Inloggen

Archief

Eerste Kamer neemt pakket Belastingplan 2026 aan

De Eerste Kamer heeft dinsdag 16 december het pakket Belastingplan 2026 aangenomen.
Alle wetsvoorstellen zijn aangenomen. Ook zijn vijf moties aangenomen.

Tijdens het debat is uitgebreid gesproken over de amendementen die de Tweede Kamer
heeft aangenomen en die de belastingplannen hebben gewijzigd. De meningen over de
inhoud van deze amendementen liepen uiteen, maar veel partijen waren het erover eens
dat de effecten van de wijzigingen niet altijd even goed zijn doordacht. Het gaat
onder meer om de aanpassing van de youngtimerregeling, de verhoging van de brandstofaccijnzen
ten gunste van investeringen in het openbaar vervoer en de versnelde afbouw van de
Wet Hillen, de fiscale regeling waarmee huiseigenaren met een (bijna) afgeloste hypotheek
werden vrijgesteld van belastingheffing over het eigenwoningforfait.
Ook de herziening van het gehele belastingstelsel, en in het bijzonder het toeslagenstelsel,
kwam aan de orde. De Eerste Kamer vraagt hier al langere tijd om, maar ziet nog geen
concrete voortgang. Staatssecretaris Heijnen benadrukte dat er ingrijpende keuzes
nodig zijn waarvoor breed maatschappelijk draagvlak vereist is. Het demissionaire
kabinet vindt het niet aan zichzelf om deze keuzes te maken of noodzakelijke stappen
te zetten.

Aangenomen moties

  • motie over een definitie voor complexiteit van het belastingstelsel.

  • motie over eenduidige en inzichtelijke verantwoording van belastingopbrengsten.

  • motie over een deugdelijke dekking in de Voorjaarsnota 2026.

  • motie over het behouden van meer elektrische voertuigen voor de Nederlandse tweedehandsmarkt.

  • motie over niet beoogde meeropbrengsten youngtimerregeling terugsluizen.

Bron: EK 16-12-2026, ‘Pakket Belastingplan 2026 aangenomen

Woonruimte in bedrijfspand maakt man in 2015 binnenlands belastingplichtig

Een man die zegt al decennia buiten Nederland te wonen, woont volgens Gerechtshof
’s‑Hertogenbosch in 2015 toch in Nederland. Daardoor mag de inspecteur zijn wereldinkomen
belasten, al gaat box 3 wel flink omlaag.

De man (1936) is sinds 1979 niet meer in Nederland ingeschreven en zegt dat hij op
de Filipijnen woont. Hij handelt internationaal in (onder meer) militair materieel
en reist veel. In Nederland houdt hij (middellijk) alle aandelen in een bv met handel
in militaire voertuigen/onderdelen en in een bv die eigenaar is van het bedrijfspand.
In dat pand zit een ingerichte verblijfsruimte (met zit-, slaap- en badkamer) waar
hij in de maanden maart/april tot augustus/september geregeld verblijft en soms overnacht.
Daarnaast gebruikt hij een Duitse vakantiewoning (van zijn zakenpartner) en heeft
hij op de Filipijnen woonruimte. Partijen twisten of hij in 2015 in Nederland woont
(nationaal én volgens verdragen) en of de aanslag IB/PVV 2015 niet te hoog is.

Woonplaats: band met Nederland Het hof vindt dat de inspecteur aannemelijk maakt dat de man in 2015 een duurzame
persoonlijke band met Nederland heeft. Belangrijk is dat hij in Nederland duurzaam
woonruimte tot zijn beschikking heeft in het bedrijfspand en daar in de relevante
maanden ook daadwerkelijk verblijft. Daarnaast wegen zijn Nederlandse nationaliteit,
familiebanden in Nederland en zijn economische banden zwaar mee (aandelen en activiteiten
via Nederlandse vennootschappen). Dat hij óók in Duitsland en op de Filipijnen verblijft,
sluit een woonplaats in Nederland niet uit: de band met Nederland hoeft niet sterker
te zijn dan met een ander land. Ook de belastingverdragen helpen hem niet. Zelfs als
je aanneemt dat hij ook ‘inwoner’ is van de Filipijnen, ligt het middelpunt van zijn
levensbelangen volgens het hof in Nederland; voor Duitsland komt het hof onder het
oude verdrag tot dezelfde uitkomst.

