De Belastingdienst heeft de eerste uitgave van de Niewsbrief Loonheffingen 2026 gepubliceerd. In de Nieuwsbrief Loonheffingen 2026 staat onder andere informatie over de volgende aanpassingen RVU-drempelvrijstelling en pseudo-eindheffingstarief aanpassing van de fietsregeling in de loonheffingen versoberen van de regeling voor het vergoeden van extraterritoriale kosten wijzigingen in de loonkostenvoordelen (LKV’s) Eventuele aanvullingen op de onderwerpen in deze eerste uitgave en wijzigingen op Bron: Belastingdienst, 17-11-2025.
In de nieuwsbrief staat informatie over de nieuwe regels vanaf 1 januari 2026 voor
het inhouden en betalen van de loonheffingen.
onderwerpen:
het Belastingplan 2026, andere wetsvoorstellen of ministeriële regelingen staan in
de volgende uitgave van de nieuwsbrief. De tarieven, bedragen en percentages voor
2026 publiceert de Belastingdienst in december als een afzonderlijke bijlage bij deze
nieuwsbrief.
Hof Amsterdam oordeelt dat het verhoogde eigenwoningforfait voor woningen boven € 1,1 Een man bezit samen met zijn fiscale partner een eigen woning met een WOZ-waarde van Geen toetsing aan algemene rechtsbeginselen mogelijk Het hof wijst erop dat het eigenwoningforfait en de afbouw van de Hillen-regeling Geen strijd met EVRM; ruime beoordelingsmarge wetgever Het hof oordeelt verder dat belastingplichtigen met een hoge eigenwoningschuld niet Bron: Hof Amsterdam 21-10-2025.
miljoen en de afbouw van de Hillen-regeling niet in strijd zijn met het gelijkheids-
of evenredigheidsbeginsel. Ook is geen sprake van discriminatie onder artikel 14 EVRM
of strijd met art. 1 EP EVRM.
€ 2.377.000 (2021). De definitieve aanslag ib/pvv 2021 volgt volledig de aangifte.
Het saldo van het eigenwoningforfait en de aftrekbare kosten bedraagt € 2.898 positief,
volledig toegerekend aan de man. Het eigenwoningforfait komt uit op € 35.324, terwijl
de aftrekbare rente € 6.336 bedraagt. Daarnaast is de aftrek wegens geen of geringe
eigenwoningschuld (Hillen-aftrek) toegepast voor 90% van het verschil. De man vindt
dat de combinatie van het hoge forfaitaire percentage boven € 1.110.000 en de afbouw
van de Hillen-regeling leidt tot een onredelijke en discriminerende belastingdruk.
Hij stelt dat dit stelselmatig in strijd is met algemene rechtsbeginselen en met art.
14 EVRM in samenhang met art. 1 EP EVRM.
in een wet in formele zin staan. Die mag de rechter niet toetsen aan algemene rechtsbeginselen
(art. 120 Grondwet). Alleen als toepassing in een individueel geval tot onvoorziene
en ernstige strijd met fundamentele beginselen leidt, kan een uitzondering worden
gemaakt. Volgens het hof is daarvan geen sprake. De wetgever heeft bewust gekozen
voor een hogere forfaitaire bijtelling bij zeer dure woningen en voor geleidelijke
afbouw van de Hillen-aftrek. Dat dit voor de man relatief ongunstig uitpakt, maakt
de regeling niet onrechtmatig. Zijn beroep op het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel
faalt.
vergelijkbaar zijn met iemand met een vrijwel afgeloste woning. Daarom is er geen
ongelijke behandeling bij de afbouw van de Hillen-regeling. Ook onder artikel 1 EP
EVRM blijft de wetgever binnen zijn ruime beoordelingsvrijheid. De keuze om bij dure
woningen het beleggingsaspect zwaarder te laten wegen is volgens het hof niet zonder
redelijke grond. Dat het forfaitaire percentage leidt tot heffing over niet-gerealiseerde
inkomsten, maakt dat niet anders; de wet mag met een forfait werken. Het forfait van
2,35% voor de waarde boven € 1.110.000 acht het hof niet buitensporig. Het hoger beroep
is ongegrond.
Hof Den Haag oordeelt dat een man geen ondernemer is voor de inkomstenbelasting, ook Een man bezit samen met twee anderen alle aandelen in een holding die op haar beurt Geen duurzame organisatie van kapitaal en arbeid Volgens Hof Den Haag is geen sprake van een onderneming in de zin van artikel 3.2 Geen vertrouwen of ongelijke behandeling Het hof verwerpt ook het beroep op het vertrouwensbeginsel: uit het controlerapport Bron: Hof Den Haag 16-10-2025.
al stond hij ingeschreven bij de KvK en droeg hij btw af. De managementvergoeding
die hij van zijn bv ontving, is terecht aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden.
de aandelen houdt in twee werkmaatschappijen. Hij factureert jaarlijks € 48.000 aan
de holding als managementvergoeding. In zijn aangiften ib/pvv 2013 t/m 2016 rekent
hij deze inkomsten tot de winst uit onderneming en claimt hij zelfstandigenaftrek.
