Het kabinet werkt aan nieuwe btw-regels voor digitale platforms die kortdurende verhuur Vanaf 1 juli 2028 worden deze platforms btw-plichtig voor alle diensten die via hun Voor platforms gericht op passagiersvervoer verandert er minder, omdat de meeste aanbieders Het kabinet wil de wet zorgvuldig uitwerken en vraagt daarom om reacties van betrokkenen De internetconsultatie staat open tot en met 3 november 2025. Zie ook https://www.taxence.nl/nieuws/nieuwe-btw-regels-door-vida-pakket-treffen-grote-groep-ondernemers/ Bron: MvF 03-10-2025.
van accommodaties en passagiersvervoer mogelijk maken. Het ministerie van Financiën
is een internetconsultatie gestart.
platform worden aangeboden – tenzij de aanbieder zelf de btw precies afdraagt. Dit
betekent dat platforms btw moeten afdragen en een uitgebreide administratieplicht
krijgen. Het doel hiervan is een eerlijker speelveld te creëren, aangezien kleine
aanbieders vaak geen btw rekenen (bijvoorbeeld via de KOR-regeling), terwijl grote
partijen dat wel doen. Dat levert nu concurrentievoordeel op voor kleine en particuliere
verhuurders, vooral in de accommodatieverhuur.
in Nederland nu al btw afdragen. Deze platforms krijgen daarom met name een administratieplicht
om aan te tonen dat hun gebruikers daadwerkelijk btw-plichtig zijn, of dat ze onder
de vrijstellingsregeling vallen. Lukt dat niet, dan wordt het platform alsnog btw-plichtig
voor die diensten.
via internetconsultatie tot en met 3 november 2025. Met deze consultatie krijgen platforms
en gebruikers invloed op de praktische invulling van de wet. De nieuwe regels vloeien
voort uit EU-afspraken (het ViDA-pakket) en moeten in Nederland op 1 juli 2028 ingaan.
Belanghebbende en zijn zus hebben ieder een schenking van € 100.000 ontvangen van De Hoge Raad stelt voorop dat de jubeltonvrijstelling tot maximaal € 100.000 per schenker Dat doet zich voor indien de kruislingse schenkingen zodanig op elkaar zijn afgestemd Bron: HR 03-10-2025.
hun moeder C. De dag erna hebben zij ieder een schenking van € 100.000 ontvangen van
A. De vier kinderen van A hebben ieder een schenking van € 50.000 ontvangen van C.
Belanghebbende heeft beide schenkingen gebruikt voor een aflossing op zijn eigenwoningschuld.
Voor beide schenkingen heeft hij aanspraak gemaakt op de jubeltonvrijstelling in de
schenkbelasting. De inspecteur en de feitenrechters hebben die aanspraak niet gehonoreerd.
geldt. Dat brengt mee dat die vrijstelling niet kan worden toegepast als een kind
een schenking ontvangt van een derde (niet-ouder), maar die schenking voor de toepassing
van de SW moet worden aangemerkt als een schenking door zijn ouder, die hem al eerder
een schenking van € 100.000 heeft gedaan. Of een (samenstel van) rechtshandeling(en)
is aan te merken als schenking, moet in beginsel naar civielrechtelijke maatstaven
worden beoordeeld. Ook als civielrechtelijk geen sprake is van een gift van de ouder
kan echter op grond van fraus legis voor de toepassing van de SW toch sprake zijn
van een schenking van de ouder. Daarvoor is vereist dat (a) het ontgaan van schenkbelasting
het doorslaggevende motief is geweest voor de wijze waarop de betrokken – kruislingse
– schenkingen zijn vormgegeven, en bovendien (b) het in strijd zou komen met doel
en strekking van de jubeltonvrijstelling indien de schenking die het kind van een
derde ontvangt niet zou worden aangemerkt als een schenking van zijn ouder.
dat zij als een samenstel van rechtshandelingen zijn aan te merken. Een dergelijke
afstemming kan, behoudens tegenbewijs, in elk geval worden aangenomen indien het gezamenlijke
bedrag dat wordt geschonken door ieder van de bij de rechtshandelingen betrokken ouders
geheel of nagenoeg geheel overeenstemt, en de schenkingen gelijktijdig of betrekkelijk
kort na elkaar hebben plaatsgevonden. De oordelen van het hof dat hier is voldaan
aan de criteria voor fraus legis, acht de Hoge Raad cassatieproof. (Cassatieberoep
ongegrond.)
Een ondernemer die vanaf 2018 geen omzet meer behaalt, mag structureel verlies niet Een man drijft sinds 2004 een eenmanszaak in de handel in ijzer- en metaalproducten. Bron van inkomen ontbreekt door aanhoudende verliezen Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de inspecteur en rechtbank dat sprake Bron: Hof Den Haag, 04-09-2025.
aftrekken omdat geen objectieve voordeelsverwachting aangetoond.
Na een reeks van winstgevende jaren boekt hij vanaf 2018 alleen nog verliezen en wordt
er geen omzet meer gerealiseerd. Voor het jaar 2020 brengt hij een negatief resultaat
als winst uit onderneming in aftrek in zijn aangifte inkomstenbelasting. De inspecteur
corrigeert het verlies en accepteert de negatieve winst niet, omdat hij stelt dat
geen sprake is van een bron van inkomen. De man blijft van mening dat zijn onderneming
nog steeds bestaansrecht heeft door marktontwikkelingen en investeringen in innovatie.