Box 1/3: geen omkering, wel correcties De man doet een nihilaangifte. Toch krijgt de inspecteur géén omkering/verzwaring
van de bewijslast: het hof vindt niet bewezen dat de man wist (of moest weten) dat
hij door die aangifte een aanzienlijk bedrag aan belasting zou missen, gezien zijn
verspreide verblijf en beperkte fiscale kennis. Voor de inhoud gaat het hof wel mee
met een deel van de correcties. Het hof gelooft dat de man werkzaamheden verricht
voor de Nederlandse handelsonderneming, maar ziet geen dienstbetrekking (geen gezagsverhouding).
Het inkomen in box 1 wordt daarom resultaat uit overige werkzaamheden: € 76.297 (afgeleid
uit twee stortingen in 2015). Box 3 valt juist lager uit: het vermogensrapport waar
de inspecteur op leunt is te onzeker. Het hof sluit aan bij de eigen (eerdere) verklaring
van de man en stelt zijn bezittingen op € 6.000.000; dat geeft een box‑3‑inkomen van
€ 239.146. Via interne compensatie komt de aanslag uit op box 1 € 76.297 en box 3
€ 239.146 (belastingrente evenredig).

Bron: Hof Den Bosch, 10-12-2025 (gepubl. 16-12-2025), ECLI:NL:GHSHE:2025:3509
Wetgeving: art. 4 en art. 55 AWR, art. 2.1, art. 3.90 Wet IB 2001 en art. 5.2 Wet IB 2001, art. 8 EVRM

Nieuwe aanpak regeldruk voor ondernemers krijgt vorm

Het kabinet wil de regeldruk voor ondernemers fors terugdringen en heeft daarvoor
een kabinetsbrede, minder vrijblijvende aanpak opgezet. Minister Karremans presenteert
een eerste tussenstand van dit ‘aanvalsplan’ om honderden regels te schrappen of te
vereenvoudigen.

Bij het ministerie van Financiën worden onder meer de volgende regelingen genoemd.

  1. Btw-registratie in EU-lidstaten bij levering van diensten/goederen aan EU-consumenten.

  2. Het indienen van een verklaring voor fictieve dienstbetrekkingen bij de Belastingdienst
    .

  3. Het per post moeten versturen van formulieren naar de Belastingdienst .

  4. Het registreren en aangeven van autobelastingen.

  5. Informatieverstrekking over duurzaamheid in de financiële sector.

  6. Naleven van 30%-regeling voor buitenlandse werknemers.

  7. Rapportage over duurzaamheid (Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD))

  8. Vergunningplicht voor cryptoactiva die ook als beleggingsobject kunnen worden aangemerkt
    (Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft)).

  9. Voldoen aan anti-witwasregels.

  10. Voldoen aan de eisen van de doorschuifregeling in de inkomstenbelasting (DSR).

De komende maanden zal het kabinet werken aan het schrappen en administratief luwer
maken van de regels die reeds in kaart zijn gebracht en doorwerken aan het in kaart
brengen van meer regels om het target van 500 te halen. Het verminderen van regeldruk
kan op verschillende manieren. Regels die niet langer noodzakelijk zijn of proportioneel
worden geacht, worden gedeeltelijk of volledig geschrapt. Bij andere regels wordt
de doelgroep verkleind door het mkb of andere groepen vrij te stellen. Sommige verplichtingen
hoeven minder vaak te worden uitgevoerd of termijnen worden verlengd, zodat ondernemers
meer ademruimte krijgen. Waar dat kan, worden regels vereenvoudigd, gestroomlijnd
en gestandaardiseerd

Bron: MvF 15-12-2025, nr. DGBI-O / 102323242

Geen herinvesteringsreserve zonder concreet voornemen bij verkoop onderneming

Een bv die haar onderneming verkoopt, mag alleen een herinvesteringsreserve vormen
als zij aannemelijk maakt dat zij op de balansdatum een concreet voornemen tot herinvestering
heeft.

