Inloggen

Archief

Ondernemer moet ook privéritten registreren

Houdt een ondernemer alleen de zakelijke ritten van zijn bedrijfsauto bij, maar niet
de privékilometers? Dan zal hij toch een winstcorrectie vanwege privégebruik van de
auto van de zaak moeten toepassen.

Een ondernemer die belegde broodjes levert aan tankstations en bedrijven, maakt gebruik
van een bestelauto. In zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen
(IB/PVV) en zorgverzekeringswet (Zvw) 2019 heeft hij autokosten opgevoerd. Zijn accountant
heeft deze autokosten verminderd met de bijtelling vanwege privégebruik van de auto
van de zaak. Overigens duidt de belastingwet deze bijtelling bij IB-ondernemers eigenlijk
aan als een onttrekking. De inspecteur heeft de aanslagen overeenkomstig de aangifte
opgelegd, maar de ondernemer heeft bezwaar gemaakt. Hij stelt dat de auto niet voor
privédoeleinden is gebruikt, zodat zijn accountant ten onrechte de onttrekking wegens
privégebruik heeft toegepast.

Geen inzage in totale gereden kilometers Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de ondernemer niet overtuigend heeft aangetoond
dat de auto minder dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt. De ondernemer
heeft weliswaar een administratie van zakelijke ritten overgelegd, maar daaruit blijkt
niet hoeveel kilometers in totaal met deze bestelauto zijn gereden. Daardoor is privégebruik
niet uitgesloten. De rechtbank verklaart het beroepschrift van de man daarom ongegrond.

Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 10-02-2025 (gepubl. 13-02-2025).

Fiscaal partnerschap ondanks duurzaam gescheiden leven

Een man die duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenote, kan toch haar fiscale partner
zijn. Dit kan gevolgen hebben voor de eigenwoningregeling.

Een man en zijn echtgenote zijn sinds 1976 gehuwd, maar leven sinds eind 2007 duurzaam
gescheiden. In 2019 hebben zij beiden een eigen woning, waarvan zij elk voor de helft
eigenaar zijn. De man geeft in zijn aangifte IB/PVV 2019 de woning aan als eigen woning,
terwijl zijn echtgenote hetzelfde doet voor haar woning. De inspecteur merkt hen echter
aan als fiscale partners en verdeelt de inkomsten en aftrekposten van de eigen woning
gelijkelijk.

Eerste aangifte bepaalt eigen woning Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de man en zijn echtgenote als fiscale
partners moeten worden aangemerkt, ondanks hun duurzame scheiding. Volgens de wet
moeten zij gezamenlijk kiezen welke woning als eigen woning wordt aangemerkt. Omdat
de man zijn aangifte eerder heeft ingediend, geldt zijn keuze. Aangezien beide fiscale
partners ieder 100% van het negatieve saldo van een eigen woning aan zichzelf hebben
toegerekend, hebben zij niet gezamenlijk gekozen voor een onderlinge verdeling. De
wet bepaalt dat in zo’n geval de verdeling wordt geacht 50%-50% te zijn. De inspecteur
heeft deze verdeling terecht toegepast. Doordat de inspecteur de giftenaftrek op een
te laag bedrag heeft gesteld, is beroepschrift van de man toch deels gegrond. De rechtbank
verwerpt het beroep op het vertrouwensbeginsel. De aanslag IB/PVV 2019 wordt verminderd,
maar de belastingrente blijft gehandhaafd.

Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 10-02-2025 (gepubl. 13-02-2025).

Termijn voor indienen suppletie btw is acht weken

Sinds 1 januari 2025 moet een btw-ondernemer binnen acht weken nadat men heeft vastgesteld
dat er te weinig btw is aangegeven en afgedragen, een suppletieaangifte btw in te
dienen.

Tot en met 31 december 2024 moest een btw-suppletieaangifte zo spoedig mogelijk plaatsvinden
na de constatering dat te weinig btw is aangegeven en afgedragen. De wetgever vindt
het stilzitten van de ondernemers ongewenst. Daarom is het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting
1968 aangepast en is vanaf 1 januari 2025 het begrip zo spoedig mogelijk ingevuld
als een termijn van acht weken na de constatering.

