Inloggen

Archief

Standpunt interne compensatie tussen IB en PVV bij ambtshalve vermindering belastingaanslag

De Kennisgroep formeel recht heeft de vraag beantwoord of interne compensatie tussen
inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen mogelijk is in het kader van het nemen
van een beslissing op een verzoek om ambtshalve vermindering van een belastingaanslag.

Op grond van artikel 9.1, derde lid, Wet IB 2001 geschiedt de heffing van inkomstenbelasting
en de premie volksverzekeringen door middel van één belastingaanslag, indien de belastingplichtige
voor de inkomstenbelasting ook premieplichtig is voor de volksverzekeringen.

Met toepassing van dit artikel is aan een belastingplichtige een gecombineerde aanslag
inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Nadat de aanslag IB/PVV onherroepelijk
was komen vast te staan, heeft de belastingplichtige op grond van artikel 9.6 Wet
IB 2001 verzocht om de aanslag ambtshalve te verminderen. Volgens de belastingplichtige
is de verschuldigde inkomstenbelasting bij het opleggen van de aanslag op een te hoog
bedrag vastgesteld.

Bij de behandeling van dit verzoek heeft de inspecteur enerzijds geconstateerd dat
te veel inkomstenbelasting is geheven en anderzijds dat te weinig premie volksverzekeringen
is geheven. De situatie zoals beschreven in artikel 45aa, onderdeel e, van de Uitvoeringsregeling
inkomstenbelasting 2001 is in deze casus niet aan de orde.

Vraag Is interne compensatie tussen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen  toegestaan
bij het nemen van een beslissing op een verzoek om ambtshalve vermindering?

Antwoord Nee. Ook in de sfeer van ambtshalve vermindering is interne compensatie tussen twee
afzonderlijke heffingen, ook al zijn deze verenigd in één belastingaanslag, niet toegestaan.

Bron: Belastingdienst, kennisgroepstandpunt nr. KG:206:2025:3.

Werkgevers vrezen complexe loontransparantiewet vanaf 2027

Werkgevers kampen met de invoering van de wet die bedrijven vanaf 2027 verplicht om
loonverschillen tussen mannen en vrouwen openbaar te maken, aldus het FD.

De wetgeving rond loontransparantie moet vanaf 2027 bijdragen aan het verkleinen van
de loonkloof tussen mannen en vrouwen, maar werkgevers vrezen vooral een ingewikkelde
uitvoering en extra administratie. De verplichtingen vloeien voort uit de Europese
Gender Pay Directive, waarmee de EU via meer transparantie de hardnekkige loonkloof
wil terugdringen. In Nederland bedraagt die loonkloof nog ruim 10%, iets lager dan
het EU-gemiddelde.

Alle organisaties moeten hun loonstructuren transparanter maken, terwijl werkgevers
met meer dan honderd werknemers bovendien moeten rapporteren over de gemiddelde loonkloof
en deze gegevens openbaar maken. Voor bedrijven met 250 of meer werknemers is jaarlijkse
rapportage voorzien, voor ondernemingen met 100 tot 250 medewerkers eens per drie
jaar. Als er een verschil van meer dan 5% bestaat dat niet objectief te rechtvaardigen
is, moeten werkgevers maatregelen nemen om dit verschil te verkleinen.

Forse administratieve lasten Onderzoek van het CBS bij grote werkgevers laat zien dat bij een meerderheid van de
organisaties het gemiddelde uurloon van vrouwen minstens 5% lager ligt dan dat van
mannen. Werkgeversorganisatie VNO-NCW onderschrijft de doelstelling van gelijke beloning,
maar noemt de voorgestelde regels uiterst complex en wijst op de forse administratieve
lasten. Deze zorgen spelen ook in andere EU-landen en waren mede aanleiding om de
inwerkingtreding in Nederland uit te stellen tot 1 januari 2027, zodat de uitvoering
eenvoudiger en werkbaarder kan worden ingericht.

