Inloggen

Archief

Actualisatie besluit noodmaatregelen coronacrisis

Het Besluit noodmaatregelen coronacrisis met fiscale tegemoetkomingen naar aanleiding van de coronacrisis is voor de elfde keer geactualiseerd.
In deze aanpassing zijn nieuwe goedkeuringen opgenomen over de volgende onderwerpen: sigaretten en rooktabak die vóór 1 januari 2021 zijn uitgeslagen tot verbruik en waarvan de verpakking is voorzien van de vóór 1 januari 2021 bij de uitslag tot verbruik geldende accijnszegel van 1 maart 2021 tot 1 juni 2021 aan wederverkopers mogen worden verkocht, te koop aangeboden en afgeleverd (onderdeel 5.2) bepaling gebruikelijk loon ab-houders over 2021 (onderdeel 6.3); vrije ruimte werkkostenregeling 2021 voor de eerste €400.000 wordt opnieuw tijdelijk verhoogd naar 3% (onderdeel 6.4); bij de beoordeling van de aannemelijkheid van het aantal in een kalenderjaar aan werkzaamheden voor een of meer ondernemingen bestede uren in het kader van het urencriterium worden ondernemers in de periode van 1 januari 2021 tot en met 30 juni 2021 geacht ten minste 24 uren per week aan de onderneming(en) te hebben besteed. Voor seizoensgebonden werkzaamheden wordt teruggegrepen op het aantal uren dat in 2019 over dezelfde periode is gemaakt (onderdeel 8.2); belastingvrijstelling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (onderdeel 8.5); en herinvesteringsreserve: ruiming pelsdieren is overheidsingrijpen (onderdeel 8.8.2). Daarnaast zijn een aantal bestaande maatregelen verlengd: tijdelijke uitstelbeleid: tot 30 juni 2021 geen invorderingsmaatregelen en geen boete (onderdelen 3, 4 en 5); versoepeling van enkele administratieve handelingen in de loonbelasting (onderdeel 6.1); ter beschikking stellen van zorgpersoneel onder voorwaarden tot 30 juni 2021 vrijgesteld van btw (onderdeel 9a.1); btw-nultarief mondkapjes (onderdeel 9c); btw-nultarief COVID-19-vaccins en COVID-19-testkits (onderdeel 9d); en heffing over Duitse netto-uitkeringen (onderdeel 10). Bron: MvF 03-03-2021, nr. 2021-38397 (stcrt. 2021, nr.11856)

Bestuurder actief bedrijf mag fiscus later betalen

In principe hebben bestuurders van een vennootschap een redelijke vrijheid in het bepalen van de schudeisers die het eerst hun betaling ontvangen. Zo luidt in ieder geval het oordeel van Rechtbank Gelderland. Overigens eindigt deze vrijheid als de bestuurder besluit de onderneming te liquideren en er onvoldoende liquide middelen zijn om alle schulden te betalen.
Een holding is de enige bestuurder van een vennootschap waarin zij 50% van de aandelen houdt. In maart 2016 vindt de ontbinding van de vennootschap plaats. Op dat moment staat nog een bedrag van bijna € 250.000 aan loon- en omzetbelastingschulden open. Volgens de ontvanger valt de holding onbehoorlijk bestuur te verwijten. Daardoor zijn de belastingschulden aan haar te wijten, zo stelt de fiscus. De holding heeft namelijk de vennootschap de crediteuren laten betalen en zijn rekening-courantschuld laten aflossen. De holding stelt dat zij de crediteuren eerder heeft betaald om zo de vennootschap te kunnen voortzetten. Maar de ontvanger denkt dat de holding haar crediteuren pas heeft betaald nadat zij heeft besloten de onderneming te staken. De holding is het oneens met de aansprakelijkstelling. Zij begint daarom een beroepsprocedure voor de rechtbank. De rechtbank constateert dat de holding tijdig de betalingsonmacht heeft gemeld. Het gevolg is dat de ontvanger aannemelijk dient te maken dat de holding de vennootschap onbehoorlijk heeft bestuurd. Daarnaast moet dit onbehoorlijke bestuur de oorzaak zijn van het onbetaald blijven van de belastingschulden. De rechtbank oordeelt dat een bestuurder in beginsel vrij is om op basis van eigen afwegingen te bepalen welke schuldeiser hij als eerste betaalt. De beslissing om belastingschulden geen voorrang te geven is pas onbehoorlijk bestuur als geen redelijk denkend bestuurder dat zou doen. De situatie is trouwens anders als de vennootschap besluit haar onderneming te beëindigen en niet al haar schulden kan voldoen. In dat geval is de bestuurder niet vrij om zelf te bepalen welke schuldeisers voorrang krijgen. De ontvanger maakt echter niet aannemelijk dat deze situatie zich voordoet. Hij kan niet bewijzen dat holding voor het betalen aan de crediteuren al van plan was om haar onderneming te staken. Daarom vernietigt de rechtbank de aansprakelijkstelling. Bron: Rb. Gelderland 12-02-2021 (gepubl. 02-03-2021)

