De Inspectie SZW moet niet boetes vooropstellen maar het verbeteren van de werkwijze in bedrijven. Dat zegt VNO-NCW in reactie op berichten dat de inspectie de afgelopen jaren onterechte en te hoge boetes heeft gegeven aan vooral ondernemers in het MKB. De Inspectie SZW hanteert sinds 2013 een hardere fraudeaanpak.
Uit het jaarverslag 2019 blijkt dat ongeveer 15% van de boetes na bezwaar helemaal of deels moest worden terugbetaald. Veel ondernemers zien af van het maken van bezwaar vanwege de langdurige procedure en de administratieve lasten.
Bij de boetes gaat het om situaties die niet allemaal door de werkgever kunnen worden voorzien. Werknemers gaan dan ‘vrijuit’, terwijl de werkgever voor (tien)duizenden euro’s aan boetes krijgt opgelegd. Een probleem voor met name het MKB is ook dat wet- en regelgeving complex is en in een aantal gevallen te veel verantwoordelijkheid legt bij werkgevers. De inspectie zou naast toezicht houden en handhaven werkgevers hulp moeten bieden bij de naleving van regels.
Bron: VNO-NCW.nl, 20-10-2020
De berekening van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek bij samenwerkingsverbanden is een onderwerp waarover al diverse fiscale beroepsprocedures zijn gevoerd. Deze zaken weerhouden Hof Den Haag er niet van om deze aftrek naar winstgerechtigdheid te verdelen.
Twee vennoten drijven een onderneming in de vorm van een VOF. Ieder is gerechtigd tot de helft van de winst uit die VOF. In 2016 heeft de VOF in totaal € 128.018 geïnvesteerd. Volgens de toen geldende tabel levert dat een kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) op van € 13.852. In hun aangiften inkomstenbelasting stellen de vennoten hun aandeel in de KIA op € 6.928. Dat is dus de helft van de KIA plus een afrondingsverschil. De vennoten gaan echter in bezwaar tegen de aanslag die is vastgesteld aan de hand van hun eigen aangiftes. Zij stellen dat de gerechtigdheid van een vennoot tot de winst of vermogen van de vof geen rol speelt bij de KIA-berekening. Zij verwijzen daarvoor naar een arrest van de Hoge Raad van 24 mei 2019. De vennoten halen uit dat arrest dat zij beiden 100% van de berekende KIA mogen opgeven.
Het hof stelt dat men de KIA niet per samenwerkingsverband moet berekenen en vaststellen, maar per belastingplichtige ondernemer. Maakt de onderneming van de belastingplichtige deel uit van een samenwerkingsverband met een of meer andere belastingplichtigen? Dan moet een samentelling van de investeringen plaatsvinden. Vervolgens dient een vennoot zijn KIA-aandeel te berekenen aan de hand van een percentage. Dit percentage berekent hij door het bedrag van de totale KIA te delen door het totale investeringsbedrag. Dit percentage vermenigvuldigt de vennoot ten slotte met zijn eigen aandeel in de investeringen om zijn KIA te berekenen. Dit blijkt ook uit het arrest van de Hoge Raad van 1 mei 2020. Het hof verklaart dan ook de beroepsschriften van de vennoten ongegrond.
Bron: Hof Den Haag 06-10-2020
Neemt een dga jarenlang geld op van zijn rekening-courant bij zijn bv om zijn uitgaven van levensonderhoud en belastingschulden te betalen? En heeft hij daarnaast nauwelijks inkomen uit werk en woning? Dan zal de fiscus deze de opnamen waarschijnlijk bestempelen als verkapte dividenden.
Een dga heeft bij zijn holding een rekening-courantschuld (rc-schuld). Deze schuld is in de periode van 1 januari 2011 tot 1 januari 2017 opgelopen met ruim € 0,6 miljoen. De dga en zijn bv hebben geen leningsvoorwaarden of zekerheidstelling overeengekomen. De dga gebruikt het van de rc opgenomen geld voor zijn levensonderhoud en het betalen van belastingschulden. Behalve inkomen uit eigen woning heeft hij geen inkomen uit werk en woning. De Belastingdienst meent dat de dga over de jaren 2014 tot en met 2015 verkapte dividenden heeft genoten van ruim € 90.000 per jaar. De inspecteur legt de dga daarom navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en boetes op.
De dga gaat vervolgens in beroep tegen de navorderingsaanslagen en boetes. Maar Rechtbank Zeeland-West-Brabant vindt eveneens dat de dga een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang heeft genoten. Gezien de omstandigheden van deze zaak is duidelijk dat de dga zijn rc-schuld niet volledig zou aflossen. Het kan niet anders dan dat de dga en zijn holding zich daarvan bewust waren. De rechtbank oordeelt dat dga het reguliere voordeel opzettelijk heeft verzwegen in zijn aangifte. Een vergrijpboete van 50% is daarom in principe terecht. Maar de rechtbank matigt de boete met 10% omdat de beroepsprocedure onredelijk lang heeft geduurd.
Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 10-07-2020
Een man vindt dat hij, tijdens de tijd dat hij werd uitgezonden door een uitzendbureau, op basis van de cao recht heeft op reistijdvergoeding. Nadat hij door het uitzendbureau niet meer ter beschikking wordt gesteld, probeert hij via de rechter de vergoeding af te dwingen.
Centraal staat het geschil over de toewijzing van de transitievergoeding en diverse vergoedingen op grond van de cao. Op 24 juni 2019 is de man in dienst getreden bij uitzender O&A. Op de uitzendovereenkomst is de NBBU-cao van toepassing verklaard. Vanaf 24 juni 2019 werd de man aan BAM ter beschikking gesteld in de functie van elektromonteur. Voor het verrichten van zijn werkzaamheden heeft O&A een auto aan de elektromonteur ter beschikking gesteld. Doordat de elektromonteur bij BAM werkzaam was, is ook de cao metaal en techniek van toepassing.
Nadat de elektromonteur vrij onverwacht niet meer door uitlener ter beschikking wordt gesteld, vordert de elektromonteur o.a. transitievergoeding, reiskostenvergoeding, vergoeding wegens niet aanzeggen, wettelijke verhoging. De vordering voor de reiskostenvergoeding baseert de elektromonteur op de NBBU-cao waarin is bepaald dat de uitzendkracht recht heeft op de inlenersbeloning (waaronder de reistijdvergoeding) die gelijk is aan de beloning van een elektromonteur, werkzaam bij de opdrachtgever (BAM). In de Cao Metaal en Techniek is bepaald dat een elektromonteur recht heeft op een reistijdvergoeding voor uren die buiten het dienstrooster vallen. De elektromonteur heeft gedurende de periode van 24 juni 2019 tot en met 20 februari 2020 op vier locaties van BAM gewerkt. Het betreft: Cabot Botlek, Rotterdamsebaan, Heineken Zoeterwoude en TATA Steel Velsen-Noord.
De kantonrechter oordeelt dat niet is gebleken dat de reistijdvergoeding in het salaris van de elektromonteur is inbegrepen. Op grond van zowel de oude NBBU cao als de recente cao én de Cao Metaal en Techniek heeft de elektromonteur recht op een reistijdvergoeding. Dat de elektromonteur (structureel) eerder naar huis zou zijn gestuurd in de periode dat hij bij Tata Steel werkte en die reistijd van de elektromonteur werd aangemerkt en uitbetaald als werktijd is op geen enkele manier onderbouwd en O&A heeft daarvan ook geen bewijs aangeboden. De vordering van het brutobedrag van € 4.010,83 aan vergoeding voor reisuren wordt toegewezen.
Bron: Ktr. Rotterdam 13-10-2020
Een auto met een beetje transportschade kan voor de BPM-heffing nog steeds kwalificeren als een nieuwe auto. Het gaat erom dat de kilometerstand laag genoeg is, zo oordeelt de Hoge Raad.
Een man laat in 2016 een auto inschrijven in het Nederlandse kentekenregister. Deze auto is op 29 juli 2016 in Oostenrijk voor het eerst toegelaten tot de openbare weg. Later is de auto vanuit Oostenrijk naar Nederland getransporteerd. Daarbij loopt de auto schade op. Op het moment van registratie in Nederland bedraagt de kilometerstand minder dan 22 kilometer. Tussen de man en de Belastingdienst ontstaat een geschil of de auto kwalificeert als een gebruikte auto voor de BPM-heffing. Wanneer het geschil voor Hof Arnhem-Leeuwarden belandt, oordeelt dit hof dat sprake is van een nieuwe auto. De transportschade brengt niet mee dat sprake is van een gebruikte auto, aldus het hof. Een afschrijving is dus niet aan de orde. De man stelt nog dat meer belasting is geheven over de Oostenrijkse auto dan het geval zijn als het ging om een Nederlandse auto. Maar het hof wijs dit standpunt af.
De man gaat vervolgens in cassatie. De Hoge Raad merkt op dat de personenauto die na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks op de weg is gebruikt, als nieuw telt. Het werkelijke gebruik kan men opmaken uit het aantal gereden kilometers van de auto. De enkele aanwezigheid van transportschade is geen bewijs dat die personenauto daadwerkelijk op de weg is gebruikt. De Hoge Raad verwerpt daarom het cassatieberoep van de man.
Bron: HR 16-10-2020