Er is een Mededeling gepubliceerd over het toepassen van de hardheidsclausule met Binnen een fiscale eenheid met moeder M, tussenhoudster TH en kleindochters D1 en Bron: MvF 23-12-2025, ‘Mededeling over toepassen hardheidsclausule met betrekking tot artikel 15ai Wet Vpb
betrekking tot artikel 15ai Wet op de vennootschapsbelasting 1969 bij liquidatie van
de overdrager en waarbij een kleinere fiscale eenheid mogelijk was geweest.
D2 draagt D2 vermogensbestanddelen over aan D1. Vervolgens wordt D2 geliquideerd.
Daarna worden TH en D1 gezamenlijk verkocht, waardoor de bestaande fiscale eenheid
eindigt en in beginsel de sanctie van artikel 15ai Wet Vpb 1969 van toepassing zou
zijn op de eerdere overdracht. Direct aansluitend vormen TH en D1 een nieuwe fiscale
eenheid.
Het beleidsuitgangspunt is dat beëindiging van een fiscale eenheid niet tot toepassing
van artikel 15ai leidt als dat ook niet zou gelden wanneer op lager niveau een kleinere
fiscale eenheid (D2–D1–TH) had kunnen bestaan. Indien TH in plaats van M moeder zou
zijn geweest, zouden de overdracht, liquidatie van D2 en verkoop van TH niet tot toepassing
van de sanctie hebben geleid. De sanctie toepassen in de geschetste situatie past
daarom niet bij de beleidsdoelstelling.
Goedgekeurd wordt dat de sanctie wordt doorgeschoven naar de aansluitende fiscale
eenheid tussen TH en D1, onder de volgende voorwaarden:
a. Direct aansluitend aan de ontvoeging van de verkrijgende vennootschap ontstaat
een nieuwe fiscale eenheid waartoe TH en de verkrijgende vennootschap behoren.
b. Voor artikel 15ai wordt de overdracht geacht binnen de nieuwe fiscale eenheid te
hebben plaatsgevonden op het oorspronkelijke overdrachtstijdstip.
c. Eindigt de nieuwe fiscale eenheid met terugwerkende kracht tot het voegingstijdstip,
dan treedt de (doorgeschoven) sanctie op dat tijdstip in bij de (beoogde) moeder van
de nieuwe fiscale eenheid, voor hetzelfde bedrag als bij de oude fiscale eenheid zonder
goedkeuring.
d. Belastingplichtigen aanvaarden deze voorwaarden en bevestigen dit binnen twee maanden
schriftelijk aan de bevoegde inspecteur.
1969 bij liquidatie overdrager; kleinere fiscale eenheid mogelijk’
Wet: art. 15ai, art. 15aa, art. 15ae Wet Vpb 1969
Gerechtshof Den Haag vindt dat de standpuntbrief van de inspecteur over het einde De tandarts exploiteert tot eind 2017 een tandartspraktijk via een bv en verkoopt Geen bezwaar tegen de standpuntbrief In het belastingrecht kan alleen worden geprocedeerd tegen een aanslag of tegen een Geen bron van inkomen in 2020 Voor een bron van inkomen is niet alleen deelname aan het economisch verkeer en een Bron: Hof Den Haag 29-10-2025 (gepubl. 22-12-2025), ECLI:NL:GHDHA:2025:2403
van de bron van inkomen geen besluit is waartegen bezwaar openstaat. Omdat de tandarts
in 2020 geen objectieve winstverwachting aannemelijk maakt, mag zij het verlies uit
haar eenmanszaak niet aftrekken.
die praktijk om tijd en geld vrij te maken voor een eigen methode om mensen met tandartsangst
met behulp van paarden te behandelen. Vanaf 2015 voert zij die behandelingen via een
eenmanszaak uit; de samenwerking met de koper van de praktijk eindigt in 2019. De
eenmanszaak beschikt over een therapeutisch centrum en een locatie in het buitenland
waar de paarden vanaf 2019 staan. Door Covid-19 verblijft de tandarts in 2020 in het
buitenland en schrijft zij een boek over haar methode. De omzet blijft laag en de
resultaten zijn al jaren negatief. De inspecteur wijkt bij de aanslag IB/PVV 2020
van de aangifte af en zet het ondernemingsverlies op nihil. In geschil is of tegen
zijn aankondigende brief bezwaar mogelijk is en of de activiteiten in 2020 een bron
van inkomen vormen.
