Inloggen

Loonverschil vast-flex bijna 50%

Uit een studie van CBS blijkt dat het loonverschil tussen werknemers met een vast dienstverband en flexwerkers bijna 50% bedraagt. Flexwerkers verdienen bijna 48% minder dat werknemers met een vast dienstverband.
Voor het onderzoek zijn zowel het basisloon als het loon inclusief de incidentele componenten (vakantiegeld, eindejaarsuitkeringen, bijzondere beloningen, en loon ontvangen uit overwerk) bekeken. Voor het onderzoek zijn de gegevens uit de Enquête Beroepsbevolking (EBB) van 2016 gebruikt. Als vaste werknemers worden beschouwd werknemers die een contract voor onbepaalde tijd hebben en voor wie het aantal uren dat wekelijks wordt gewerkt vastligt. Tot de flexibele werknemers behoren onder meer: werknemers met een tijdelijk dienstverband die uitzicht hebben op een vast contract bij goed functioneren; werknemers met een tijdelijk contract langer dan een jaar; werknemers met een tijdelijk contract korter dan een jaar; uitzendkrachten; oproepkrachten/invalkrachten; werknemers met een vast of tijdelijk contract zonder vaste uren. Het loonverschil hangt in sterke mate samen met verschillen in achtergrondkenmerken; flexibele werknemers zijn bijvoorbeeld gemiddeld jonger en lager opgeleid. Zonder verschillen in achtergrondkenmerken zou het loonverschil 7% zijn. Het loonverschil ten opzichte van vaste werknemers varieert aanzienlijk tussen de diverse soorten flexibele werknemers. Voor oproepkrachten en tijdelijke werknemers zonder vaste uren is het ongecorrigeerde loonverschil 58%. Dit komt vooral doordat oproepkrachten gemiddeld jonger zijn en in andere beroepen werken dan vaste werknemers en andere flexibele werknemers. Als gecorrigeerd wordt voor achtergrondkenmerken blijft er voor oproepkrachten een loonverschil van 3% over. Bij uitzendkrachten bedraag het loonverschil zonder correctie 37%, met correctie nog altijd 13%. Vooral uitzendkrachten en werknemers met korte tijdelijke contracten hebben te maken met een groot loonverschil na correctie (respectievelijk 13 en 15%). Bij deze groepen wordt dus een kleiner deel van het loonverschil verklaard door achtergrondkenmerken. Naast het basisloon kwam ook het totale loon (loon inclusief incidentele beloningen en overwerk) aan de orde. Het loonverschil tussen vaste en flexibele werknemers op basis van het totale loon is iets groter dan dat op basis van het basisloon. Corrigeren voor achtergrondkenmerken geeft voor het totale loon vergelijkbare conclusies als voor het basisloon. Bron: CBS 22-08-2019

Onnodige beledigingen en beschuldigingen afgestraft

Gemachtigden van belanghebbenden mogen in een beroepsprocedure hun ongenoegen uiten over bepaalde rechterlijke uitspraken. Maar dat betekent niet dat er onbeperkt ruimte is voor ongefundeerde beschuldigingen en beledigingen.
De belastingrechter verlangt van partijen in een beroepsprocedure dat zij zich tegenover elkaar professioneel en met enig respect opstellen. Een partij die dit nalaat, kan een waarschuwing verwachten. In twee zaken voor Hof Arnhem-Leeuwarden blijkt een waarschuwing niet voldoende te zijn. De gemachtigde van de belanghebbende omschrijft diverse medewerkers van de Belastingdienst als clowns en oplichters. Ook noemt hij verschillende instellingen van de rechterlijke macht criminele organisaties en Nederland een intens gajesland. Het hof laat de gemachtigde weten dat het zich in toenemende mate stoort aan dit beledigend en mogelijk lasterlijke taalgebruik. De gemachtigde krijgt een waarschuwing. De rechter wijst hem er ook op dat zijn opmerkingen aan de belanghebbende zijn toe te rekenen. De gemachtigde ziet in deze waarschuwing een verdere inperking van de rechten van zijn cliënt. Hij zet dan ook de correspondentie op dezelfde toon voort. Het hof heeft echter genoeg van de ‘roast’. Het taalgebruik van de gemachtigde botst structureel met de maatschappelijke normen voor fatsoenlijke omgang, zo oordeelt de rechter. Het hof stelt dat belanghebbenden het recht hebben om duidelijk te maken dat zij het oneens zijn met bepaalde rechterlijke oordelen. Maar dat betekent niet dat gemachtigden onnodig beledigende opmerkingen mogen maken. De gemachtigde legt evenmin uit waarom zijn beschuldigingen en beledigingen van belang zijn voor de procedure. Het hof oordeelt dat tegen de gemachtigde ernstige bezwaren bestaan en weigert dan ook zijn vertegenwoordiging. Volgens de rechter is hier geen sprake van een schending van gewaarborgde rechten en vrijheden. De belanghebbende krijgt namelijk de gelegenheid om binnen vier weken een nieuwe gemachtigde te vinden. Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden 16-08-2019

