Inloggen

Archief

Dga kan gebruikelijk loon niet verlagen tot nihil bij omzet

Ook bij minimale activiteiten moet een bv een gebruikelijk loon toepassen; Hof Den
Haag stelt dit vast op € 20.000.

Een vrouw is sinds 2018 bestuurder en enig aandeelhouder van een bv. Voor het jaar
2019 gaf zij een negatief inkomen aan. De inspecteur corrigeerde dit met een gebruikelijk
loon van € 45.000, maar verlaagde dit later naar € 20.000. De rechtbank stelde haar
in het gelijk en stelde het gebruikelijk loon op nihil, omdat zij in 2019 nauwelijks
werkzaamheden zou hebben verricht. De inspecteur ging in hoger beroep. De bv had volgens
de aangiften omzetbelasting wel € 43.199 omzet uit het buitenland verantwoord. De
vrouw voerde aan dat sprake was van een boekhoudkundige vergissing en dat zij psychische
klachten had.

Gebruikelijk loon bij enige werkzaamheden Hof Den Haag oordeelt dat de vrouw niet overtuigend heeft aangetoond dat geen werkzaamheden
zijn verricht. Aangezien de bv omzet heeft verantwoord en geen ander persoon werkzaamheden
heeft verricht, acht het hof aannemelijk dat zij activiteiten heeft verricht waarvoor
een gebruikelijk loon in aanmerking moet worden genomen. Wel stelt het hof, gezien
de beperkte resultaten, het gebruikelijk loon vast op het door de inspecteur voorgestelde
bedrag van € 20.000. Het hof vermindert de aanslag dienovereenkomstig.

Bron: Hof Den Haag 05-03-2025 (gepubl. 28-04-25).

Werkgevers pleiten voor eenvoudiger verlofstelsel

Ruim vier op de tien Nederlandse werkgevers (43%) ondervinden knelpunten in het huidige
wettelijke verlofstelsel. Zij pleiten voor minder regelgeving en meer ruimte om zelf
passende afspraken te maken. Tegelijkertijd tonen werkgevers zich royaal: 40% breidt
bestaande verlofregelingen uit, en veel organisaties hebben aanvullende afspraken
vastgelegd in cao’s of arbeidsvoorwaardenregelingen.

Wanneer er geen formele regeling bestaat — bijvoorbeeld bij rouw, mantelzorg of studie
— zoeken werkgevers en werknemers gezamenlijk naar maatwerkoplossingen. Volgens werkgevers
voegen generieke regelingen in zulke gevallen weinig toe en beperken ze juist de mogelijkheid
tot flexibel en mensgericht beleid.

Dat blijkt uit het ledenonderzoek van werkgeversvereniging AWVN, getiteld Hoe denken werkgevers over verlof(regelingen)? De uitkomsten ondersteunen het eerdere advies van de SER om het verlofstelsel te
vereenvoudigen. AWVN roept het kabinet op om dit advies om te zetten in wetgeving
die de praktijk beter ondersteunt en de regeldruk verlaagt.

De belangrijkste klacht (43%) is het grote aantal wettelijke verlofvormen, met uiteenlopende
regels voor duur, hoogte en aanvraagprocedures — wat verwarring veroorzaakt, vooral
bij regelingen zoals het ouderschapsverlof. Problemen rond personeelsplanning en roosters
worden als tweede knelpunt genoemd.

Desondanks is de bereidheid groot om werknemers extra verlof te bieden. Nederlandse
medewerkers hebben gemiddeld 28 vakantiedagen, fors meer dan het wettelijke minimum
van 20 dagen. Ook vullen veel werkgevers de wettelijke verlofvormen aan, bijvoorbeeld
met extra dagen of een uitkering van 100% van het salaris tijdens verlof.

Hoewel veel organisaties aanvullende regelingen hebben, worden deze beperkt gebruikt.
Rouw- en studieverlof worden met circa 30% het meest benut. Twee derde van de werkgevers
wil het huidige aanbod aan aanvullend verlof behouden. Slechts een kleine groep overweegt
uitbreiding (3%) of beperking (10%).

In plaats van standaardoplossingen kiezen werkgevers liever voor overleg op maat.
Zo geven twee op de drie aan in gesprek te gaan met werknemers bij persoonlijke situaties
zoals rouw. Dit kan leiden tot extra verlofdagen of flexibiliteit in werktijden of
locatie.