Voor ondernemers die voor 1 januari 2025 al hebben geconstateerd dat een btw-suppletie
noodzakelijk is, begint de termijn te lopen op 1 januari 2025. Dit betekent dat uiterlijk
op 26 februari 2025 de btw-suppletieaangifte moet worden ingediend. Dit geldt ook
als bijvoorbeeld in de laatste aangifte van het jaar privégebruik auto, gas, water,
licht, internet of telefoon niet is aangegeven. Ook als de btw-ondernemer voor 2025
heeft vastgesteld dat een of meerdere van de btw-aangiften in de jaren 2020 tot en
met 2024 onjuist of onvolledig waren, bijvoorbeeld bij het opstellen van de voorgaande
jaarrekeningen, dan moet de btw-suppletieaangifte uiterlijk op 26 februari 2025 zijn
ingediend.

Bron: MvF 18-12-2024.

Besluit aanwijzing bezwaarschriften belastingrente Vpb als massaal bezwaar

De staatssecretaris van Financiën heeft een besluit gepubliceerd waarin bezwaarschriften
tegen het in rekening gebrachte percentage belastingrente vennootschapsbelasting en
enige overige middelen vanaf 1 oktober 2020 als massaal bezwaar worden aangewezen.

Het gaat om:

  • de met ingang van 1 oktober 2020 in rekening gebrachte belastingrente voor de vennootschapsbelasting
    en de bronbelasting,

  • de met ingang van 1 januari 2022 in rekening gebrachte belastingrente voor de solidariteitsbijdrage,

  • de met ingang van 1 januari 2024 in rekening gebrachte belastingrente voor de minimumbelasting,
    en

  • de met ingang van 1 januari 2025 in rekening gebrachte belastingrente over het winstaandeel,

voor zover die bezwaren het percentage van de belastingrente betreffen dat op grond
van art. 30hb AWR j° art. 1 onderdeel b Besluit belasting- en invorderingsrente (BIR),
dan wel, met ingang van 1 januari 2024, j° art. 1 lid 2 Besluit BIR geldt.

Bij uitspraak van 7 november 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:4361, heeft Rechtbank Noord-Nederland geoordeeld dat art. 1 onderdeel b Besluit BIR zoals
dat luidde van 1 januari 2022 tot 1 januari 2024 onverbindend moet worden verklaard.
De onverbindend-verklaring betrof het hogere belastingrentepercentage (van 8%) voor
de vennootschapsbelasting en enige overige middelen. Met toepassing van art. 28 lid 3
AWR heeft de staatssecretaris op 18 december 2024 beroep in cassatie tegen deze uitspraak
ingesteld.

Inmiddels is een groot aantal bezwaarschriften met eenzelfde rechtsvraag ingediend
tegen het belastingrentepercentage dat vanaf 1 oktober 2020 voor de vennootschapsbelasting
in rekening gebracht wordt. Met het oog op een efficiënte en eenduidige afdoening
van de bezwaarschriften geeft de staatssecretaris daarom een aanwijzing massaal bezwaar.
Het aantal bezwaarschriften tegen de in rekening gebrachte belastingrente voor andere
middelen dan de vennootschapsbelasting die onder dezelfde bepaling vallen, is op dit
moment nog beperkt. Omdat het antwoord op de in onderdeel 2 vermelde rechtsvragen
echter rechtstreeks geldt voor de belastingrente die voor deze andere middelen in
rekening gebracht wordt, worden eventuele bezwaren daartegen ook onder deze aanwijzing
gebracht.

Naast de uitbreiding met andere middelen is met ingang van 1 januari 2024 de systematiek
gewijzigd aan de hand waarvan het geldende belastingrentepercentage wordt bepaald.
Deze wijziging houdt in dat het belastingrentepercentage – voor de genoemde middelen –
niet langer rechtstreeks is gekoppeld aan de wettelijke rente op handelstransacties,
maar – voor alle middelen – aan de ECB-rente op basisherfinancieringstransacties.
De wijziging van de systematiek aan de hand waarvan het geldende belastingrentepercentage
bepaald wordt, is geen reden om deze aanwijzing niet van toepassing te laten zijn
op de met ingang van 1 januari 2024 in rekening gebrachte belastingrente voor de vennootschapsbelasting,
de bronbelasting, de solidariteitsbijdrage, de minimumbelasting en het winstaandeel.
Ook wijkt met ingang van 1 januari 2024 het belastingrentepercentage voor de vennootschapsbelasting
en enige overige middelen af van de andere middelen. Wel kan deze wijziging van de
systematiek een reden zijn om een of meer andere proefprocedures te selecteren. In
dat geval en mede afhankelijk van het arrest in de reeds lopende cassatieprocedure
tegen de genoemde uitspraak van 7 november 2024 kunnen meerdere collectieve uitspraken
op bezwaar worden gedaan. Dit besluit is met ingang van 15 februari 2025 in werking
getreden.