Vaststellingsovereenkomst was nog van toepassing

Voor de uitleg van afspraken uit een vaststellingsovereenkomst is niet alleen de taalkundige uitleg van wat partijen zijn overeengekomen van belang. Ook moet de betekenis van de afspraken uit de vaststellingsovereenkomst worden afgeleid aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten op grond van die verklaringen en elkaars gedragingen.
Een man sluit in 2005 met de inspecteur een vaststellingsovereenkomst (VSO) over de hoogte van de schulden aan zijn bv en de verstrekte zekerheden. Een groot deel van de schulden was niet gedekt door zekerheden. De dga en de inspecteur spreken af dat de dga vijf jaar de tijd krijgt om de leningen te verzakelijken. Voor zijn woning heeft de man ruim € 1 miljoen geleend met een pos/neg. hypotheekverklaring als zekerheid. De inspecteur is van oordeel dat dit niet zakelijk is. Daarom komen de dga en de inspecteur in de VSO voor de eigenwoninglening overeen dat de man hiervoor een notariële hypotheekverklaring afgeeft. Deze afspraak komt de man na. Andere afspraken uit de VSO komt de man niet na. De Belastingdienst heeft navorderingsaanslagen IB over 2010 en 2011 opgelegd. Voor Hof Arnhem-Leeuwarden is het de vraag of de Belastingdienst deze aanslagen mocht opleggen vanwege de VSO. De dga vindt dat de uitdeling al in 2008 heeft plaatsgevonden en dat de inspecteur daarom geen navorderingsaanslagen meer kan opleggen. Volgens het hof geldt de VSO nog steeds omdat deze is rechtsgeldig tot stand is gekomen en niet door één van de partijen is opgezegd. In de VSO is opgenomen dat bij het niet nakomen van de afspraken door de dga een winstuitdeling plaatsvindt, maar niet op welk tijdstip die winstuitdeling plaatsvindt en de inspecteur kan navorderen. Bovendien belet de VSO de inspecteur niet om de jaarlijkse toename van de schulden van de dga als verkapte winstuitdelingen te belasten. Het hof is het met de inspecteur eens dat de inspecteur volgens de VSO de navorderingsaanslagen kan opleggen. Uiteindelijk beslist het hof dat de helft van de jaarlijkse toename van de schulden aan de bv bij de dga is belast als winstuitdeling in 2010 en 2011. Het hof verwijst hiervoor naar de wettelijke toerekening van het inkomen uit aanmerkelijk belang aan de dga en zijn fiscale partner, omdat de dga en zijn fiscale partner bij hun aangiften zelf geen keuze hebben gemaakt voor onderlinge toerekening van dit inkomen uit aanmerkelijk belang. Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden 23-7-2019

