rinnooy Kan wil dat het wegcontracteren van de fictieve dienstbetrekking voor deze groep onmogelijk wordt gemaakt. Ook wordt er op aangedrongen dat er voor opdrachtgevers een eenvoudiger wijze van verificatie komt om vast te stellen of een opdrachtnemer aangemerkt kan worden als zelfstandige in fiscale zin en aldus niet valt onder de werking van de wet. Bron: Eerste Kamer 28-03-2017

Bovenmatige kilometervergoeding belast loon

Een vergoeding voor gereden zakelijke kilometers boven de vrijgestelde kilometervergoeding van € 0,19 is belast loon. De rechter waagt zich niet aan beoordeling van de redelijkheid en billijkheid van die wettelijke regel.
Een accountmanager/dierenartsbezoeker werkt sinds 1979 bij zijn werkgever. Hij heeft zelf een auto aangeschaft en rijdt zowel zakelijke als privékilometers. De werkgever vergoedt de zakelijke kilometers tegen € 0,31 per kilometer, waarbij hij € 0,12 als belastbaar loon aanmerkt en hierover loonheffingen afdraagt. In zijn aangifte inkomstenbelasting geeft de accountmanager € 5.673 aan als aftrekbaar bedrag aan scholingsuitgaven. In de omschrijving vermeldt hij dat het geen studiekosten zijn, maar de belaste kilometervergoeding. Het betreft geen inkomsten, maar gemaakte kosten om zijn werk te blijven verrichten. De inspecteur accepteert de aftrek van scholingsuitgaven niet. De rechtbank overweegt dat de werkgever de kilometervergoeding boven de € 0,19 op grond van de Wet LB 1964 terecht als belastbaar loon aangemerkt. De stelling van de accountmanager dat de wet onbillijk is, kan hem niet baten. De rechtbank is niet bevoegd op grond van redelijkheid en billijkheid de juiste wetstoepassing achterwege te laten. De rechtbank moet volgens de wet rechtspreken en mag nooit de innerlijke waarde of billijkheid van de wet beoordelen. Er is geen sprake van discriminatie tussen het geval van de accountmanager en werknemers met een leaseauto, omdat deze gevallen zowel feitelijk als juridisch niet aan elkaar gelijk zijn. Ook een beroep op het vertrouwensbeginsel ten aanzien van de aangifte inkomstenbelasting, waarbij aftrek in eerdere jaren wel is geaccepteerd kan de accountmanager niet baten. De aangiften over eerdere jaren zijn niet gecontroleerd en er is geen sprake van een bewuste standpuntbepaling van de inspecteur. Het hof sluit zich bij de overwegingen van de rechtbank aan. Bron: Hof Den Bosch 20-01-2017; Rb. Zeeland-West-Brabant 3-09-2015

© lArcade 2020