Na een boekenonderzoek corrigeert de inspecteur dit: de man is volgens de fiscus feitelijk
werknemer van de bv, zodat sprake is van loon of – uit coulance – van resultaat uit
overige werkzaamheden. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en de man gaat
in hoger beroep.
Wet IB 2001. De man toont niet aan dat hij een duurzame organisatie van kapitaal en
arbeid heeft waarmee hij zelfstandig deelneemt aan het economisch verkeer. De enkele
inschrijving bij de Kamer van Koophandel, het bezit van een btw-nummer en het hebben
van enkele balansposten zijn daarvoor onvoldoende. De inspecteur mocht daarom de zelfstandigenaftrek
weigeren en de inkomsten als resultaat uit overige werkzaamheden aanmerken.
blijkt juist dat de inspecteur voor de jaren vóór 2017 correcties in de inkomstenbelasting
zou doorvoeren. De gestelde toezegging van de Belastingdienst Groningen is niet met
stukken onderbouwd. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt, omdat de man
geen concrete vergelijkbare gevallen heeft genoemd waarin gunstiger is gehandeld.
Het hoger beroep is ongegrond en de uitspraak van de rechtbank blijft in stand.
De afschaffing van de hypotheekrenteaftrek kan volgens onderzoekers van TU Delft plaatsvinden Uit het onderzoek blijkt dat een geleidelijke defiscalisering van het eigenwoningbezit Geen structurele problemen betalen hypotheek Wat betreft betaalbaarheid laat het artikel zien dat de woonlasten van huiseigenaren Stabieler en toegankelijker Het koopprijsmodel in het artikel houdt bovendien rekening met compensaties voor het Bron: ESB 12-11-2025.
zonder grote verstoringen op de woningmarkt. Op basis van hun recente doorrekening,
gepubliceerd in ESB, verwachten zij dat de betaalbaarheid van de maandlasten behouden
blijft en dat de huizenprijzen blijven stijgen, zij het in een gematigder tempo dan
voorheen. Kritische geluiden over sterke prijsdalingen en onbetaalbare woonlasten
blijken ongegrond volgens deze analyse.
niet tot een daling van de koopprijzen zal leiden. Wel stijgen de woningprijzen bij
volledige afschaffing van de fiscale voordelen minder snel, met naar verwachting een
stijging van gemiddeld 1,6% per jaar en een totaal van 44% tussen 2025 en 2050, vergeleken
met 2,7% per jaar en 88% stijging bij ongewijzigd beleid. De minder sterke prijsstijging
kan de toegankelijkheid van de koopmarkt voor starters vergroten, terwijl recent gekochte
woningen in relatieve zin iets inleveren.
in verhouding tot hun inkomen op termijn dalen, mede doordat inkomens doorgaans sneller
stijgen dan de nettomaandlasten van hypotheken. Ook bij een geleidelijke afbouw van
de hypotheekrenteaftrek en eigenwoningforfait, en ondanks hogere maandlasten voor
recent gekochte woningen, blijft het aandeel van het inkomen dat aan wonen wordt besteed
(de koopquote) op lange termijn gelijk of zelfs lager. Daardoor zijn structurele betaalbaarheidsproblemen
niet te verwachten voor huishoudens, ook niet voor jonge starters die hun carrière
en inkomen nog zien groeien.
wegvallen van fiscale voordelen, bijvoorbeeld door een generieke teruggave via de
inkomstenbelasting. Hierdoor zijn de geprojecteerde effecten op koopprijzen en maandlasten
bescheiden. De auteurs concluderen dat het afbouwen van de fiscale voordelen de woningmarkt
stabieler en toegankelijker maakt, macro-economische risico’s rondom schulden verlaagt,
en meer ruimte biedt voor anticyclisch woonbeleid en stimulering van bouwproductie.
De staatssecretaris van Financiën heeft vier documenten openbaar gemaakt over de vergoeding Het gaat om de volgende documenten: Instructie afhandeling verzoeken om kostenvergoeding bezwaar administratief beroep Kosten- en schadevergoeding Schema kostenvergoeding bezwaarfase 7:15 Awb Kostenvergoeding bij bezwaar Bron: MvF 05-11-2025.
bij het indienen van bezwaar inzake het Box OWR-formulier.