Inloggen

Archief

Ondernemers ontvingen te veel NOW-steun door strategisch gedrag

Bijna veertig procent van de onderzochte bedrijven rapporteerde een hoger omzetverlies
dan uit de btw-cijfers blijkt. Dit leidde tot een te hoge subsidie-uitkering, die
voor de volledige NOW1-regeling wordt geschat op circa € 740 miljoen. Dit schrijven
onderzoekers in een artikel in ESB.

Tijdens de coronacrisis konden bedrijven met een verwachte omzetdaling van meer dan
twintig procent loonkostensubsidie aanvragen via de NOW-regeling. De hoogte van de
subsidie hing af van het zelf gerapporteerde omzetverlies, wat bedrijven de mogelijkheid
bood om hun aanvraag strategisch in te richten. In totaal ontvingen bedrijven bijna
€ 24 miljard aan NOW-steun, waarvan het grootste deel via de eerste tranche, NOW1,
werd uitgekeerd. De regeling werd snel en doeltreffend uitgevoerd, waardoor het aantal
faillissementen laag bleef en de werkloosheid beperkt.

Drempel Toch zijn er aanwijzingen dat bedrijven strategisch gebruikmaakten van de regeling.
Zo blijkt uit de data dat er een opvallende toename was van het aantal aanvragen met
een omzetverlies net boven de twintig procent, precies de grens om voor steun in aanmerking
te komen. Dit wijst erop dat bedrijven hun omzetverlies mogelijk bewust net boven
deze drempel hebben gehouden. Door omzet te sturen, bijvoorbeeld door openingstijden
aan te passen of promoties uit te stellen, konden bedrijven hun subsidie maximaliseren.
Ook illegale methoden, zoals het niet aangeven van omzet, zijn denkbaar.

Uit een vergelijking van de zelf gerapporteerde omzetverliezen met de daadwerkelijke
omzetverliezen op basis van btw-aangiftes blijkt dat bedrijven gemiddeld ruim zes
procentpunt hoger omzetverlies opgaven dan daadwerkelijk het geval was. Bijna veertig
procent van de onderzochte bedrijven rapporteerde een hoger omzetverlies dan uit de
btw-cijfers blijkt. Dit leidde tot een te hoge subsidie-uitkering, die voor de volledige
NOW1-regeling wordt geschat op circa € 740 miljoen. De schatting is onzeker, omdat deze gebaseerd is op een beperkte dataset,
vooral bestaande uit kleinere bedrijven.

Hoewel strategisch gedrag en mogelijk misbruik zijn vastgesteld, betekent dit niet
dat de NOW1-regeling ondoelmatig was. Het doel was snelle en brede ondersteuning,
waarbij striktere controle mogelijk tot meer uitvoeringsproblemen had geleid. De Arbeidsinspectie
en het Openbaar Ministerie geven inmiddels prioriteit aan het opsporen van fraude
met de NOW-subsidies. Verdere studie is nodig om te bepalen of strategisch gedrag
ook bij latere NOW-regelingen voorkwam en wat het effect is van aanvullende controlemaatregelen,
zoals een accountantsverklaring.

Bron: ESB, 11-06-2025.

Geen vergrijpboete voor ex-bestuurder voetbalclub wegens ontbreken feitelijk leidinggeven

De rechtbank vernietigt een vergrijpboete voor een ex-bestuurder van een voetbalclub
omdat niet is bewezen dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan het opzettelijk
niet afdragen van loonheffingen.

Een voormalig statutair bestuurder van een betaaldvoetbalorganisatie krijgt een vergrijpboete
opgelegd door de inspecteur. Volgens de inspecteur heeft de bestuurder feitelijk leidinggegeven
aan het opzettelijk niet afdragen van loonheffingen, omdat een deel van de transfervergoedingen
bij een spelersovergang indirect aan de speler zou zijn toegekomen. De inspecteur
stelt dat de bestuurder betrokken was bij het opzetten van constructies waarbij betalingen
voor de speler via de zaakwaarnemer liepen en als commissies werden gepresenteerd.
De bestuurder betwist zijn betrokkenheid, vooral omdat hij vanaf het najaar van 2014
feitelijk niet meer actief was bij de club.

Beoordeling feitelijk leidinggeven De rechtbank onderzoekt of de voormalig bestuurder actief en effectief gedrag heeft
vertoond dat als feitelijk leidinggeven aan het niet afdragen van loonheffingen kan
worden gekwalificeerd. De rechtbank stelt vast dat de bestuurder tot begin 2015 formeel
bestuurder was, maar dat uit de stukken niet blijkt dat hij na het najaar van 2014
nog betrokken was bij de relevante transacties of bij de fiscale afwikkeling daarvan.
Ook is niet gebleken dat hij betrokken was bij het presenteren van betalingen als
commissies voor scoutingwerkzaamheden. Het enkele feit dat hij statutair bestuurder
was, is onvoldoende om hem als feitelijk leidinggever aan te merken.
Nu niet is bewezen dat de bestuurder feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden
gedraging, vernietigt de rechtbank de boetebeschikking.