Gemeente mocht met verhoogd OZB-tarief ondernemersfonds financieren

Een gemeente mocht van Rechtbank Den Haag met een extra verhoogd OZB-tarief voor niet-woningen een ondernemersfonds in die gemeente financieren. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat de gemeente handelt in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.
Een ondernemer in de gemeente Bodegraven-Reeuwijk gaat in beroep tegen de aan hem opgelegde aanslag OZB 2017 voor een niet-woning. In de verordening van de gemeente is het OZB-tarief voor niet-woningen verhoogd om daarmee het ondernemersfonds te financieren. De ondernemer stelt dat die verordening onverbindend is, voor zover deze heeft plaatsgevonden in verband met de financiering van het ondernemersfonds. Door een generieke verhoging van het OZB-tarief voor niet-woningen werpt de gemeente zich op als kassier voor een groep ondernemers die behoefte heeft aan een regeling voor gezamenlijke investeringen. Daarmee worden de waarborgen omtrent de invoering van een Bedrijveninvesteringszone (BIZ) omzeilt en handelt de gemeente in strijd met de algemene rechtsbeginselen. Ook is de ondernemer al verplicht lid van Parkmanagement waardoor de financiering van de gezamenlijke investeringen op het bedrijvenpark Rijnhoek is gewaarborgd. Voor deze groep belastingplichtigen is de verhoging van het OZB-tarief voor niet-woningen dubbelop. Verder is de invoering van het verhoogde OZB-tarief in strijd met art. 1 Eerste Protocol (EP) EVRM nu de draagvlakmeting voor de oprichting van het ondernemersfonds zeer gebrekkig is uitgevoerd. Volgens Rechtbank Den Haag is de vaststelling van het OZB-tarief een zelfstandige bevoegdheid van de gemeenteraad. De belastingrechter is in beginsel niet bevoegd was om over de tarieven te oordelen, tenzij de tariefstelling of tariefstijging in strijd is met een hogere wettelijke regeling, leidt tot een willekeurige of onredelijke belastingheffing, dan wel in strijd was met enig rechtsbeginsel. Volgens de Rechtbank is daarvan in dit geval geen sprake. Dat de tariefsverhoging ook bedoeld is om het ondernemersfonds te financieren is geen reden om te beslissen dat de OZB werd geheven voor een ander doel dan inkomensverwerving door de gemeente. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de opbrengsten van de OZB niet direct naar het ondernemersfonds gaan, maar als subsidie uit de algemene middelen aan het ondernemersfonds worden verstrekt. Met dit fonds zijn niet alleen de gemeenschappelijke belangen van de ondernemers maar ook de algemene belangen (o.a. financiering sinterklaasintochten, camerabewaking) gediend. De mate van profijt bij de besteding van de opbrengsten is hierbij niet van belang: het betreft geen profijtbelasting. Ook de stelling dat de ondernemers op het bedrijventerrein waar de ondernemer is gevestigd hierdoor ongelijk worden behandeld, omdat ze al op een andere wijze hun gemeenschappelijke belangen financieren, is volgens de rechtbank onjuist. Deze stelling raakt volgens de rechtbank de OZB-heffing niet. Bron: Rb. Den Haag 5-08-2019 (publ. 19-08-2019)

Kwart bedrijven ervaart personeelstekort

Veel bedrijven ervaren belemmeringen bij het uitoefenen van de bedrijfsactiviteiten door een tekort aan arbeidskrachten. Dit speelt vooral bij ondernemers in de zakelijke dienstverlening. Het ondernemersvertrouwen is licht gedaald naar 10,6. Ondanks deze daling is het sentiment onder ondernemers positief.
Sinds medio 2018 meldt ongeveer een kwart van het niet-financiële bedrijfsleven een tekort aan arbeidskrachten. Aan het begin van het derde kwartaal van 2019 is het aantal bedrijven dat hiervan belemmeringen ondervindt bij het uitoefenen van de bedrijfsactiviteiten niet verminderd. Desondanks verwacht per saldo 12% van de ondernemers hun personeelsbestand in het derde kwartaal te kunnen uitbreiden. Dit percentage ligt lager dan vorig jaar in hetzelfde kwartaal, toen per saldo 18% van de ondernemers een toename van de personeelssterkte verwachtte. Bij 35% van de ondernemers in de zakelijke dienstverlening is er een tekort aan arbeidskrachten. In de bedrijfstak vervoer en opslag ervaart 32% van de ondernemers een tekort. Ook in de informatie en communicatie, horeca en bouwnijverheid is het percentage bedrijven dat hierdoor wordt belemmerd bovengemiddeld. In de delfstoffenwinning meldt echter slechts 5% van de bedrijven belemmeringen door een personeelstekort. Het ondernemersvertrouwen komt aan het begin van het derde kwartaal uit op 10,6 en is daarmee 1,4 punt lager dan in het tweede kwartaal. Ondanks deze daling is het sentiment onder ondernemers onveranderd positief: de stemmingsindicator ligt ruimschoots boven het gemiddelde sinds de start van de meting in 2008 (2,0). Het vertrouwen onder ondernemers is het hoogst onder bedrijven in de bedrijfstak informatie en communicatie. Bron: CBS 15-08-2019

© lArcade 2019