Het begrip ‘zakelijke overwegingen’ als voorwaarde voor de juridische fusie vrijstelling overdrachtsbelasting is niet eenvoudig te definiëren. De feiten en omstandigheden spelen een belangrijke rol.
Twee bv´s exploiteerden in firmaverband (vof) een damesmode- en babykledingwinkel. In 2016 vond tussen beide vennootschappen een juridische fusie plaats waarbij een verhuurd winkelpand onder algemene titel overging. De verkrijgende bv deed ter zake van het overgegane pand aangifte overdrachtsbelasting. Zij maakte vervolgens bezwaar tegen deze voldoening op aangifte en vroeg om toepassing van de vrijstelling van overdrachtsbelasting wegens fusie.
De inspecteur wees toepassing van de vrijstelling af. Hij was van mening dat niet voldaan was aan de eis dat de fusie hoofdzakelijk had plaatsgevonden op grond van zakelijke overwegingen. De bv voerde aan dat de vennootschapsstructuur door de fusie vereenvoudigd was (onroerend goed na fusie in één vennootschap); de fusie een besparing van kosten heeft opgeleverd (minder jaarrekeningen en aangiften vennootschapsbelasting); de exploitatie van onroerend goed en de participatie in andere ondernemingen efficiënter konden worden uitgevoerd; en door de fusie de administratie eenvoudiger was geworden (minder onderlinge vorderingen en schulden en minder aangiften omzetbelasting). Volgens Rechtbank Den Haag maakt de bv hiermee niet aannemelijk dat er hoofdzakelijk zakelijke overwegingen aan de juridische fusie ten grondslag liggen. Het vermogen van de verdwijnende bv bestond voor de fusie alleen nog uit een pand dat feitelijk door de verkrijgende bv werd verhuurd. Het enkele resultaat van de fusie is dan dat het verhuurde pand wordt overgedragen en dat de andere bv verdwijnt. Het feit dat de juridische fusiefaciliteit voor de vennootschapsbelasting op basis van dezelfde zakelijke overwegingen wel van toepassing zou zijn geweest terwijl de juridische fusiefaciliteit voor de overdrachtsbelasting niet van toepassing is, is niet in strijd met het streven van de wetgever naar gelijke criteria voor toepassing van fiscale faciliteiten in verschillende belastingen bij juridische fusie.
Bron: Rb. Den Haag, 25-01-2018 (publ. 8-03-2018)
De Belastingdienst heeft op 9 maart de nieuwe editie van het Handboek Loonheffingen gepubliceerd.
Het Handboek Loonheffingen 2018 is net als voorgaande jaren online te raadplegen. De pdf-versie van het Handboek Loonheffingen volgt nog.
Tevens is een vierde editie van de Nieuwsbrief Loonheffingen 2018 gepubliceerd. In deze editie zijn drie onderwerpen toegevoegd:
lage percentage sectorpremie: verruiming, verduidelijking en wijziging van het gebruik;
afkoopkortingen in 2018 bij afkoop pensioen in eigen beheer;
bedragen lage-inkomensvoordeel 2018.
Deze toevoegingen zijn ook verwerkt in het Handboek Loonheffingen.
Bron: Belastingdienst 9-03-2018
Vrouwelijke zelfstandigen die tussen 7 mei 2005 en 4 juni 2008 zijn bevallen, kunnen vanaf 15 mei 2018 een compensatie aanvragen bij het UWV. De aanvraagperiode loopt tot 1 oktober 2018.
Door een wijziging in de Wet arbeid en zorg (Wazo) verviel in mei 2005 de publieke zwangerschaps- en bevallingsuitkering voor zelfstandigen. Vanaf juni 2008 kregen zij via de Wet zwangerschaps- en bevallingsuitkering zelfstandigen (ZEZ) opnieuw recht op een uitkering gedurende tenminste 16 weken. Enkele vrouwen die in de tussenliggende jaren bevielen van een kind, vonden het onterecht dat zij geen beroep konden doen op een publieke zwangerschaps- en bevallingsuitkering en stapten naar de rechter. De afgelopen jaren heeft dit tot verschillende uitspraken geleid. Zo stelde de Hoge Raad in 2011 de vrouwen in het ongelijk, maar de rechtbank Midden-Nederland kwam in 2016 tot een ander oordeel. Na een tussenuitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in juli vorig jaar is besloten een compensatieregeling te treffen.