beschikking die de wet uitdrukkelijk ‘voor bezwaar vatbaar’ noemt. De brief van 14
augustus 2023 is vooral een waarschuwing dat de inspecteur bij de aanslag 2020 van
de aangifte gaat afwijken. Ook als die brief als ‘besluit’ wordt gelezen, is dat nog
geen beschikking die voor bezwaar vatbaar is. De mededeling dat bezwaar kan worden
gemaakt, ziet volgens het hof op het aanslagbiljet dat later volgt, niet op de brief
zelf. Daarom is het bezwaar tegen de brief terecht niet-ontvankelijk en is er op dat
punt geen hoorplicht. Wel legt de inspecteur het dossier vóór het hoorgesprek niet
ter inzage. Het hof passeert die schending van het inzagerecht, omdat de tandarts
niet laat zien dat zij daardoor inhoudelijk is benadeeld. Een dwangsom komt niet in
beeld zonder ingebrekestelling.
winststreven nodig, maar ook een objectieve verwachting dat binnen een redelijke termijn
winst is te behalen. Omdat de tandarts in 2020 een verlies uit onderneming wil aftrekken,
moet zij aannemelijk maken dat toen een reële winstverwachting bestond. Dat lukt niet.
De eenmanszaak lijdt structureel verlies en ook na 2020 blijven de resultaten negatief.
De tandarts beschrijft wel het opbrengstpotentieel (sessies, trajecten, eventueel
licenties en opleidingen), maar zij concretiseert niet hoe zij dat omzet in klanten
en omzet: acquisitie, samenwerkingen en marketing blijven te vaag. Een merkregistratie,
de boekpublicatie, het S-curve-innovatiemodel en corona zijn zonder onderbouwing onvoldoende
om de structurele verliessituatie te doorbreken. Het hof laat het verlies daarom buiten
beschouwing en verklaart het hoger beroep ongegrond; de inspecteur vergoedt wel het
griffierecht van € 193.
Wet: art. 26 AWR; art. 6:10, art. 6:22, art. 6:24, art. 7:1, art. 7:2, art. 7:3 en art. 7:4 Awb
De Tweede Kamer heeft een motie aangenomen met als strekking de handhavingsstrategie Minister Paul kondigde onlangs aan in een Kamerbrief dat de zachte landing met ingang van 1 januari 2026 verdwijnt. Motie over bij handhaving het opleggen van verzuimboetes zoveel mogelijk vermijden Motie over het handhavingsplan arbeidsrelaties aanpassen zodat handhaving in 2026 Motie over nagaan of het tijdelijk niet opleggen van verzuimboetes en het blijven Bron: TK 18-12-2025, ‘Moties ingediend bij het tweeminutendebat Zzp’
zachte landing bij de aanpak van schijnzelfstandigheid tenminste te verlengen tot
en met 31 maart 2026.
Ook de volgende moties zijn aangenomen:
en de voorkeur geven aan bedrijfsbezoeken boven boekenonderzoeken
wordt gericht op probleemgevallen met verhoogd risico op gedwongen zelfstandigheid,
onderbetaling, evidente schijnzelfstandigen en arbeidsmigratieconstructies
starten met bedrijfsbezoeken in plaats van boekenonderzoek geen gevolgen heeft voor
de toekenning van middelen uit het Herstel- en Veerkrachtplan.
Wet: art. 1a Wet LB 1964
Het hof laat de WOZ-waarde van € 402.000 in stand, omdat de heffingsambtenaar mag Een man bezit een bovenwoning uit 1916 van circa 44 m². De heffingsambtenaar stelt erechtshof Amsterdam volgt de rechtbank: als iemand kort vóór of na de waardepeildatum Voor de meerderheidsregel moet de man aantonen dat minstens twee (nagenoeg) identieke Bron: Hof Amsterdam 07-10-2025 (gepubl. 18-12-2025), ECLI:NL:GHAMS:2025:3334
leunen op de (gecorrigeerde en geïndexeerde) koopsom uit 2021. Ook het beroep op de
meerderheidsregel faalt: de andere appartementen in het pand zijn niet (nagenoeg)
identiek.
de WOZ-waarde voor 2023 (waardepeildatum 1 januari 2022) op € 402.000. In het taxatierapport
staat het eigen verkoopcijfer centraal: de woning gaat op 12 juli 2021 voor € 385.000
van de hand. De heffingsambtenaar trekt daar 2% voor de bijdrage aan de vve vanaf
en indexeert de uitkomst naar de peildatum. De man zegt dat hij in 2021 móést overbieden
door een oververhitte markt en dat de gemeente daarom niet op de koopsom maar op de
vraagprijs had moeten varen. Ook wijst hij op drie appartementen in hetzelfde pand
met lagere WOZ-waarden en vraagt hij om verlaging via het gelijkheidsbeginsel (meerderheidsregel).