Hij beroept zich daarnaast op het vertrouwen dat de fiscus hem ook in eerdere jaren
als ondernemer accepteerde.
moet zijn van een objectieve verwachting op voordeel om aan te nemen dat activiteiten
een bron van inkomen zijn. Daarbij kijkt men per jaar. Sinds 2018 behaalt de man alleen
nog verliezen en wordt er geen omzet meer gedraaid, ook na start van samenwerkingen
en innovatieve trajecten. Het hof vindt niet aannemelijk gemaakt dat er in 2020, ondanks
pogingen tot innovatie en de coronapandemie, nog uitzicht bestaat op positieve resultaten.
Verwijzingen naar winstgevende jaren vóór 2018 helpen de man niet, omdat de situatie
vanaf 2018 fundamenteel is veranderd. Verder oordeelt het hof dat het opvolgen van
eerdere aangiften door de inspecteur in het verleden, of een rapport uit het begin
van het ondernemerschap, geen doorslaggevend vertrouwen geeft voor het jaar 2020.
Ook is géén sprake van schending van het rechtszekerheids- of zorgvuldigheidsbeginsel.
Dat de inspecteur vanaf 2021 per abuis de aangiften heeft gevolgd, doet aan dit oordeel
niets af.
De Advocaat-Generaal (A-G) heeft de Hoge Raad geadviseerd over de houdbaarheid van In 2022 en 2023 rekende de Belastingdienst 8% belastingrente, maar de rechtbank Noord-Nederland oordeelde De staatssecretaris van Financiën stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad, waardoor De A-G adviseert dan ook het cassatieberoep van de staatssecretaris ongegrond te verklaren. Bron: HR 01-10-2025.
het belastingrentepercentage voor de vennootschapsbelasting.
dat dit percentage in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en verlaagde het tarief
in die zaak naar 4%.
de uitspraak mogelijk gevolgen krijgt voor vele andere belastingplichtigen die bezwaar maakten
tegen de hoge rente. De A-G heeft nu geconcludeerd dat het 8%-tarief op meerdere gronden
niet houdbaar is. Zo stelt hij dat een rente van 8% verder gaat dan nodig voor het
doel van belastingrente, namelijk het compenseren van het renteverlies van de Belastingdienst.
Ook ontbreekt een voldoende motivering voor het gekozen tarief en vindt de A-G dat
de regeling leidt tot een willekeurige verdeling van de publieke lasten. Volgens hem
had de wetgever, zelfs als het begrotingsbelang en gedragssturing als doel worden
gezien, niet tot dit hoge percentage mogen komen.
Daarbij wijst hij op toepassing van de wettelijke rente uit artikel 6:119 BW: voor
2022 zou dat 2% zijn, voor 2023 6%, voor 2024 7% en voor 2025 6%.
Het Register Belastingadviseurs (RB) heeft kritiek en aandachtspunten geuit bij de Door het demissionaire karakter van het kabinet is het pakket bovendien vrij beleidsarm. Desondanks vraagt het RB wel expliciet aandacht voor een aantal technische punten. Ongelijke delen huwelijksgoederengemeenschap Ook het voorstel om constructies met ongelijke breukdelen in huwelijksgoederengemeenschappen Bron: RB, 01-10-2025.
voorstellen in het Belastingplan 2026. Volgens het RB bevatten de plannen geen grote
verrassingen en zijn de meeste maatregelen al eerder aangekondigd.
Het RB waarschuwt Kamerleden ervoor om geen onverantwoorde, ad hoc-wijzigingen in
het pakket aan te brengen, omdat hiermee het risico toeneemt dat wijzigingen weer
teruggedraaid moeten worden — zoals in 2024 is gebeurd.
Zo is er kritiek op het voorstel voor fiscale normering van de markt voor personenvervoer
met voertuigen. De nieuwe pseudo-eindheffing voor niet-emissievrije auto’s vanaf 2027
— een werkgeversheffing van 12% op de cataloguswaarde — leidt tot een lastenverzwaring
voor werkgevers, terwijl het voor hen niet altijd mogelijk is om werknemers op elektrische
auto’s over te laten stappen. Dit kan bovendien bestaande leasecontracten onder druk
zetten. Het RB signaleert daarnaast dat de nieuwe definities voor woon-werkverkeer
en youngtimer afwijken van de bestaande, wat onnodig verwarrend en foutgevoelig is.
Consistentie in gehanteerde definities wordt daarom dringend aanbevolen.
aan te pakken gaat volgens het RB te ver. Het RB vraagt het kabinet om eerdere adviezen
te volgen: beperk de maatregel tot daadwerkelijke vermenging van bezittingen, maak
uitzonderingen voor niet-fiscale constructies en voor legitieme porties van kinderen,
en voer de regels pas vanaf 1 januari 2026 in — dus zonder terugwerkende kracht naar
Prinsjesdag. Verder stelt het RB dat bij het einde van de goederengemeenschap op fictief
verkregen ondernemingsvermogen of aanmerkelijkbelangaandelen de bedrijfsopvolgingsfaciliteit
moet blijven gelden.