Inloggen

Archief

Voorstel voor nieuwe rechtsvorm rentmeestervennootschap

In 2024 is in de Tweede Kamer met brede steun een motie van aangenomen om een voorstel
voor de rentmeestervennootschap uit te werken. In de afgelopen maanden heeft een werkgroep
in nauwe samenspraak met ondernemers, academici en experts in ondernemingsrecht aan
de uitgangspunten voor de rentmeestervennootschap gewerkt.

De rentmeestervennootschap is een nieuwe rechtsvorm voor ondernemingen met een steward-ownership
structuur. Dit betekent dat het governance-model van de rentmeestervennootschap waarborgt
dat de missie van de onderneming centraal staat. Dit wordt bereikt door de uiteindelijke
zeggenschap te scheiden van het financieel belang. De rentmeestervennootschap is gebaseerd
op de volgende twee principes.

De uiteindelijke zeggenschap wordt uitgeoefend door rentmeesters In de traditionele vennootschap hebben aandeelhouders zowel belangrijke zeggenschapsrechten
om het bestuur ter verantwoording te houden als het uiteindelijke financiële belang.
In de rentmeestervennootschap wordt de uiteindelijke zeggenschap uitgeoefend door
een raad van rentmeesters. Rentmeesters hebben de opdracht uitsluitend het belang
van de vennootschap te dienen en te handelen in lijn met de missie. Rentmeesters hebben
geen persoonlijk financieel belang bij de onderneming.

De winst dient de onderneming De door een rentmeestervennootschap behaalde winst wordt primair gebruikt om de missie
van de onderneming te ondersteunen, bijvoorbeeld door te herinvesteren. Anders dan
bij de traditionele vennootschap, kent de rentmeestervennootschap niet het uitgangspunt
dat de aandeelhouders bevoegd zijn tot het bestemmen van de winst en het doen van
uitkeringen. Een rentmeestervennootschap kan weliswaar haar eigen vermogen versterken
door aandelen uit te geven, maar de rentmeesters beslissen over uitkeringen aan aandeelhouders,
waarbij deze uitkeringen in beginsel niet hoger zullen zijn dan wat gezien kan worden
als een redelijke vergoeding voor het verschafte vermogen. Nu de winst primair dient
tot ondersteuning van de missie is winstmaximalisatie ook geen doel op zich: indien
de missie beter wordt gediend door een minder winstgevend bedrijfsmodel zal daaraan
de voorkeur worden gegeven. De belangen van de aandeelhouders als relevante stakeholders
worden in dit soort beslissingen wel meegenomen.

Voor meer informatie zie het Voorstel Uitgangspunten van de Rentmeestervennootschap
op: https://www.rentmeestervennootschap.nl/Uitgangspunten%20RV.pdf

Bron: We are stewards, 21-01-2025.

Geen vergrijpboete bij navordering vanwege toedeling

Als de volledige toerekening van verzwegen box 3-vermogen aan een van de fiscale partners
de enige reden is voor navorderen, mag de fiscus daarbij geen vergrijpboete opleggen.

Op 29 december 2015 ontvangt de Belastingdienst een renseignement waarin een man werd
gekoppeld aan een buitenlandse bankrekening bij een Zwitserse bank. Naar aanleiding
hiervan verzoekt de Belastingdienst om nadere informatie over het buitenlandse vermogen.
Op 12 juli 2016 verstrekt de man diverse bankbescheiden aan de inspecteur. Maar in
zijn aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2015 en 2016 vermeldt hij geen buitenlandse
bankrekeningen of contanten. Bij het opleggen van de aanslagen IB/PVV 2015 en 2016
wijkt de inspecteur van de aangifte af. Hij neemt bij zowel de man als zijn echtgenote
een bedrag van € 357.668 aan vermogen in aanmerking bij het box 3-vermogen (in totaal
€ 715.336). Ook legt de Belastingdienst vergrijpboetes op van 225%. Op basis van een
schriftelijk verzoek van de man en zijn echtgenote is het gehele vermogen vervolgens
toegerekend aan de man. De man krijgt daarom navorderingsaanslagen en 225% vergrijpboetes
opgelegd.

