Inloggen

Archief

Klein deel bedrijven heeft problematische schuldenlast

In november 2024 beoordeelt iets meer dan 6% van de bedrijven hun schuldenlast als
problematisch. Voor bijna 94% van de bedrijven is de schuldenlast dragelijk. Meer
bedrijven melden een lagere schuldenlast dan vorig jaar, en voor de helft is de schuldenlast
van een gewenste omvang. Dit beeld is vergelijkbaar met een jaar geleden, aldus het
CBS op basis van een enquête onder bedrijven met vijf of meer werknemers.

Horecabedrijven ervaren met ruim 14% het vaakst een problematische schuldenlast, een
stijging ten opzichte van iets meer dan 12% vorig jaar. Ook in de overige dienstverlening,
cultuur, sport en recreatie, en detailhandel is het aantal bedrijven met een problematische
schuldenlast gestegen. In de informatie en communicatie en de industrie is dit aandeel
juist gedaald. Bedrijven in de verhuur en handel van onroerend goed hebben het minst
vaak (2%) een problematische schuldenlast. Bijna 25% van de bedrijven meldt een lagere
schuldenlast dan vorig jaar, terwijl bijna 13% een hogere schuldenlast aangeeft. In
de verhuur en handel van onroerend goed is dit omgekeerd; ruim 47% heeft een hogere
schuldenlast, terwijl bijna 12% een daling meldt. Bedrijven in de detailhandel en
zakelijke dienstverlening hebben het minst vaak een hogere schuldenlast dan vorig
jaar. Voor ruim 62% van de bedrijven is de schuldenlast gelijk gebleven.

Schuldenlast niet verminderen Meer dan de helft (51%) van de bedrijven beschouwt hun schuldenlast als van gewenste
omvang en zal deze niet verminderen. Bijna 6% verwacht dit binnen een jaar te bereiken,
terwijl iets meer dan 20% hier een tot vijf jaar voor nodig heeft. Ruim 18% kan niet
inschatten hoeveel tijd hiervoor nodig is. Horecabedrijven hebben met ruim 33% het
minst vaak een gewenste schuldenlast, terwijl bedrijven in de informatie en communicatie
dit met ruim 61% het vaakst hebben. In 2024 zijn tot en met oktober 1.975 bedrijven
en instellingen failliet verklaard in de industrie, auto- en detailhandel, en diensten
samen. Dit is 36% meer dan in dezelfde periode vorig jaar en het hoogste aantal sinds
2016. De grootste stijging is te zien in de zakelijke dienstverlening en informatie
en communicatie met bijna 50%, terwijl de industrie een stijging van ruim 12% kent.
In de overige dienstverlening is het aantal faillissementen met 8% gedaald.

Bron: CBS 04-12-2024.

Raad van State: nieuwe box 3-stelsel te complex

De Raad van State adviseert om het wetsvoorstel werkelijk rendement box 3 niet in
deze vorm in te dienen en de vormgeving opnieuw te bezien.

Er kleven zwaarwegende bezwaren aan het box 3-stelsel dat de regering voorstelt, onder
andere op het gebied van de uitvoering. Het zal leiden tot slechtere dienstverlening,
beperkte mogelijkheden tot vooroverleg met een belastinginspecteur en onvoldoende
toezicht. Het stelsel wordt veel complexer. Er wordt verder een groot beroep gedaan
op het zogenoemde ‘doenvermogen’ van belastingplichtigen, vanwege de verplichting
om een ingewikkelde vermogensvergelijking te maken en de administratieplicht voor
1,6 miljoen belastingplichtigen. De regering gaat voor de opbrengst van het voorgestelde
box 3-stelsel uit van budgettaire neutraliteit. Dit belemmert de ruimte om te kiezen
voor een andere vormgeving dan nu wordt voorgesteld. Het advies aan de regering is
om het wetsvoorstel niet in deze vorm in te dienen en de vormgeving van het box 3-stelsel
opnieuw te bezien.

Wisselwerking wetgever, rechter en uitvoering De Afdeling advisering gaat in haar advies in op het samenspel tussen wetgever, rechter
en uitvoering. Zij moeten in onderlinge wisselwerking telkens een goede balans vinden.
Zij hebben allen hun rol vervuld, maar er lijkt een patstelling te zijn ontstaan.

