Een uitspraak van Rechtbank Gelderland maakt weer eens duidelijk dat een ondernemer In 2018 verkoopt een vennootschap een pand met een boekwaarde van nihil. De verkoopprijs Ondernemer legt arrest te ruim uit De vennootschap stelt ten eerste voor de rechtbank dat een ondernemer geen concreet Directiebesluit is onvoldoende bewijs Verder wijst de vennootschap op een directiebesluit waarin de opdracht tot het zoeken Bron: Rb. Gelderland 01-04-2025 (gepubl. 04-04-2025), Hoge Raad 25-10-2022.
zonder aantoonbaar herinvesteringsvoornemen geen herinvesteringsreserve mag vormen.
bedraagt € 290.000. De vennootschap vormt een herinvesteringsreserve (HIR) voor de
volledige boekwinst van € 290.000. In 2021 wil de vennootschap de HIR belast laten
vrijvallen omdat de herinvesteringstermijn is verstreken. Maar de Belastingdienst
meent dat de vennootschap in 2018 de HIR niet eens had mogen vormen. Volgens de inspecteur
heeft de vennootschap namelijk nooit een herinvesteringsvoornemen gehad. Daarom verhoogt
de Belastingdienst de belastbare winst van de vennootschap over 2018 met € 290.000.
De vennootschap is het daar mee oneens en start een beroepsprocedure.
herinvesteringsvoornemen moet hebben. Zij verwijst daarvoor naar een arrest van de
Hoge Raad uit 2022. De rechtbank deelt echter niet de conclusie van de vennootschap
dat een ondernemer niet aannemelijk hoeft te maken dat zij op de balansdatum een herinvesteringsvoornemen
heeft.
naar een vervangend pand is vastgelegd. Maar de rechtbank vindt dit directiebesluit
alleen onvoldoende vanwege het gebrek aan objectieve gegevens die het voornemen ondersteunen.
De vennootschap heeft geen schriftelijke vastlegging van contacten met de makelaar
en geen bewijs dat biedingen namens haar zijn gedaan. De rechtbank acht het onwaarschijnlijk
dat er geen enkele schriftelijke vastlegging is van contacten met derden, maar dat
deze contacten wel hebben plaatsgevonden. Daarom oordeelt de rechtbank dat een herinvesteringsvoornemen
ontbreekt. De inspecteur heeft dus terecht de boekwinst in de belastbare winst van
2018 meegenomen.
De Belastingdienst heeft het Handboek Ondernemen 2025 gepubliceerd. Het handboek is Het handboek is bestemd voor iedereen die in Nederland een onderneming wil starten Zie de website van de Belastingdienst voor het Handboek Ondernemen 2025 (https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/themaoverstijgend/brochures_en_publicaties/handboek-ondernemen-2025). Bron: Belastingdienst 01-04-2025.
vooral gericht op de zelfstandige ondernemer, maar ook als de onderneming een andere
rechtsvorm heeft is er veel nuttige informatie in te vinden.
of al een onderneming heeft, en die daarbij zelf (deels) de administratie doet. In
het handboek wordt antwoord gegeven op vragen zoals: Waar krijgen ondernemers mee
te maken? Welke eisen worden er gesteld aan de administratie? Hoe zit het met investeringen
en met bedrijfsruimte? Wat te doen als er personeel in dienst komt? En vooral, welke
gevolgen hebben deze kwesties voor de belastingen, bijdragen en premies?
Vrijgestelde WKR-loonbestanddelen vallen onder loonbegrip voor pseudo-eindheffing In 2018 is de dienstbetrekking tussen een bv en een werknemer beëindigd. Deze werknemer Hof stelt ex-werkgever in het gelijk De bv is daartegen in beroep gegaan. Hof Den Bosch heeft haar in het gelijk gesteld LB-loonbegrip blijft leidend De Hoge Raad vernietigt de hofuitspraak en oordeelt onder verwijzing naar de conclusie Bron: Hoge Raad 04-04-2025, Hof Den Bosch 21-02-2024 (gepubl. 04-04-2024).
excessieve vertrekvergoeding.