Matiging en vernietiging van vergrijpboetes De man gaat in bezwaar en beroep tegen de aanslagen, navorderingsaanslagen en vergrijpboetes.
Maar omdat hij niet de vereiste aangiften heeft gedaan, is sprake van een omkering
en verzwaring van de bewijslast. De inspecteur heeft op basis van renseignementen
en bankbescheiden een schatting gemaakt van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen.
Rechtbank Noord-Holland acht deze schatting redelijk. De vergrijpboetes van 225% die
de fiscus heeft opgelegd bij de aanslagen zijn passend. Wel ziet de rechtbank in de
overschrijding van de redelijke termijn aanleiding om de boetes te matigen. Bovendien
vernietigt de rechtbank de vergrijpboetes die zijn opgelegd bij de navorderingsaanslagen.
De reden van de navorderingen ligt namelijk enkel in de keuze van de man en zijn echtgenote
om het vermogen in box 3 geheel aan de man toe te rekenen. In dat geval is geen sprake
van opzet.

Bron: Rb. Noord-Holland 15-07-2024 (gepubl. 14-01-2025).

Werkgever moet zich vergewissen van ontvangst aanzegging

Een werknemer vordert een aanzegvergoeding omdat hij niet tijdig op de hoogte is gesteld
van het niet verlengen van zijn tijdelijke arbeidsovereenkomst. De werkgever had de
aanzegging via een digitaal bericht gestuurd, maar de werknemer stelt dit bericht
nooit te hebben ontvangen.

De werknemer is van 1 september 2023 tot 1 september 2024 in dienst geweest bij de
werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. De werkgever heeft
op 29 juli 2024 via het online systeem AFAS Insite een aanzeggingsbrief gestuurd.
In deze brief wordt het einde van de arbeidsovereenkomst bevestigd. De werknemer heeft
deze brief echter niet ontvangen en maakt aanspraak op de aanzegvergoeding. Bij Rechtbank
Midden-Nederland is in geschil of de werkgever heeft voldaan aan de aanzegplicht van
art. 7:668 lid 1 BW. De werknemer stelt dat hij de aanzeggingsbrief niet heeft ontvangen
en daarom recht heeft op de aanzegvergoeding.

Werkgever kan het verzenden van de aanzegging niet aantonen De rechtbank oordeelt dat de werkgever niet heeft voldaan aan de aanzegplicht, omdat
de werknemer de aanzeggingsbrief niet heeft ontvangen. De werkgever had moeten aantonen
dat de werknemer op de hoogte was van de communicatie via AFAS Insite, wat niet is
gebleken. De rechtbank veroordeelt de werkgever tot betaling van de aanzegvergoeding
ter hoogte van één maandsalaris (€ 8.116,00 bruto) en de proceskosten (€ 298,00).

Bron: Rb. Midden-Nederland 20-12-2024 (gepubl. 17-01-2025).

Geen uitzondering voor bestaande contracten groepsaccommodaties bij btw-verhoging

Staatssecretaris Van Oostenbruggen wil geen uitzondering maken voor de btw-verhoging
bij groepsaccommodaties als de verhuurcontracten voor 1 januari 2025 zijn afgesloten.

De Stichting Groepsaccommodaties Nederland had hierom verzocht. Dit verzoek ziet op
de gehele vergoeding ter zake (inclusief de eventuele (aan)betalingen in 2025 en 2026).
Om verschillende redenen kan de staatssecretaris geen gehoor geven aan dit verzoek.
Het fiscale neutraliteitsbeginsel vormt een juridische belemmering om alleen deze
vorm van logiesverstrekking uit te zonderen van de btw-verhoging. Het fiscale neutraliteitsbeginsel
verbiedt dat vergelijkbare diensten die onder dezelfde btw-post vallen fiscaal verschillend
worden behandeld. Logiesverstrekking in de vorm van groepsaccommodaties is niet zozeer
onderscheidend dat dit als zodanig en op zichzelf staand kan worden afgescheiden.
Zowel hoteldienstverlening als de dienstverlening door groepsaccommodaties komt immers
neer op het aanbieden van bedden in een slaapruimte, bedoeld voor kort verblijf.