De bv is in 2018 opgericht en heeft daarin een assurantiekantoor ingebracht. In 2019
verkoopt zij deze onderneming aan een coöperatie voor ruim € 900.000. In de aangifte
Vpb 2019 vormt de bv een herinvesteringsreserve (HIR) voor de volledige verkoopwinst.
De inspecteur accepteert dit niet en verhoogt de winst. De bv stelt dat zij het voornemen
had om te participeren in een andere onderneming. De directeur van de bv heeft hiertoe
in oktober 2020 in privé een overeenkomst van opdracht gesloten met een financieel
adviesbureau. De inspecteur stelt dat op de balansdatum 31 december 2019 geen concreet
voornemen bestond. Het geschil bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant gaat over de vraag
of de dotatie aan de HIR terecht is geweigerd.

Voornemen niet aannemelijk De rechtbank oordeelt dat de bv niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij op 31 december
2019 een concreet voornemen had om te herinvesteren. Dat de directeur nog niet financieel
onafhankelijk was en een beperkt concurrentiebeding had afgesproken, is onvoldoende
bewijs. De overeenkomst van opdracht helpt de bv ook niet. Deze is namelijk pas in
oktober 2020 gesloten door de directeur in privé en rept met geen woord over een mogelijke
participatie. Pas in een verklaring van september 2022, opgesteld nadat de inspecteur
kritische vragen stelde, wordt voor het eerst gesproken over een participatiemogelijkheid.
Uit de stukken blijkt bovendien dat partijen pas in 2022 daadwerkelijk over participatie
hebben gesproken. Omdat een voornemen op de balansdatum ontbreekt, is het beroep ongegrond.

Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 08-12-2025 (gepubl. 16-12-2025), ECLI:NL:RBZWB:2025:8593
Wet: art. 3.54 Wet IB 2001 jo. art. 8 Wet Vpb 1969

Ingrijpende aanpassingen arbeidsongeschiktheidsstelsel noodzakelijk

Het arbeidsongeschiktheidsstelsel zit vast. Doorgaan op dezelfde weg is geen optie.
Er zijn dringend ingrijpende veranderingen nodig in uitvoering én in wet- en regelgeving.
Dat blijkt uit het Interdepartementale Beleidsonderzoek (IBO) over de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).

In ‘Werk aan de WIA – naar een stelsel dat weer werkt’ adviseren onderzoekers onder
meer om sociaal-medische beoordelingen niet langer alleen door verzekeringsartsen
te laten doen en strengere voorwaarden te stellen aan verzoeken om herbeoordeling.
Ook valt het advies om de IVA-uitkering voor nieuwe gevallen af te schaffen, omdat
de beoordeling daarvoor te complex en tijdrovend is.
Volgens de onderzoekers zijn aanpassingen noodzakelijk door de stijgende WIA-instroom,
sterk oplopende achterstanden en structurele tekortkomingen in het stelsel. Deze problemen
versterken elkaar, zorgen voor langere onzekerheid voor mensen en leiden tot hoge
maatschappelijke kosten.