Vakbond FNV reageert juist kritisch op het uitstel en op de nadruk op complexiteit.
Volgens de vakbond is het technisch niet moeilijk voor werkgevers om loondata en geslacht
van werknemers te koppelen; het probleem is eerder dat gelijke beloning veel geld
kan kosten. FNV becijfert dat vrouwen door vertraging van de wet jaarlijks tussen
de € 1,9 en 3,8 miljard mislopen.

Bron: FD 24-11-2025.

Prejudiciële vraag aan HvJ: vormt overdracht verhuurd appartementencomplex een overgang van een algemeenheid van goederen

Is de overdracht van een verhuurd appartementencomplex een overgang van een algemeenheid
van goederen? De Hoge Raad legt hierover prejudiciële vragen voor aan het HvJ, met
name over de toepassing van artikel 37d Wet OB 1968 bij vrijgestelde verhuur en de
rol van de intentie van de verkoper.

Belanghebbende heeft een kantoorgebouw getransformeerd naar een woongebouw met 77
woonappartementen. Afgezien van één appartement heeft belanghebbende de appartementen
drieënhalve maand verhuurd, voordat zij het gebouw in verhuurde staat heeft geleverd
aan een beleggingsmaatschappij. Die beleggingsmaatschappij heeft de verhuur ongewijzigd
voortgezet. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de levering van
het gebouw aan de beleggingsmaatschappij niet onder het bereik van art. 37d Wet OB
1968 (algemeenheid van goederen) valt. Volgens de inspecteur is een nieuw gebouw ontwikkeld
met het oog op verkoop daarvan en niet met het oog op het ontwikkelen van een eigen
economische activiteit bestaande in het duurzaam exploiteren van dat gebouw. Nu het
gebouw binnen twee jaren na het tijdstip van eerste ingebruikneming is geleverd, is
die levering belast met omzetbelasting. Op die grond is aan belanghebbende een naheffingsaanslag
opgelegd.

Volgens hof Arnhem-Leeuwarden (17 mei 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:4044NTFR 2022/2147) is de levering van het gebouw aan te merken als een overgang van een algemeenheid
van goederen in de zin van artikel 37d Wet OB 1968, zodat geen sprake is van een levering
(niet-leveringsbeginsel) en die overdracht dus buiten de heffing van omzetbelasting
blijft. Het hof heeft de naheffingsaanslag daarom vernietigd.

De staatssecretaris heeft cassatieberoep ingesteld. Daarin is aangevoerd dat de aard
van de economische activiteit van belanghebbende ‘projectontwikkeling’ is en het gebouw
een tot de voorraad van de projectontwikkelaar behorende zaak vormt. De koper – een
beleggingsmaatschappij – had niet de bedoeling deze activiteit voort te zetten en
bij deze maatschappij vormt het gebouw een bedrijfsmiddel dat een heel andere economische
functie vervult. Dit brengt mee dat sprake is van een levering van een goed zonder
meer.

De Hoge Raad werpt eerst de vraag op of het niet-leveringsbeginsel ook kan gelden
in gevallen waarin de betrokken goederen, zoals in het onderhavige geval, worden gebruikt
voor een van btw vrijgestelde economische activiteit (vrijgestelde verhuur). De Hoge
Raad legt deze vraag voor aan het hof van Justitie. Indien deze vraag bevestigend
wordt beantwoord, is de toepassing van artikel 37d Wet OB 1968 aan de orde. In dat
verband twijfelt de Hoge Raad eraan of daarbij de intentie van de verkoper van belang
is. Is voor toepassing van artikel 37d Wet OB 1968 vereist dat degene die een onroerend
goed ontwikkelt en verkoopt, de intentie heeft gehad om zelf duurzaam het onroerend
goed te exploiteren. Of volstaat dat dit onroerend goed door de verkoper wordt verhuurd
en wordt geleverd in verhuurde staat, zodat met dit onafscheidelijke geheel een zelfstandig
economische activiteit kan worden uitgeoefend. Ook deze vraag is voorgelegd aan het
hof van Justitie.

Bron: HR 21-11-2025.

Beoordeling ‘substantieel werk’ bij grensarbeid strikt op 25%-norm

De Hoge Raad oordeelt dat bij grensarbeid alleen arbeidstijd en/of loon meetellen
voor de 25%-norm om te bepalen of iemand substantieel in de woonstaat werkt. Andere
omstandigheden mogen niet meewegen.