Nieuwe fiscale definitie Ook zou het afscheiden van groepsaccommodaties van alle andere vormen van logiesverstrekking
een nieuwe fiscale definitie vereisen. Op voorhand kan sterk worden getwijfeld of
het creëren van een nieuwe fiscale definitie voor groepsaccommodaties juridisch houdbaar
is. In elk geval zou een dergelijk onderscheid leiden tot veel afbakeningsproblematiek
en daarmee onlosmakelijk tot veel fiscale procedures en een hogere uitvoeringslast.
Daarnaast geldt dat de btw-verhoging de gehele logies sector raakt en het kabinet
geen reden ziet om specifiek alleen de groepsaccommodaties tijdelijk uit te zonderen
van de maatregel.

Juridische houdbaarheid Anders dan de Stichting veronderstelt, is geen sprake van het met terugwerkende kracht
toepassen van een btw-verhoging. Ongeacht op welk moment een overeenkomst wordt gesloten
is de btw (en daarmee ook het toepasselijke btw-tarief) verschuldigd op het moment
waarop de onderliggende prestatie wordt verricht, dan wel op het tijdstip waarop een
vooruitbetaling op die prestatie plaatsvindt. Van eventuele terugwerkende kracht is
daarom geen sprake. Om die reden zijn vooruitbetalingen in 2024 op een prestatie die
eerst in 2026 plaatsvindt nog belast naar het verlaagde btw-tarief, maar is een vooruitbetaling
in 2025 op diezelfde prestatie belast naar het algemene btw-tarief gelet op de overgangsregeling
die dan van toepassing is. Opgemerkt kan overigens nog worden dat de Wet op de omzetbelasting
1968 erin voorziet dat tussentijdse btw-verhogingen alsnog doorberekend mogen worden
(zie art. 52). Eventuele anders luidende bedingen zijn zelfs nietig.
Daarnaast geldt dat ook sinds de indiening van het Belastingplan 2025 voor alle partijen
expliciet kenbaar was dat het kabinet voornemens was om dergelijk overgangsrecht toe
te passen. Op grond van bovenstaande is de staatssecretaris niet van plan om in het
beleidsbesluit gedeeltelijk uitstel overgangsregeling in verband met de afschaffing
bepaalde tabelposten verlaagd tarief omzetbelasting op te nemen dat het verlaagde
btw-tarief van toepassing blijft op voor groepsaccommodaties reeds gesloten contracten.

Bron: MvF 13-01-2025.

Aanvraag Verklaring betalingsgedrag kan nu ook online

Het is voortaan mogelijk online een Verklaring betalingsgedrag aan te vragen. Jaarlijks
verwerkt de Belastingdienst zo’n 50.000 aanvragen via de post. Dit proces gaat met
online aanvragen sneller, gemakkelijker en verkleint de kans op fouten.

Met een Verklaring betalingsgedrag kan iemand aantonen dat op zijn naam of op naam
van de onderneming geen belastingaanslagen of andere vorderingen van de Belastingdienst
openstaan.

Online aanvragen Voor het online aanvragen van een verklaring is het nodig in te loggen met DigiD.
In 2025 volgt de mogelijkheid om de aanvraag te doen met e-Herkenning. Het blijft
altijd mogelijk om op de website van de Belastingdienst de verklaring in pdf te downloaden.
De Belastingdienst streeft ernaar binnen een week nadat het verzoek is ontvangen te
beslissen. De Belastingdienst stuurt de verklaring op naar het woon- of vestigingsadres
dat bij de Belastingdienst bekend is. Wie een Verklaring betalingsgedrag ontvangt,
hoeft deze niet nog eens aan te vragen.

Bron: Belastingdienst, 20-01-2025.

© lArcade 2026