Algemene criteria voor thuiswerken beschikbaar

Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft Algemene criteria voor thuiswerken op de website van de Rijksoverheid gepubliceerd. Deze handreiking helpt individuele werkgevers en werknemers bij het maken van afwegingen of een werknemer thuis of op locatie kan werken en kan onduidelijkheden over wel of niet thuiswerken wegnemen.
Veel mensen werken sinds het begin van de coronacrisis al thuis. Minister Koolmees liet op 3 februari 2021 in een Kamerbrief weten dat uit onderzoek van TNO blijkt dat circa 9% van de werknemers meer (uren) kan thuiswerken. De minister heeft in overleg met werkgevers- en werknemersorganisaties criteria voor thuiswerken opgesteld om werkgevers en werknemers te ondersteunen bij thuiswerken. Het uitgangspunt voor de criteria voor thuiswerken is ‘werk thuis, tenzij het niet anders kan’. Maar in veel sectoren kunnen mensen niet of slechts gedeeltelijk thuiswerken, bijvoorbeeld door de aard van het werk of vanwege persoonlijke omstandigheden. Werken op locatie kan nodig zijn, bijvoorbeeld omdat die werknemers nodig zijn om de voortgang van een noodzakelijk bedrijfsproces op locatie te waarborgen of voor die werknemers die toegang moeten hebben tot vertrouwelijke informatie die enkel op de bedrijfslocatie is in te zien. Daarnaast zijn er ook situaties waarin mensen vanwege dringende persoonlijke omstandigheden (deels) thuis of op locatie kunnen werken. Bijvoorbeeld werknemers die door het thuiswerken dusdanige mentale klachten ervaren, dat het voor hun mentale gezondheid noodzakelijk is dat ze hun werk (deels) op locatie doen. Of werknemers voor wie de omstandigheden thuis niet geschikt zijn om vanuit huis te werken, en niet toereikend te maken zijn. Uiteraard moet de werkplek op locatie dan wel voldoen aan de coronamaatregelen van het RIVM. De handreiking is bedoeld om onduidelijkheden over het al dan niet thuis kunnen werken weg te nemen bij werkgevers en werknemers. De werkgever moet samen met de OR of PVT de concrete uitwerking hiervan nader invullen. Het is belangrijk dat werkgevers en werknemers al bestaande afspraken over naar het werk komen aan de hand van deze criteria opnieuw tegen het licht houden. De minister geeft in Kamerbrief aan dat hij in maart 2021 een advies zal vragen aan de SER over de toekomst van hybride werken na de coronacrisis. Deze adviesaanvraag zal over meer thema’s gaan dan alleen arbeidsomstandigheden. Ook gaat het in op bijvoorbeeld de effecten van hybride werken voor mobiliteit en milieu, randvoorwaarden voor een goede balans tussen thuiswerken en werken op locatie, sociaal-maatschappelijke effecten en de gevolgen voor specifieke groepen zoals jongeren en zzp’ers. Bron: Min. SZW 24-02-2021