Bron: Rb. Gelderland 05-06-2025 (gepubl. 13-06-2025).

Strengere zzp-handhaving: vooral nog knelpunten, maar ook kansen

Vier maanden na het opheffen van het handhavingsmoratorium op schijnzelfstandigheid
in de zorg zijn er knelpunten zichtbaar, maar de minister van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport verwacht dat de voordelen op termijn zullen overheersen. Werkgevers en werkenden
krijgen in 2025 ruimte om zich aan te passen, zonder direct boetes te riskeren.

Sinds 1 januari 2025 wordt strenger toegezien op schijnzelfstandigheid in de zorg.
De minister erkent dat het voldoen aan de wet- en regelgeving en de opheffing van
het handhavingsmoratorium een spannend moment is voor werkgevers en werkenden. Het
kan gebeuren dat er tijdelijk gaten vallen doordat schijnzelfstandigen niet meer worden
ingezet, terwijl het al voor de opheffing lastig was om roosters rond te krijgen.
De uitstroom van medewerkers in loondienst naar het zzp-schap was daarbij vaak een
van de oorzaken. De minister herhaalt de verwachting dat de voordelen van de opheffing
zullen opwegen tegen de situatie van voor 1 januari 2025. Daarbij geldt voor 2025
een zachte landing: de Belastingdienst legt geen boetes op en gaat eerst in gesprek
met ondernemers, zodat zij de ruimte krijgen om zich te houden aan de wet- en regelgeving.

Geen cijfers over overstap naar loondienst De minister beschikt niet over cijfers over het aantal zzp’ers dat het afgelopen jaar
in loondienst is getreden bij zorgaanbieders. In de werkgeversenquête van het onderzoeksprogramma
Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn (AZW) is dit voorjaar gevraagd of werkgevers mensen in
loondienst hebben genomen die eerder als zzp’er werkten. De resultaten hiervan worden
in het najaar verwacht.

Aantrekkelijkheid loondienst en zeggenschap De minister onderschrijft dat zowel het minder aantrekkelijk maken van zzp-werk als
het aantrekkelijker maken van loondienst noodzakelijk is. Werkgevers zetten steeds
meer in op goed en modern werkgeverschap, onder meer door aandacht voor werk/privébalans
en meer zeggenschap over roosters. Hiervoor zijn onder andere subsidies verstrekt
via de Subsidieregeling Veerkracht en Zeggenschap en het Landelijk Actieplan Zeggenschap.
Ook wordt zeggenschap gemonitord en zijn er landelijke initiatieven voor werkplezier
en vakmanschap.

Loonkloof en werving Hoewel het uurloon van zorgmedewerkers gemiddeld vergelijkbaar is met de marktsector,
zijn er verschillen tussen branches en functiegroepen. Het dichten van de loonkloof
zou enkele miljarden euro’s kosten, waarvoor nu geen extra middelen beschikbaar zijn.
Om de aantrekkelijkheid van de sector te vergroten, is het Platform Afwenden Arbeidsmarkttekort
gelanceerd, dat initiatieven bundelt voor anders werken en meer werkplezier.

Bron: Ministerie VWS, 12-06-2025.

Vrijstelling overdrachtsbelasting bij splitsing blijft van toepassing op aandelenverkrijging

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch bevestigt dat de splitsingsvrijstelling ook geldt voor
de verkrijging van aandelen in een onroerend-goedlichaam dat door een zuivere splitsing
ontstaat.

Een bv was voor 50% aandeelhouder van een splitsende vennootschap die onroerende zaken
in Nederland en Duitsland bezat. Wegens onenigheid over de bedrijfsvoering besloten
de aandeelhouders hun samenwerking te ontvlechten via een zuivere juridische splitsing.
Bij deze splitsing gingen alle onroerende zaken over naar een nieuw opgerichte vennootschap
die kwalificeerde als onroerend-goedlichaam in de zin van artikel 4 WBR. De inspecteur
legde een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op voor de verkrijging van de aandelen
in dit nieuwe lichaam door belanghebbende. De rechtbank oordeelde dat de vrijstelling
van artikel 15, lid 1, onderdeel h, WBR van toepassing was, waartegen de inspecteur
hoger beroep instelde.