Integrale visie op belasten van vermogen ontbreekt De Afdeling advisering constateert dat een integrale visie op het belasten van vermogen
ontbreekt. Deze is nodig om een afgewogen keuze te kunnen maken voor een nieuw box 3-stelsel.
Zij adviseert daarbij aandacht te schenken aan de bijdrage die de opbrengst van box 3
moet leveren aan de belastingmix. Verder gaat zij in op het ontbreken van samenhang
tussen de boxen in de wijze waarop vermogensbestanddelen in de heffing worden betrokken.

Budgettaire neutraliteit De regering hanteert bij het voorstel het uitgangspunt van budgettaire neutraliteit.
Dat wil zeggen dat het nieuwe box 3-stelsel binnen de periode 2027-2032 tot eenzelfde
opbrengst moet leiden als het huidige stelsel zonder dat daarbij nog rekening is gehouden
met de kosten van het rechtsherstel. Het strikt vasthouden aan dit uitgangspunt belemmert
het maken van een zorgvuldige en integrale afweging tussen de verschillende belangen
die aan de orde zijn bij de vormgeving van een nieuw box 3-stelsel. Daarbij moet volgens
de Afdeling advisering rechtmatigheid voorop staan. Daarnaast spelen de uitvoerbaarheid,
het ‘doenvermogen’ van belastingplichtigen, de eenvoud van het nieuwe stelsel en het
behalen van een budgettaire opbrengst een belangrijke rol.

Alternatieve denkrichtingen Vanwege de zwaarwegende bezwaren is het advies aan de regering om de vormgeving van
het box 3-stelsel opnieuw te bezien. De Afdeling advisering wijst op enkele mogelijke
alternatieve denkrichtingen voor de vormgeving. Zij gaat in op de overgebleven ruimte
voor een forfaitair box 3-stelsel en de mogelijkheid van een vermogenswinstbelasting.
Zij schetst ook mogelijke denkrichtingen voor het behalen van extra budgettaire opbrengst.
De Afdeling adviseert de regering deze denkrichtingen bij een nieuwe vormgeving van
het box 3-stelsel te betrekken en de voor- en nadelen van de verschillende varianten
tegen elkaar af te wegen.

Bron: Raad van State 02-12-2024.

Waarschijnlijke contante betaling navorderbaar, geen boete

Het is mogelijk dat het waarschijnlijk genoeg is dat een ondernemer een niet-opgegeven
inkomen heeft genoten om hem een navorderingsaanslag te kunnen opleggen, terwijl er
te veel onzekerheid is om een vergrijpboete te rechtvaardigen.

Een man exploiteert een binnenschip waarmee hij plantaardige olie vervoert. De binnenschipper
reinigt de ladingtanks van zijn schip regelmatig door deze schoon te spoelen met water.
Dat spoelwater wordt verzameld in sloptanks. Die sloptanks bevatten spoelwater en
restanten olie, slops genoemd. De binnenschipper ontdoet zich van de slops door deze
op te laten halen door een vethandelaar. Als het percentage olie in de slops hoog
genoeg is, ontvangt de schipper een vergoeding voor deze slops. De Belastingdienst
stelt dat de binnenschipper niet alleen per bank, maar ook contant betalingen voor
de slops heeft ontvangen. Die contante betalingen heeft de man niet verwerkt in zijn
administratie en evenmin opgegeven in zijn aangiftes IB/PVV. De inspecteur heeft hem
daarom navorderingsaanslagen en vergrijpboetes opgelegd. De man gaat hiertegen in
beroep.

Te veel twijfel voor vergrijpboete De inspecteur baseert zijn stelling dat de binnenschipper contante betalingen heeft
ontvangen op gegevens die zijn verkregen bij een onderzoek bij de vethandelaar. De
administratie van die vethandelaar bevat ‘inkoopfacturen’ op naam van de binnenschipper
waaruit contante betalingen volgen. Rechtbank Noord-Nederland vindt de ontvangst van
contante betalingen voor 2012 en 2013 aannemelijk en voor 2011 gedeeltelijk, omdat
dit het meest waarschijnlijke scenario is. Daarom mag de Belastingdienst over deze
jaren navorderen. Maar om een vergrijpboete te mogen opleggen, moet de fiscus voldoen
aan een zwaardere bewijslast. Daarin slaagt de inspecteur niet. Volgens de rechtbank
is niet buiten redelijke twijfel dat de man de gestelde contante betalingen heeft
ontvangen. Uiteindelijk vermindert de rechtbank de navorderingsaanslag over 2011 en
vernietigt alle vergrijpboetes.