Stijgende instroom De afgelopen tien jaar zijn ziekteverzuim en WIA-instroom fors toegenomen. Het ziekteverzuim
ligt ruim boven de 5 procent, vergelijkbaar met het begin van deze eeuw. Jaarlijks
stromen meer dan 60.000 mensen de WIA in; rond de invoering waren dat circa 35.000.
De kans dat een werkende in de WIA terechtkomt is nu twee keer zo groot als vlak na
2006. Het aandeel uitkeringen voor volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid (IVA)
steeg van 20% naar 40%. In totaal ontvangen 600.000 mensen een WIA-uitkering, ongeveer
één op de dertien verzekerde werknemers.
De hogere instroom hangt deels samen met het langer doorwerken van oudere werknemers,
door de hogere pensioenleeftijd en minder mogelijkheden voor vroegpensioen. De gemiddelde
leeftijd van de beroepsbevolking ligt hoger en aanvragen van 60-plussers worden beperkt
getoetst. Meer dan 40% van de instroom hangt samen met psychische aandoeningen, relatief
vaak bij jongeren en vrouwen, wat past in een bredere maatschappelijke trend die ook
in andere landen zichtbaar is.

Oplopende wachtlijsten Zonder extra maatregelen kunnen de achterstanden bij UWV in 2030 oplopen tot bijna
200.000 wachtenden, met gemiddelde wachttijden van ongeveer drie jaar. Dat wordt maatschappelijk
onaanvaardbaar genoemd. Oorzaken zijn de toenemende instroom, de complexiteit van
beoordelingen en het tekort aan verzekeringsartsen. Het aantal verzekeringsartsen
zal naar verwachting niet stijgen, maar eerder dalen, waardoor wachttijden blijven
oplopen.

Minimaal basispakket aan maatregelen Het IBO schetst een basispakket van maatregelen om de druk op de uitvoering te verlagen
en de kwaliteit te verbeteren, waar een nieuw kabinet mee verder moet. Verzekeringsartsen
moeten gerichter worden ingezet; een deel van hun taken kan en moet naar andere professionals.
Onnodige herbeoordelingen moeten worden voorkomen door werkgevers (of hun dienstverleners)
te verplichten een verzoek inhoudelijk te onderbouwen of te laten betalen voor een
herbeoordeling door UWV.
Daarnaast zou de aparte uitkering voor blijvend volledig arbeidsongeschikten (IVA)
moeten verdwijnen. Deze groep krijgt dan een WGA-uitkering, net als anderen die volledig
arbeidsongeschikt zijn. Voor een IVA-uitkering moeten verzekeringsartsen nu beoordelen
en onderbouwen dat iemand blijvend niet meer kan werken; dat is complex en tijdrovend.
Afschaffing beperkt het aantal herbeoordelingsverzoeken en verbetert de financiële
houdbaarheid. Ook preventie en activering moeten sterker naar voren komen, bijvoorbeeld
via strenger toezicht, meer ondersteuning bij re-integratie vanuit de WIA en betere
hulp aan werkgevers bij het opnieuw in dienst nemen van gedeeltelijk arbeidsongeschikten.

Aanvullende beleidsopties en afgeraden beleid Naast het basispakket zijn vijftien aanvullende maatregelen uitgewerkt waar politiek
over kan besluiten, variërend van aanpassingen binnen het stelsel tot meer fundamentele
wijzigingen. Voorbeelden zijn het centraal stellen van werkhervatting, of het loslaten
van de koppeling tussen uitkering en vroegere loonhoogte en het maximeren van de uitkering
op het niveau van het minimumloon. Dat laatste zou neer komen op een ingrijpende verandering
van de sociale zekerheid.
Het IBO raadt af om de loondoorbetaling bij ziekte voor werkgevers terug te brengen
van twee naar één jaar. Deze verplichting wordt “een van de krachtigste en meest succesvolle
maatregelen” genoemd om ziekteverzuim en daaropvolgende arbeidsongeschiktheid te beperken.
Verkorting naar één jaar zou leiden tot hogere wachtlijsten, meer instroom in de WIA
en hogere kosten. Bovendien re-integreren veel mensen in het tweede ziektejaar nog
bij hun werkgever, terwijl terugkeer naar werk vanuit een uitkering aanzienlijk lastiger
is.

Bron: Ministerie SZW 12-12-2025, ‘Ingrijpende aanpassingen van arbeidsongeschiktheidsstelsel noodzakelijk

© lArcade 2026