Naar schatting zo’n 20.000 vrouwen kunnen daarom vanaf 15 mei 2018 een aanvraag doen voor een compensatie van € 5.600 bruto. De compensatie wordt vanaf 1 januari 2019 uitgekeerd. Bij het uitwerken van de regeling bleek dit nodig om redenen van zorgvuldigheid. De zwangerschaps- en bevallingsuitkering is een inkomensvoorziening, hierdoor telt de compensatie op bij het (gezins) inkomen van de vrouwen. Dit kan gevolgen hebben voor toeslagen, zoals huur- en zorgtoeslag. Om terugvorderingen zoveel mogelijk te voorkomen, wordt de compensatie in het nieuwe belastingjaar uitgekeerd. Vrouwen kunnen dan tijdig de extra inkomsten doorgeven aan de Belastingdienst.
Daarnaast is de aanvraagperiode verruimd van drie naar vierenhalve maand.
Bron: Min SZW 8-03-2018
Minister Hoekstra van Financiën wil de handel in cryptomunten reguleren om hiermee oneigenlijk gebruik aan te pakken.
Dit schrijft hij in een brief aan de Tweede Kamer. Vanwege het grensoverschrijdend karakter van de handel in cryptovaluta is een internationale aanpak nodig. Deze aanpak moet nog vorm krijgen maar de discussies daarover zijn gestart. Om witwassen via cryptocurrency's moeilijker te maken, wil Hoekstra cryptobeurzen en bedrijven die wallets aanbieden onder Europese regels laten vallen die bijvoorbeeld ook voor banken gelden. Dat zou betekenen dat deze bedrijven moeten onderzoeken wie hun klanten zijn, onder meer door het vragen van een identiteitsbewijs. Daarnaast moeten de bedrijven verdachte transacties melden. Die regels zullen eind 2019 van kracht worden, hoopt Hoekstra.
Een verbod op de handel in cryptocurrency's ligt niet voor de hand, vooral vanwege het grensoverschrijdende en decentrale karakter ervan. Hoekstra verwacht in de tweede helft van 2018 een update te kunnen sturen.
Bron: MvF 8-03-2018
Na beëindiging van zijn vijfde interim opdracht bij een opdrachtgever, stelt de opdrachtnemer dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst. Maar hetgeen partijen contractueel hadden vastgelegd en hoe zij daaraan uitvoering hadden gegeven maken zijn stelling niet erg aannemelijk. Temeer daar hij tussentijds het aanbod om de overeenkomst om te zetten in een dienstbetrekking nadrukkelijk had afgewezen.
Een zelfstandige consultant was sinds 1999 met zijn eenmanszaak in het Handelsregister ingeschreven. Zijn onderneming hield zich bezig met organisatieadvies, interim management en trainingen op het gebied van ondernemen. De consultant nam eind 2012 een interim opdracht aan om voor een kwaliteitscontrolebureau voor de agrarische sector te werken als rayonmanager. Deze overeenkomst ging hij een aantal malen opnieuw aan. In de laatste, vijfde overeenkomst was nadrukkelijk vastgelegd dat partijen een overeenkomst van opdracht aangingen en geen arbeidsovereenkomst beoogden. In de overeenkomsten was vastgelegd dat de rayonmanager een vast aantal dagen voor de opdrachtgever werkte. Nevenactiviteiten waren nadrukkelijk toegestaan. De consultant beschikte over een VAR-wuo.
Tijdens de vijfde en laatste opdrachtperiode werd het duidelijk dat de opdrachtgever de opdracht niet wilde voortzetten en dat de interimopdracht per 30 november 2016 van rechtswege zou eindigen. De consultant vordert daarop doorbetaling van zijn loon (€ 8.312 per maand, excl. btw, vermeerderd met wettelijke rente) tot het moment dat zijn arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal eindigen en vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter wees zijn vorderingen af omdat er eenvoudigweg geen sprake was van een arbeidsovereenkomst. En ook bij Hof Amsterdam vindt de consultant voor zijn argumenten geen gehoor. Voor het hof spelen zwaar de bedoelingen van de partijen zoals blijkt uit de overeenkomsten en hoe daaraan uitvoering is gegeven. Zo heeft de rayonmanager maandelijks vanuit zijn eenmanszaak een vast bedrag vermeerderd met btw gefactureerd. Naar de Belastingdienst heeft hij zich als ondernemer gepresenteerd en telkens gebruik gemaakt van de ondernemersfaciliteiten. Een aantal malen is in die jaren bij contractbesprekingen door de opdrachtgever zelfs aangegeven dat een arbeidsovereenkomst tot de mogelijkheden behoorde. Maar daar was de consultant om fiscale redenen niet op ingegaan.
Bron: Hof Amsterdam 30-01-2018 (publ.5-03-2018)