Inloggen

Bijna failliete dga kon geen borgstellingsverlies aftrekken

Een dga mag geen verlies uit borgstelling aftrekken als zijn eigen slechte financiële positie het onwaarschijnlijk maakt dat hij zijn borgstellingsverplichting ooit zal vervullen.
Staat een dga borg voor zijn bv en wordt hij als borg aangesproken, dan mag hij in beginsel in het desbetreffende jaar een voorziening vormen voor de regresvordering op zijn bv. De borg hoeft niet in dat jaar daadwerkelijk al te zijn betaald. In de praktijk weigert de fiscus vaak de vorming van zo’n voorziening indien de dga zich puur uit aandeelhoudersmotieven borg stelt. Maar soms voldoet de dga al niet aan de normale eisen voor het vormen van een voorziening. Men vormt namelijk voorzieningen voor toekomstige uitgaven. Zo’n toekomstige uitgave moet haar oorsprong vinden in feiten of omstandigheden die zich in de periode voor de balansdatum hebben voorgedaan. Deze feiten en omstandigheden moeten ook zijn toe te rekenen aan die periode. Ten slotte moet een redelijke mate van zekerheid bestaan dat de toekomstige uitgave ook zal plaatsvinden. Een dga mag geen voorziening vormen voor kosten waarvan (bijna) vaststaat dat hij ze nooit zal maken. In een zaak voor Rechtbank Gelderland was door de fiscus de vorming van zo’n voorziening afgewezen. De dga had de voorziening opgevoerd bij zijn aangifte IB over 2014. Zijn financiële positie was op de balansdatum namelijk zo slecht, dat het onwaarschijnlijk was dat hij zijn borgstellingsverplichting kon voldoen. Zijn vermogenspositie gedurende de jaren 2012-2014 was zeer slecht, wat uiteindelijk leidde tot zijn persoonlijk faillissement in 2015. De dga voert voor de rechtbank nog aan dat hij nog voldoende verdiencapaciteit had om zijn verplichting als borg na te komen. Ook verwachtte hij nog wat tantièmes te ontvangen. Maar hij weet deze omstandigheden onvoldoende te onderbouwen. De rechtbank oordeelt daarom dat de dga geen voorziening mag vormen voor zijn regresvordering op zijn bv. Bron: Rb. Gelderland 19-09-2019 (publ. 02-12-2019)

Dochter behoorde niet meer tot het huishouden

Op basis van de uitzendregeling kan een woning in Nederland als eigen woning blijven kwalificeren. Een voorwaarde is dat de woning dan niet aan derden ter beschikking wordt gesteld. Volgens Hof Den Bosch wordt aan die voorwaarde niet voldaan indien een meerderjarig kind die voor de uitzending al het ouderlijk huis had verlaten tijdelijk de woning betrekt.
Een militair was vanaf 2011 uitgezonden naar Turkije en daarna naar Italië. Zijn vrouw bleef eerst achter in zijn eigen woning in Nederland, maar woonde vanaf 4 januari 2014 bij haar man in Italië. Hun dochter, die vanwege haar studie het ouderlijke huis in 2010 had verlaten, betrok op 10 maart 2014 weer de woning van haar haar ouders. Tot 7 mei 2014 was de woning haar hoofdverblijf. De inspecteur meent dat door deze omstandigheid de woning in Nederland voor de man vanaf 10 maart 2014 geen eigen woning meer is. Een van de voorwaarden voor de toepassing van de uitzendregeling is namelijk dat de eigenaar de woning niet ter beschikking stelt aan derden. Volgens de inspecteur is de dochter in dit geval een derde omdat zij voordat de militair werd uitgezonden al niet meer tot het huishouden behoorde. De man betwist dit. Hof Den Bosch betrekt in zijn oordeel een goedkeuring van de staatssecretaris van Financiën op grond waarvan kinderen van belastingplichtigen de woning mogen blijven bewonen. Deze kinderen moeten echter direct voorafgaand aan de uitzending tot het huishouden van de belastingplichtige behoren. In dit geval behoorde de dochter als uitwonende student niet meer tot het huishouden van haar vader. Het hof vindt zelfs niet aannemelijk dat de dochter na 10 maart 2014 weer deel uitmaakt van het huishouden van de man. Dat de militair en zijn vrouw gedurende de uitzending geregeld naar Nederland gingen en dan in hun woning verbleven, betekent nog niet dat sprake was van een gemeenschappelijke huishouding met hun dochter. De huishouding van de man en zijn echtgenoot bleef volgens het hof in Italië. De dochter kwalificeert dus als een derde, zodat de uitzendregeling in de desbetreffende periode niet van toepassing was. Bron: Hof Den Bosch 24-10-2019 (publ. 29-11-2019)