Bron: Rb. Noord-Nederland 19-11-2024 (gepubl. 28-11-2024).

Bijna 300 duizend familiebedrijven in Nederland

Begin 2022 telde Nederland bijna 300.000 familiebedrijven. Bijna driekwart van de
familiebedrijven is actief in het niet-financiële bedrijfsleven, zoals de detailhandel,
horeca en industrie. Gezamenlijk realiseerden zij een omzet van € 595 miljard en voegden
ruim € 152 miljard aan waarde toe aan de Nederlandse economie. Dit meldt het CBS.

Een familiebedrijf is een bedrijf, waarbij één familie direct of indirect een meerderheid
van zeggenschap heeft (bij beursgenoteerde bedrijven 25%). De familie moet formeel
betrokken zijn bij het bestuur en het bedrijf moet ook juridisch overdraagbaar zijn.
Bedrijven van zelfstandigen zonder personeel rekent het CBS tot een aparte groep.

1 op de 7 bedrijven is familiebedrijf Van alle ruim 2 miljoen bedrijven in 2022 was 14% een familiebedrijf met meer dan
één werkzaam persoon. Vooral in de provincies Zeeland (23%) en Overijssel (22%) is
het aandeel vestigingen van familiebedrijven relatief groot. In Noord-Holland was
dit aandeel het kleinst.

Van de bedrijven en instellingen met 2 tot 10 werkzame personen was 71% een familiebedrijf.
Hoe groter het bedrijf, hoe minder vaak het een familiebedrijf is. Vooral in de landbouw,
bosbouw en visserij (47%), de horeca (40%) en de autohandel en -reparatie (30%) komen
familiebedrijven relatief vaak voor. Familiebedrijven zorgden voor bijna 2,8 miljoen
werknemersbanen in 2022, dat is ruim 31% van het totaal aantal werknemersbanen.

Relatief meer contracten voor bepaalde tijd bij familiebedrijven In 2022 werd bij 41% van de werknemersbanen bij familiebedrijven gewerkt met een contract
voor bepaalde tijd. Bij niet-familiebedrijven was dit 33%. Bijna één op de vijf werknemersbanen
bij familiebedrijven was voor 12 uur of minder per week. Bij niet-familiebedrijven
is dit ruim één op de tien. Het grotere belang van de detailhandel en de horeca (met
relatief veel kortere werknemersbanen) bij familiebedrijven verklaart deels het verschil.

In totaal was 59% van de werknemers bij familiebedrijven een man. Bij niet-familiebedrijven
was de verdeling man-vrouw bijna gelijk. Dit hangt samen met het hoge aantal vrouwelijke
werknemers in de gezondheids- en welzijnszorg en het lage percentage familiebedrijven
in deze bedrijfstak.

Bron: CBS 03-12-2024

‘Self billing’ is onvoldoende bewijs voor btw-teruggaaf

Het zelf opstellen van facturen en deze betalen via verrekening levert volgens Rechtbank
Zeeland-West-Brabant onvoldoende bewijs op om de btw terug te vragen.

Een holding en haar twee dochtermaatschappijen, waarvan een handelt in metalen, vormen
een fiscale eenheid (FE) voor de omzetbelasting. De FE dient elf verzoeken om teruggaaf
van btw in. Maar de inspecteur wijst deze verzoeken af omdat hij meent dat sprake
is van btw-fraude. Daarop gaat de FE in beroep. Zij overlegt facturen die melding
maken van transacties met vier ondernemers. Deze facturen zijn echter opgesteld door
de FE zelf (‘self billing’). Bovendien zou de betaling van de facturen hebben plaatsgevonden
via verrekening. Ten slotte heeft de FE het verzoek van de fiscus om nadere informatie
niet ingewilligd. Onder deze omstandigheden overtuigen de facturen de rechtbank er
niet van dat de transacties werkelijk hebben plaatsgevonden. Het verzoek om terggaaf
van de btw is terecht afgewezen.

Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 09-07-2024 (gepubl. 25-11-2024).

© lArcade 2026