kwam tot dat moment in aanmerking voor toepassing van de 30%-regeling. De werknemer
heeft in 2018 en 2019 van zijn ex-werkgever vertrekvergoedingen gekregen van in totaal
€ 8,3 mln. De inspecteur heeft vanwege de zogeheten pseudo-eindheffing over excessieve
vertrekvergoedingen een naheffingsaanslag loonbelasting aan de bv opgelegd van 75%
van € 8,3 mln., ofwel € 6,2 mln. Bij de berekening van de excessieve vertrekvergoeding
zijn de aan de werknemer toe te rekenen (individualiseerbare) eindheffingsbestanddelen,
waaronder de vergoedingen in het kader van de 30%-regeling, tot het loon gerekend.
door te oordelen dat de onder de werkkostenregeling (WKR) vrijgestelde loonbestanddelen
niet tot de vertrekvergoeding behoren. De naheffingsaanslag is daarom verminderd tot
€ 4,7 mln. De staatssecretaris heeft cassatieberoep ingesteld tegen de hofuitspraak.
van Advocaat-generaal Pauwels dat ook na de invoering van de WKR het Wet LB-loonbegrip
onverkort leidend is voor het loonbegrip voor de pseudo-eindheffing over excessieve
vertrekvergoedingen. Dit betekent dat onder dit loonbegrip ook loonbestanddelen vallen
die zijn aangewezen als WKR-bestanddelen en onder de WKR zijn vrijgesteld. De naheffingsaanslag
van € 6,2 mln. blijft daarom in stand. De Hoge Raad vernietigt de hof- en rechtbankuitspraak
en verklaart het beroep van de bv tegen de uitspraak van de inspecteur ongegrond.
De Belastingdienst heeft de verblijfskosten eigen rijders voor 2025 vastgesteld op Het bedrag dat eigen rijders in aanmerking mogen nemen wordt jaarlijks aangepast en Bron: Belastingdienst, 03-04-2025.
€ 50,00 per gereden dag.
gepubliceerd op belastingdienst.nl bij Verblijfskosten eigen rijders (https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/belastingdienst/zakelijk/auto_en_vervoer/auto_van_de_onderneming/verblijfskosten_eigen_rijders/verblijfskosten_eigen_rijders). Daar staan de bedragen van de afgelopen vijf jaar. De regeling geldt voor eigen
rijders die hun winst aangeven voor de inkomstenbelasting. Voor ondernemers die aangifte
vennootschapsbelasting doen geldt de regeling niet.
De 30%-regeling is van toepassing als de werknemer voldoet aan de (verlaagde) loonnorm Een Portugese werknemer, geboren in 1992, heeft in 2015 mastertitels aan Italiaanse Voldoen aan loonnorm bij aanvang en tijdens tewerkstelling Voor het hof stelt de Belastingdienst dat men bij het toetsen van de loonnorm moet Bron: Hof Den Haag 20-02-2025 (gepubl. 27-03-2025).
bij aanvang en gedurende de tewerkstelling. Hierbij moet men het brutoloon toetsen.
en Portugese universiteiten. Hij heeft tot 1 september 2019 in Portugal gewoond en
gewerkt. Van 1 september 2019 tot 31 oktober 2021 is de man werkzaam in Nederland
via een traineeship. Op 15 oktober 2021 sluit hij een arbeidsovereenkomst met een
Nederlandse bv. De man treedt op 15 november 2021 daadwerkelijk in dienst bij deze
bv. Hij vraagt samen met deze werkgever om toepassing van de 30%-regeling. De inspecteur
wijst dit verzoek af, omdat volgens hem niet is aangetoond dat de werknemer heeft
voldaan aan de loonnorm tijdens zijn traineeship. De rechtbank vernietigt deze beslissing
en kende de 30%-regeling toe voor 34 maanden vanaf 15 november 2021. De inspecteur
gaat vervolgens in hoger beroep.
kijken naar de netto ontvangen bedragen. Het hof oordeelt dat deze stelling onjuist
is. De toetsing vindt plaats aan de hand van het brutoloon. Vervolgens constateert
het hof dat de werknemer voldoet aan de loonnorm van € 28.690 in 2019 en € 29.149
in 2020. Dit was zowel bij aanvang als tijdens de tewerkstelling het geval. De werknemer
heeft vergoedingen ontvangen van zowel de bv als van de voorgaande Nederlandse werkgever.
Deze vergoedingen overschrijden gezamenlijk de loonnorm. Het hof bevestigt dat de
30%-regeling van toepassing is vanaf 15 november 2021 voor de duur van 34 maanden.
De inspecteur wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.