Mantelzorgers krijgen vaak ruimte van hun werkgever: 74% maakt afspraken over aangepaste
werktijden, en 57% over hybride werken. Bij eenmaal gemaakte maatwerkafspraken ervaart
de helft van de werkgevers geen problemen. Waar die er wel zijn, gaat het vooral om
werkstress (29%), gevolgd door plotselinge afwezigheid en roosterproblemen (beide
20%).

Bron: AWVN, 25 april 2025.

Wijzigingen autobelastingen

Het kabinet neemt een drietal fiscale maatregelen om de transitie naar elektrische
auto’s op korte termijn te versnellen.

Maatregel 1: Normering zakelijke leasemarkt via de loonbelasting Het kabinet versnelt de ingroei van elektrische auto’s door per 2027 de zakelijke
leasemarkt te normeren. Het kabinet heeft als doel dat alle auto’s die vanaf dat moment
door een werkgever ook voor privégebruik ter beschikking worden gesteld aan de werknemer,
volledig emissievrij zijn. De normering wordt vormgegeven via een pseudo-eindheffing
in de loonbelasting, met een belastingtarief van 52% over de grondslag voor de bijtelling
privégebruik van de auto. In tegenstelling tot de bijtelling, wordt geen rekening
gehouden met een eigen bijdrage van de werknemer. Een werkgever behoudt keuzevrijheid,
maar bij het ter beschikking stellen van een fossiele auto volgen wel financiële consequenties.
De pseudo-eindheffing moet per loontijdvak (meestal een maand) worden betaald door
de werkgever als deze vanaf 2027 een fossiele (niet-volledig emissievrije) personen-
of bestelauto ter beschikking stelt aan de werknemer. De belastingplicht van de pseudo-eindheffing
ligt bij de werkgever (inhoudingsplichtige) voor de loonbelasting. Een zzp’er met
een eenmanszaak valt hierdoor buiten de scope van de eindheffing. Veel bestelauto’s
vallen nu al niet onder de bijtelling en zullen dus ook niet onder de pseudo-eindheffing
gaan vallen. Om uitwijkeffecten te voorkomen wordt in de uitwerking van de pseudo-eindheffing
tevens bezien of aanpassing van de youngtimer-regeling nodig is. De benodigde wetgeving
voor de pseudo-eindheffing wordt opgenomen in het pakket Belastingplan 2026.

Maatregel 2: Tariefkorting motorrijtuigenbelasting elektrische personenauto’s Om elektrische en benzine personenauto’s gelijker te belasten in de motorrijtuigenbelasting,
heeft het kabinet besloten om de tariefkorting te verhogen van 25% naar 30% in de
periode 2026 – 2028. In 2029 blijft de tariefkorting 25%. Door deze aanpassing worden
grotere fossiele en elektrische personenauto’s (voertuigcategorie D en E) komende
jaren gelijk belast. Voor kleinere en middelgrote voertuigen (voertuigcategorie A
t/m C) worden de verschillen verkleind.

Maatregel 3: Elektrische kampeerauto’s, rolstoelvervoer en motorfietsen In het afgelopen jaar zijn ongewenste verschillen ontstaan in de belasting van personenauto’s
en motorrijwielen (BPM) tussen emissievrije personenauto’s enerzijds en emissievrije
bijzondere personenauto’s (zoals kampeerauto’s en rolstoelvervoer) en motorfietsen
anderzijds. Besloten is om de vaste voet van € 667 ook voor emissievrije bijzondere
personenauto’s te laten gelden. Voor emissievrije motorfietsen komt een aparte vaste
voet van € 200. Met deze vereenvoudiging van de bpm wordt de komende vijf jaar een
impuls gegeven aan deze kleine, moeilijker te verduurzamen, groep voertuigen.

Hervorming autobelastingen Het kabinet gaat de komende weken met stakeholders en medeoverheden in gesprek om
denkrichtingen rondom de hervorming van de autobelastingen te bespreken. Daarbij wordt
onder meer gekeken naar een structurele oplossing voor de gewichtscorrectie in de
MRB van elektrische auto’s. De denkrichting is om de grondslag van de MRB te wijzigen
van gewicht naar voertuigoppervlak. Ook wordt gekeken naar mogelijkheden om elektrische
auto’s op termijn een evenredige bijdrage kunnen leveren aan het op orde houden van
de overheidsfinanciën. Dit kan door het introduceren van een tenaamstellingsbelasting
om op termijn de aanschaf van nieuwe en gebruikte elektrische auto’s te belasten,
waarbij het tarief gedifferentieerd kan worden naar voertuigoppervlak en/of leeftijd.
Voor het zomerreces stuurt het kabinet een contourenbrief met een nadere uitwerking
van de hervorming van de autobelastingen naar de Kamer.