Bron: MvF 07-02-2025.

Kabinet wil inhoudingen op minimumloon voor huisvesting afschaffen

Het kabinet wil dat werkgevers geen geld meer op het minimumloon van werkenden kunnen
inhouden voor de kosten van huisvesting. Op dit moment mogen werkgevers maximaal 25%
van het minimumloon in rekening brengen voor huisvestingskosten. Deze regeling wordt
veelal gebruikt bij huisvesting van arbeidsmigranten.

De inhoudingsmogelijkheid voor huisvesting kan een verdienmodel in de hand werken
waarbij arbeidsmigranten worden uitgebuit. Daarom wordt deze regeling stapsgewijs
afgebouwd en op termijn afgeschaft. Zo’n 60% van alle daklozen in Nederland is arbeidsmigrant,
zeggen vakbond CNV en het Leger des Heils. In een brief aan de Tweede Kamer schrijft
minister Eddy van Hijum van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dat het belangrijk is
dat werkgevers verantwoordelijkheid blijven nemen voor de huisvesting van hun werknemers.
Dit kunnen zij doen door een huurcontract aan te bieden, waarbij de werknemer zelf
de betaling doet, bijvoorbeeld via automatische incasso.

Verdienmodel Uit de verkenning is duidelijk geworden dat de inhoudingsmogelijkheid voor huisvesting
de werkgever kan stimuleren om huisvesting te regelen voor arbeidsmigranten. Arbeidsmigranten
kunnen hierdoor tot op zekere hoogte ontzorgd worden. Maar uit de verkenning volgen
ook veel nadelen van de regeling. De regeling wordt soms als verdienmodel gebruikt.
De huurprijs is door de inhoudingsmogelijkheid niet gemaximeerd. De inhoudingsmogelijkheid
kan dan worden gebruikt om zoveel mogelijk kosten te verhalen op arbeidsmigranten.
Het is niet de bedoeling om aan de hand van de inhoudingsmogelijkheid een verdienmodel
in de hand te werken. Ook zorgt de inhoudingsmogelijkheid ervoor dat er toch nog een
verband bestaat tussen arbeid en huur. Dit vergroot de afhankelijkheid tussen werknemer
en werkgever. Zoals de Commissie Roemer aanbeveelt, is het de ambitie deze afhankelijkheid
te doorbreken. Om deze redenen wil het kabinet de inhoudingsmogelijkheid voor huisvesting
op termijn afschaffen.

Geleidelijk afbouwen Afschaffen van de inhoudingsmogelijkheid voor huisvesting zal stapsgewijs plaats gaan
vinden door het maximale inhoudingspercentage van 25% geleidelijk af te bouwen. Hierdoor
gaan werkgevers geleidelijk incasso-risico lopen op huisvesting voor arbeidsmigranten.
Tussentijds zullen de gevolgen hiervan gemonitord worden. Het is belangrijk dat werkgevers
verantwoordelijkheid blijven nemen voor de huisvesting van hun werknemers. Zonder
inhoudingsmogelijkheid kunnen werkgevers immers nog steeds huisvesting aan hun werknemers
bieden. Dit betekent concreet dat vanaf 1 januari 2026 ieder jaar het maximale inhoudingspercentage
stapsgewijs met 5%-punt wordt verlaagd. Op dit moment is het maximale inhoudingspercentage
25% van het persoonlijke (bruto) Wml. Per 1 januari 2026 zal de eerste stap gezet
worden en zal het maximale inhoudingspercentage verlaagd worden naar 20%. De jaren
daarna zal ook steeds een 5%-punt verlaging plaatsvinden. Over vijf jaar zal dit uiteindelijk
leiden tot een inhoudingspercentage van 0%, waarmee de inhoudingsmogelijkheid in 2030
zal eindigen.

Bron: Min. SZW, 06-02-2025.

© lArcade 2026