De vraag is of € 402.000 te hoog is en of die lagere burenwaardes hem kunnen helpen.Koopsom blijft de beste aanwijzing
koopt, is de betaalde koopsom meestal de beste aanwijzing voor de waarde in het economische
verkeer. Daarom mag de heffingsambtenaar de WOZ-waarde primair baseren op het eigen
verkoopcijfer van de woning. Dat de man boven de vraagprijs heeft geboden, maakt de
koopsom niet ‘onbetrouwbaar’. Een overspannen markt zit juist ín de prijs: de waarde
is wat de meestbiedende koper betaalt, zolang de verkoop normaal tot stand komt door
vraag en aanbod. De heffingsambtenaar onderbouwt bovendien hoe hij van € 385.000 naar
€ 402.000 komt (vve-correctie en indexatie naar 1 januari 2022). De man komt niet
met concrete omstandigheden waaruit blijkt dat deze transactie de werkelijke marktwaarde
niet weerspiegelt. Het hof vindt daarom dat de heffingsambtenaar voldoende laat zien
dat de WOZ-waarde voor 2023 niet te hoog is.Meerderheidsregel haalt het niet
woningen met slechts verwaarloosbare verschillen lager zijn gewaardeerd. Na de zitting
komt de heffingsambtenaar met meetgegevens en bouwtekeningen: de vergelijkbare appartementen
zijn 42 m², 44 m² en 45 m². Ook de kwaliteit loopt uiteen van ‘matig’ naar ‘goed’
en ‘gemiddeld’. Volgens de verkoopinformatie is één appartement bovendien volledig
gerenoveerd en instapklaar, wat een hogere waardering verklaart. De man betwist de
m²-verschillen niet en neemt de kwaliteitsverschillen niet weg. Daarom zijn de appartementen
niet (nagenoeg) identiek en strandt het beroep op het gelijkheidsbeginsel. Zelfs als
één appartement incidenteel te laag is gewaardeerd, is één zo’n afwijking nog geen
‘meerderheid’. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Wet: art. 17 lid 2 en art. 22 Wet WOZ
De vrouw kan haar zorg- en scholingskosten over 2016 niet meer bewijzen en verliest De vrouw dient haar aangifte IB/PVV 2016 in met een aftrek voor specifieke zorgkosten Geen bewijs, dus geen aftrek Wie persoonsgebonden aftrek wil, moet kunnen laten zien dat de kosten in het juiste € 5.000 door te lange duur Ondanks dat de vrouw inhoudelijk verliest, krijgt zij wel immateriële schadevergoeding Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 10-12-2025 2025 (gepubl.17-12-2025), ECLI:NL:RBZWB:2025:8779
daardoor de persoonsgebonden aftrek. Wel krijgt zij € 5.000 immateriële schadevergoeding
omdat haar bezwaar en beroep veel te lang hebben geduurd.
van € 3.689 en scholingsuitgaven van € 6.426. De inspecteur vraagt in juli 2018 om
extra informatie en kondigt in maart 2019 aan dat hij wil afwijken van de aangifte.
Op 30 april 2019 legt hij de definitieve aanslag op naar een belastbaar inkomen uit
werk en woning van € 36.213. De vrouw maakt op 8 juni 2019 digitaal bezwaar. In de
systemen van de inspecteur staat de behandeling van het bezwaar op enig moment ten
onrechte als ‘afgebroken’ geregistreerd. Na een melding van de vrouw start de inspecteur
de behandeling opnieuw op. Uiteindelijk belandt de zaak bij Rechtbank Zeeland‑West‑Brabant.
De kern van het geschil: heeft de vrouw nog recht op de opgevoerde persoonsgebonden
aftrek?
jaar zijn gemaakt, dat ze op haar drukken en dat ze binnen de aftrekregels vallen.
Als de inspecteur de opgevoerde kosten gemotiveerd betwist, moet de belastingplichtige
die kosten aannemelijk maken. De vrouw zegt dat haar bewijsstukken tijdens verhuizingen
zijn zoekgeraakt en dat zij daarom niets meer kan overleggen. Juist omdat er voor
2016 ‘vrijwel geen bewijs’ is, vindt de rechtbank dat zij niet aan haar bewijslast
voldoet. De rechtbank laat de aftrek voor zorgkosten en scholingsuitgaven daarom vervallen
en laat de aanslag IB/PVV 2016 in stand.
wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank rekent vanaf ontvangst
van het bezwaarschrift (8 juni 2019) tot haar uitspraak (10 december 2025) en ziet
dat de redelijke termijn van twee jaar met afgerond 55 maanden is overschreden. Bij
€ 500 per half jaar overschrijding komt de vergoeding uit op € 5.000. Omdat vooral
de bezwaarfase uitloopt, komt € 4.727 voor rekening van de inspecteur en € 273 voor
rekening van de Staat. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, maar veroordeelt
beide partijen wel tot betaling van hun deel van de schadevergoeding.
Wet: art. 6.1, 6.17 en 6.27 (oud) Wet IB 2001