Gebruik oude fundering scheelt overdrachtsbelasting

Rechtbank Den Haag oordeelt dat de aankoop van een perceel met daarop de fundering van een verwoeste woning kan kwalificeren als een woning voor de overdrachtsbelasting. In dat geval kan het lage tarief van toepassing zijn. De koper moet de bestaande fundering dan wel gebruiken voor de bouw van een nieuwe woning.
Een man koopt een perceel waarop een woonhuis heeft gestaan. Een brand heeft deze woning verwoest, maar de fundering, schuur en bestrating zijn overgebleven. De levering van het pand vindt plaats op 22 oktober 2018. Op 14 november 2018 verkrijgt de man een omgevingsvergunning om een nieuwe woning te laten bouwen. Deze vergunning heeft hij al vóór de levering aangevraagd. Het is de bedoeling dat men voor de nieuwe woning de bestaande rioolaansluitingen gaat gebruiken. Bij de bouw wordt de oude fundering gebruikt, al vinden enkele kleine aanpassingen plaats. De man meent dat hij voor wat betreft de overdrachtsbelasting een woning in aanbouw heeft gekocht, zodat het lage tarief van toepassing is. De Belastingdienst is het daarmee oneens, maar de rechtbank stelt de man in het gelijk. De rechter volgt daarbij de volgende redenering. In principe is grond bestemd voor woningbouw geen woning voor de overdrachtsbelasting. Maar een uitzondering geldt als al een fundering is aangebracht. Dan is inderdaad sprake van een nieuwe woning in aanbouw. De rechtbank wijst daarbij op de omstandigheid dat de bestaande fundering echt is gebruikt voor de nieuwe woning. Economisch gezien is er geen wezenlijk verschil tussen het gebruik van een oude of nieuwe fundering. De rechtbank ziet daarom niet in waarom een tariefverschil gerechtvaardigd zou zijn. Dat de man de bouwvergunning pas na de levering heeft ontvangen, is niet van belang. Hij heeft deze vergunning immers vóór de levering aangevraagd. Dat de bouw na de levering is begonnen, is hier evenmin relevant. Bron: Rb. Den Haag 11-02-2021

Koolmees geeft toelichting op Tozo-regeling

Een persoon die met zijn onderneming niet uiterlijk met ingang van 17 maart 2020 stond ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel is naar de definitie van de Tozo geen zelfstandige. Dit blijkt uit de beantwoording van vragen over de Tozo-regeling door minister Koolmees.
Ondernemers die niet aan de voorwaarden voor ondersteuning op basis van de Tozo voldoen, kunnen bij een inkomen onder de bijstandsnorm eventueel een beroep doen op bijstand op grond van de Participatiewet. Als sprake is van ‘zeer dringende redenen’ kan iemand die in principe niet in aanmerking komt voor Tozo/bijstand toch bijstand toegekend krijgen. Het College van burgemeester en wethouders moet dit beoordelen. De kring van rechthebbenden die recht hebben op de Tozo is beperkt tot zelfstandigen die op 17 maart 2020 stonden ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Constateert de Belastingdienst dat een ondernemer nog niet is ingeschreven in het Handelsregister, dan wordt deze ondernemer door de Belastingdienst daarop geattendeerd. De ondernemer wordt daarmee in de gelegenheid gesteld om alsnog aan de inschrijvingsverplichting te voldoen. Het is niet zo dat de Belastingdienst de ondernemer in de gelegenheid stelt om met terugwerkende kracht aan deze inschrijvingsverplichting te voldoen. De wijze van inschrijving in het Handelsregister is de verantwoordelijkheid van de Kamer van Koophandel. Inschrijvingen kunnen met terugwerkende kracht kunnen worden doorgegeven, dat wil zeggen met een ingangsdatum in het verleden. Volgens de Handelsregisterwet moet een ondernemer de eerste inschrijving van een onderneming doen binnen een periode van twee weken, die begint een week vóór en eindigt een week ná de aanvang van de bedrijfsuitoefening. De datum registratie wijkt dan af van de ingangsdatum van de aanvang van de bedrijfsuitoefening. De inschrijvingsdatum is een hard criterium voor toekenning van de Tozo wat in overeenstemming is met de bedoelde toepassing van de regeling. Om eenvoudige verificatie mogelijk te maken is dit criterium geformaliseerd in de eis dat de zelfstandige op 17 maart 2020 ingeschreven moet staan. Een zelfstandige die met zijn onderneming niet uiterlijk met ingang van 17 maart stond ingeschreven is naar de definitie van de Tozo geen zelfstandige, omdat deze persoon niet heeft voldaan aan alle wettelijke vereisten voor de uitoefening van een eigen bedrijf of zelfstandig beroep. Een aanpassing van de datum met als doel inschrijvingen met terugwerkende kracht toe te staan, leidt tot uitvoeringsproblemen en verhoogt het risico op misbruik van de Tozo uitkering. Bron: Ministerie SZW 25-02-2021

© lArcade 2021