Alleen Picnic bv valt onder cao, rest van bv’s niet

In een door vakbond FNV aangespannen zaak heeft de kantonrechter te Amsterdam geoordeeld dat alleen de verkooptak van online supermarkt Picnic onder de cao Levensmiddelenbedrijf valt. Voor de andere vennootschappen van Picnic, die zich bezighouden met onder andere opslag, distributie en softwareontwikkeling, geldt dat niet.
Vakbond FNV had de zaak aangespannen omdat de bond van mening is dat alle Picnic vennootschappen onder de cao voor het levensmiddelenbedrijf moeten vallen. Volgens de vakbond werken ze gezamenlijk namelijk aan één activiteit: de exploitatie van een online supermarkt. De kantonrechter gaat hier niet in mee. Alleen de Picnic-vennootschap die de online supermarkt exploiteert, Picnic B.V, is volgens de kantonrechter een werkgever die onder de cao voor het levensmiddelenbedrijf valt. Deze vennootschap moet de cao Levensmiddelenbedrijf dan ook naleven. Voor het overige vat de FNV de werkingssfeer van de cao te ruim op, aldus de rechter. De cao biedt namelijk nergens aanknopingspunten voor de stelling dat het begrip werkgever zo moet worden opgevat dat daaronder ook rechtspersonen kunnen vallen die weliswaar niet zelf een winkel exploiteren, maar wiens activiteiten wel zouden kunnen samenhangen met het exploiteren van een winkel. Ook niet als deze activiteiten worden uitgevoerd door een andere rechtspersoon ten behoeve van hetzelfde concern. Daarom zijn de overige vennootschappen niet verplicht de cao voor het levensmiddelenbedrijf toe te passen. Bron: Ktr. Amsterdam 3-12-2019

Kantoorpand of woningen?

Is een kantoorpand verbouwd zodat het een woningfunctie heeft gekregen, dan wordt het pand alleen geacht de kantooraard te hebben behouden als met een beperkte aanpassing het pand weer als kantoorruimte bruikbaar is.
Een koper stelde dat op de verkrijging de appartementsrechten het lage tarief van de overdrachtsbelasting voor woningen van toepassing was. De Belastingdienst stelde echter dat een gewone onroerende zaak was verkregen. Het pand waarop het appartementsrecht ziet, was namelijk in 1991 gebouwd als kantoorruimte. Het hof oordeelde dat het appartementsrecht een woning vormde. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel. De Hoge Raad geeft aan dat sprake is van een woning als de desbetreffende onroerende zaak naar zijn aard voor bewoning is bestemd. Deze vraag moet men beantwoorden aan de hand van een maatstaf die zoveel mogelijk aanknoopt bij de kenmerken van het bouwwerk zelf. De geschiktheid van de onroerende zaak om als woning te dienen, is niet doorslaggevend. Een pand kan ook na een verbouwing naar zijn aard bestemd zijn als woning. Mag men vanwege (on)voltooide verbouwingswerkzaamheden concluderen dat die werkzaamheden dienen om een woning op te leveren? Dan kan het bouwwerk alleen worden geacht de oorspronkelijke aard te hebben behouden als de fiscus aannemelijk maakt dat niet meer dan beperkte aanpassingen nodig zijn om het weer voor het oorspronkelijke doel geschikt te maken. Deze omstandigheid deed zich hier niet voor. Het hof heeft volgens de Hoge Raad terecht geoordeeld dat het pand voor de heffing van de overdrachtsbelasting kwalificeert als een woning. Bron: HR 29-11-2019

Belasting op industriële luchtvervuiling veelbelovend

Een belasting op industriële luchtvervuiling (zoals fijnstof) kan ervoor zorgen dat de vervuilende uitstoot grotendeels verdwijnt en is praktisch uitvoerbaar. De maatschappelijke schade door luchtvervuiling, voor een groot deel gezondheidsschade, is hoger dan de kosten voor de industrie om deze terug te dringen, zo blijkt uit onderzoek van het CPB.
Voor het zojuist gepubliceerde onderzoek ‘Een belasting op luchtvervuiling in de Nederlandse industrie’ van het Centraal Planbureau (CPB) is gekeken naar de sectoren staal, basisplastics (ethyleen) en kunstmest. Verkennende analyses voor de industriële productie van ijzer en staal, ethyleen en kunstmest laten zien dat CO2-reductiemaatregelen de uitstoot van luchtvervuilende stoffen op lange termijn zullen verminderen met tientallen procenten, afhankelijk van de soort emissie en de sector. Maar een gerichte belasting werkt sneller en sterker dan CO2-reductiemaatregelen die pas op de langere termijn worden ingevoerd en niet alle vermijdbare emissies van luchtvervuilende stoffen wegnemen. Een belasting ter hoogte van de maatschappelijke schade van emissies maakt het invoeren van bestaande technologieën, zoals filters, voordelig voor bedrijven. Het is namelijk goedkoper om een filter te gebruiken om de emissies tegen te houden, dan om via de belasting voor die uitstoot te betalen. Bedrijven zouden deze technologieën nu al kunnen invoeren, maar de bestaande regelgeving verplicht ze hier niet toe. Luchtvervuiling belasten leidt tot een stijging van de productiekosten in de Nederlandse industrie, met mogelijk een daling van de productie tot gevolg. De berekende productiedaling ligt in 2050 op minder dan 1% voor ethyleen en rond de 4% voor kunstmest en ijzer & staal, maar deze berekende daling is onzeker. Volgens gevoeligheidsanalyses is deze daling in 2050 in geen van de sectoren groter dan 12%. Sectorale productiedalingen leiden op lange termijn niet tot een lagere werkgelegenheid in Nederland als geheel, maar brengen wel transitiekosten met zich mee in de periode van aanpassing van de economie. Het is praktisch gezien mogelijk om op korte termijn een belasting op luchtvervuiling in de Nederlandse industrie in te voeren. Een belangrijke vraag is in welke sectoren van de economie een belasting op vervuiling zou moeten gelden, als deze daadwerkelijk wordt ingevoerd. Voor het onderzoek zijn drie industriesectoren onderzocht, maar er zijn andere (grote) uitstoters zoals landbouw en verkeer. Bron: CPB 3-12-2019

© lArcade 2019