Inspecteur betwist reikwijdte vrijstelling De inspecteur stelde zich op het standpunt dat de splitsingsvrijstelling wel gold
voor de verkrijging van onroerende zaken door de nieuwe vennootschap, maar niet voor
de verkrijging van aandelen in deze vennootschap. Volgens de inspecteur was overdrachtsbelasting
verschuldigd over de waarde waarmee het middellijke belang van belanghebbende in de
Nederlandse onroerende zaak was toegenomen. Hij verwees naar een besluit van de Staatssecretaris
van 25 mei 2018 waarin wordt gesteld dat de wetgever de vrijstelling heeft bedoeld
voor splitsingen waarbij de verdeling van het indirecte belang in onroerende zaken
niet wijzigt.

Hof bevestigt vrijstelling bij splitsing naar onroerend-goedlichaam Het hof oordeelde dat sprake was van één rechtshandeling – een zuivere splitsing –
die leidde tot twee verkrijgingen: de verkrijging van onroerende zaken door de nieuwe
vennootschap en de verkrijging van aandelen in deze vennootschap door belanghebbende.
Het hof stelde vast dat de tekst van artikel 15, lid 1, letter h, WBR in samenhang
gelezen met artikel 5c UBBRV niet aan toepassing van de vrijstelling voor de tweede
verkrijging in de weg staat.

Het hof constateerde dat de wetgever de situatie waarin een onroerend-goedlichaam
als gevolg van een splitsing ontstaat, niet onder ogen heeft gezien. Omdat noch de
tekst van de wet noch het uitvoeringsbesluit aan toepassing van de vrijstelling in
de weg staat en de bedoeling van de besluitgever diffuus is, knoopte het hof aan bij
de wettekst. Het hof wees ook op het doorkijkarrest van de Hoge Raad van 30 november
2018, waarin heel ruim wordt verwezen naar vrijstellingen ingevolge artikel 15 WBR.

Het hof oordeelde dat de vrijstelling van overdrachtsbelasting van toepassing is op
de verkrijging van de aandelen door belanghebbende en verklaarde het hoger beroep
van de inspecteur ongegrond.

Bron: hof Den Bosch 07-05-25 (gepubl. 06-06-25).

Verkrijgingsprijs niet verhoogd door verrekening vorderingen zakenpartner

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de verkrijgingsprijs van aandelen niet kan worden
verhoogd met vorderingen op de verkoper die naar bewering zijn verrekend, als dit
niet voldoende wordt bewezen.

Een man heeft in 2010 een belang van 25% gekocht in een Tsjechische vennootschap van
zijn zakenpartner voor CZK 50.000. In 2011 verkocht hij zijn aandelen voor CZK 10.644.743,
wat resulteerde in een vervreemdingsvoordeel van ruim € 380.000. De man stelde dat
hij bij de aankoop in 2010 vorderingen ter waarde van CZK 17.300.000 op zijn zakenpartner
had verrekend, waardoor de werkelijke verkrijgingsprijs veel hoger zou zijn dan de
formele koopsom. Hij had zijn zakenpartner in de loop der jaren geld geleend en beweerde
dat deze schulden waren aangegaan vanwege diverse malversaties door de zakenpartner
tijdens een periode dat hijzelf in voorarrest zat.

Hof verwerpt bewering over verrekening vorderingen Het hof oordeelt dat de man er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat de
verkrijgingsprijs hoger was dan de formele koopsom van CZK 50.000. Het hof stelt voorop
dat de man zelf ter zitting heeft verklaard dat hij ten tijde van de aankoop niet
wist wat de waarde van de aandelen was en evenmin welke vorderingen hij precies had
op zijn zakenpartner. Bovendien heeft de man geen waarderingsrapport of jaarrekeningen
overgelegd waaruit de werkelijke waarde van de aandelen kan worden afgeleid.

Het hof wijst er verder op dat de man tegelijkertijd stelt dat zijn zakenpartner ten
tijde van de verkrijging technisch failliet was en dat op hem niets te verhalen viel.
Dit maakt het onaannemelijk dat aan de beweerde vorderingen enige waarde kan worden
toegekend. Ook ontbreekt volgens het hof een voldoende causaal verband tussen de gestelde
verrekening van vorderingen en de verkrijging van de aandelen. De brief uit december
2010 waarin de man zijn vorderingen opsomt, dateert van een half jaar na de aankoop
en rept niet over de eerdere aandelentransactie. Het hoger beroep van de man is ongegrond
en het hoger beroep van de inspecteur gegrond.

Bron: hof Arnhem-Leeuwarden 27-05-25 (gepubl. 06-06-25).

© lArcade 2026