Bron: MvF 25-04-2025.

Cryptovaluta definitief in box 3 belast

Ook de Hoge Raad oordeelt dat cryptovaluta als vermogensbestanddelen tot de rendementsgrondslag
voor box 3 behoren.

Een vrouw heeft in haar aangifte IB/PVV 2019 cryptovaluta (bitcoins en altcoins) aangegeven
als overige bezittingen in box 3. De inspecteur heeft deze cryptovaluta aangemerkt
als vermogensbestanddelen die tot de rendementsgrondslag voor box 3 behoren. De vrouw
betoogt dat cryptovaluta niet voldoen aan de definitie van vermogensrechten in Boek 3
van het Burgerlijk Wetboek. Verder zou er geen verplichting van een ander aan de belastingplichtige
bestaan, wat vereist zou zijn voor een bezitting in box 3. Hof Amsterdam heeft dit
betoog verworpen. Daarop is de vrouw in cassatie gegaan.

Economische waarde en overdraagbaarheid De Hoge Raad verwijst naar het oordeel van het hof dat cryptovaluta economische waarde
vertegenwoordigen en overdraagbaar zijn. Men kan cryptovaluta kopen en verkopen en
de levering kan plaatsvinden door het verzenden van de ene wallet naar de andere.
Deze eigenschappen hebben het hof tot het oordeel gebracht dat cryptovaluta onder
de bezittingen in box 3 vallen. De oordelen van het hof geven volgens de Hoge Raad
geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Bovendien zijn de oordelen van het hof
verweven met waarderingen van feitelijke aard, waardoor zij niet verder door de Hoge
Raad zijn te onderzoeken. Daarom bevestigt de Hoge Raad het oordeel van het hof en
verklaart het cassatieberoep van de vrouw ongegrond.

Bron: Hoge Raad 25-04-2025, Hof Amsterdam 05-11-2024 (gepubl. 27-11-2024).

Fiscus onderbouwt verliesverrekening met systeemprints

De Belastingdienst kan door systeemprints en kopieën van aanslagen en beschikkingen
te overleggen aannemelijk maken dat verliezen correct zijn verrekend.

Een bv heeft in de periode 1995–2018 in diverse jaren verliezen geleden. Zij sluit
een compromis met de Belastingdienst voor de jaren 2005–2013. Op 17 mei 2014 heeft
de inspecteur een verminderingsbeschikking Vpb over het jaar 2007 gegeven. Daarin
bedragen de resterende verliezen € 323.580. In tegenstelling tot de inspecteur meent
de bv dat zij over de jaren 2016–2018 nog verliesverrekening kan toepassen. Voor Hof
Den Bosch kan zij echter geen verliesvaststellingsbeschikkingen overleggen om haar
standpunt te ondersteunen. Maar volgens de bv is haar dat niet aan te rekenen, omdat
deze beschikkingen verder teruggaan dan de wettelijke bewaartermijn van zeven jaar.
Toch oordeelt het hof dat de verliesverrekening op de juiste wijze heeft plaatsgevonden.
De inspecteur heeft diverse overzichten en systeemprinten en kopieën van aanslagen/beschikkingen
verstrekt. Daaruit blijkt dat de resterende verliezen correct zijn verrekend.

Geen schending algemene beginselen van behoorlijk bestuur Vervolgens stelt de bv dat de Belastingdienst de algemeen beginselen van behoorlijk
bestuur heeft geschonden. Zo zou de bv erop mogen vertrouwen dat zij over de periode
2016–2018 nog verliezen kon verrekenen. Het hof oordeelt echter dat de verminderingsbeschikking
van 17 mei 2014 zulk vertrouwen niet opwekt. De bv stelt ook nog dat de inspecteur
de vijfjaarstermijn voor navordering heeft geschonden. Maar het hof kan niet veel
met deze stelling omdat in deze zaak geen navordering heeft plaatsgevonden. De foutenleer
is evenmin van toepassing, omdat de inspecteur hier geen fouten heeft gemaakt. Het
hof verklaart het hoger beroep van de bv dan ook ongegrond.

Bron: Hof Den Bosch 19-03-2025 (gepubl. 23-04-2025).

© lArcade 2026