De zaak draait om een werknemer die in meerdere EU-lidstaten werkt en de vraag of
het Nederlandse of een ander socialezekerheidsstelsel van toepassing is. De Sociale
verzekeringsbank (SVB) en de werknemer verschillen van mening over de uitleg van het
begrip ‘substantieel gedeelte van de werkzaamheden’ in de woonstaat. De Centrale Raad
van Beroep had eerder geoordeeld dat ook andere omstandigheden dan arbeidstijd en
loon mochten meewegen. De Hoge Raad heeft hierover prejudiciële vragen gesteld aan
het Hof van Justitie van de EU.

Strikte uitleg 25%-norm bij grensarbeid Het Hof van Justitie EU verduidelijkt dat bij de beoordeling of een werknemer een
substantieel deel van zijn werkzaamheden in de woonstaat verricht, uitsluitend gekeken
mag worden naar het aandeel van arbeidstijd en/of loon in die staat. De grens ligt
bij 25%. Andere factoren, zoals de aard van het werk of persoonlijke omstandigheden,
mogen niet worden meegenomen. Ook moet de beoordeling plaatsvinden op basis van de
verwachte situatie in de komende twaalf maanden. De Hoge Raad volgt deze uitleg en
vernietigt het eerdere oordeel van de Centrale Raad van Beroep, omdat die ten onrechte
andere omstandigheden had meegewogen.

De zaak wordt terugverwezen naar de Centrale Raad van Beroep voor een nieuwe beoordeling,
waarbij alleen arbeidstijd en/of loon in de woonstaat bepalend zijn.

Bron: HR 21-11-2025.

Vermelden e-mailadres in bezwaarformulier geen toestemming voor digitale bekendmaking uitspraak

Het invullen van een e-mailadres in een verplicht veld van een digitaal bezwaarformulier
betekent niet automatisch dat de gemeente uitspraken per e-mail mag versturen. De
Hoge Raad vernietigt de eerdere uitspraak en verklaart het verzet gegrond.

Een man krijgt in juli 2022 naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd door de
gemeente Leiden. Hij maakt digitaal bezwaar via het contactformulier op de gemeentelijke
website, waarbij hij verplicht zijn e-mailadres moet invullen. De inspecteur verklaart
het bezwaar ongegrond en stuurt de uitspraak per e-mail. De man stelt dat hij deze
uitspraak niet heeft ontvangen en dat hij geen toestemming heeft gegeven voor digitale
verzending. Hij dient opnieuw bezwaar in, maar de inspecteur verklaart dit niet-ontvankelijk.
De rechtbank behandelt het tweede bezwaar als beroep tegen de eerste uitspraak en
oordeelt dat dit te laat is ingediend, omdat de beroepstermijn volgens de rechtbank
al was gaan lopen na de e-mail van de inspecteur. De man voert in verzet aan dat hij
nooit expliciet heeft ingestemd met digitale bekendmaking.

Kenbaarheidsvereiste bij digitale bekendmaking De Hoge Raad oordeelt dat het enkel invullen van een e-mailadres in een verplicht
veld van een digitaal bezwaarformulier niet betekent dat de indiener akkoord gaat
met digitale bekendmaking van uitspraken. Het formulier vermeldt niet dat het e-mailadres
hiervoor wordt gebruikt en de indiener heeft geen expliciete keuze gekregen. Ook het
feit dat een ontvangstbevestiging per e-mail wordt gestuurd, is onvoldoende om aan
te nemen dat de verdere correspondentie digitaal mag verlopen. De uitspraak op bezwaar
is daarom niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt.

Omdat de uitspraak op bezwaar niet correct is bekendgemaakt, begint de beroepstermijn
pas te lopen op het moment dat de man daadwerkelijk kennisneemt van de uitspraak.
De rechtbank moet nu vaststellen wanneer dat is gebeurd. De Hoge Raad verklaart het
verzet gegrond en vernietigt de eerdere uitspraak.

Bron: HR 21-11-2025.

© lArcade 2025