Inloggen

Archief

Recht op LKV en LIV bij overgang van onderneming

Vanaf juni verstuurt de Belastingdienst de beschikking Wet tegemoetkomingen loondomein
(Wtl) voor de loonkostenvoordelen (LKV’s) en het lage-inkomensvoordeel (LIV) over
2024. Bij overgang van een onderneming kan het recht op een tegemoetkoming uit de
Wtl niet altijd goed worden vastgesteld.

Controleren of de tegemoetkomingen goed zijn vastgesteld Zijn in 2024 of eerder bij een overgang van een onderneming werknemers overgenomen?
Dan bestaat mogelijk recht op een LKV voor deze werknemers. Ook kan er recht zijn
op het LIV voor werknemers die zijn overgenomen of overgedragen. Dit geldt in de volgende
situaties:

Voor een LKV:

  • Eén of meer werknemers zijn overgenomen van wie de doelgroepverklaring op het moment
    van de overgang nog geldig was. Dan gaat het recht op het LKV vanaf de overgang voor
    de resterende duur over op de nieuwe werkgever.

  • (Een kopie van) de geldige doelgroepverklaring van de overgenomen werknemer is opgenomen
    in de administratie.

  • Uiterlijk op 1 mei 2025 is het LKV over 2024 aangevraagd voor deze werknemer in de
    aangifte loonheffingen (of met een correctie).

Voor het LIV: Eén of meer werknemers zijn overgenomen of overgedragen voor wie mogelijk recht bestaat
op het LIV. Dit is het geval als de werknemer bij de overdragende en verkrijgende
werkgever samen voldoet aan de eis van 1.248 verloonde uren in 2024. En als het gezamenlijke
gemiddelde uurloon van deze werknemer minimaal € 14,33 en maximaal € 14,91 is. De
overdragende en verkrijgende werkgever ontvangen het LIV dan over het aantal verloonde
uren bij die werkgever. Controleer in deze gevallen of deze werknemers met een juiste
tegemoetkoming in de beschikking staan.

Bezwaar maken als de beschikking niet klopt Ontbreken er werknemers in de beschikking of zijn de gegevens in de beschikking Wtl
2024 niet juist? Dan kan bezwaar worden gemaakt. In de beschikking staat hoe bezwaar
gemaakt kan worden.

Bron: Belastingdienst.

Geen 2%-tarief overdrachtsbelasting voor bedrijfsmatige schuren en weilanden bij woning

De rechtbank oordeelt dat schuren en weilanden bij een woonboerderij geen aanhorigheden
zijn. Het verlaagde tarief van 2% overdrachtsbelasting geldt alleen voor de woning
en een deel van de tuin.

Een man heeft samen met zijn partner in november 2023 een woonboerderij aangekocht
bestaande uit een woonhuis, grote schuren (damwandloods met aanbouw), weilanden en
een paardenbak. Bij de aangifte overdrachtsbelasting heeft de notaris voor het woonperceel
het verlaagde tarief van 2% toegepast en voor de overige percelen het algemene tarief
van 10,4%. De man en zijn partner maken bezwaar omdat zij van mening zijn dat alle
percelen kwalificeren als aanhorigheden bij de woning en daarom het verlaagde tarief
zouden moeten krijgen.

Geen aanhorigheden door bedrijfsmatig gebruik De rechtbank oordeelt dat alleen het woonhuis en een klein tuingedeelte kwalificeren
voor het verlaagde tarief van 2%. De rechtbank houdt rekening met verschillende factoren:
de overige percelen werden bedrijfsmatig geëxploiteerd door een vof, de schuren zijn
zeer groot, er is een aanzienlijke afstand tussen de verschillende onderdelen en de
woning, en de bouwstijlen verschillen sterk. De rechtbank stelt dat van een aanhorigheid
sprake is indien een onroerende zaak ten tijde van de verkrijging naar objectieve
maatstaven behoort bij de woning, daarbij in gebruik is en daaraan dienstbaar is.

Berekening leidt niet tot teruggaaf Hoewel de rechtbank erkent dat een klein tuingedeelte op het schurenperceel wel als
aanhorigheid kwalificeert, leidt dit niet tot een teruggaaf. De man heeft geen eigen
berekening overgelegd voor de waardenverdeling van dit tuingedeelte. Volgens de berekening
van de inspecteur zou toepassing van het lagere tarief op dit kleine tuingedeelte
zelfs tot een hogere belastingschuld leiden dan de oorspronkelijk bij aangifte voldane
overdrachtsbelasting. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 03-06-25 (gepubl. 05-06-25).

SDE++: resultaten 2024 en openstelling 2025

Het kabinet informeert de Tweede Kamer over de voorlopige resultaten van de SDE++-openstellingsronde
2024 en licht de aankomende openstelling van de SDE++ in 2025 toe.

Voorlopige resultaten SDE++ 2024 Voor de SDE++-openstellingsronde van 2024 was een budget van € 11,5 miljard beschikbaar.
De totale budgetclaim bedroeg € 10,5 miljard. Op dit moment hebben 629 projecten een
positieve beschikking ontvangen, goed voor een budget van € 5,6 miljard. Er is nog
voor € 2,6 miljard aan aanvragen in behandeling. Positief is dat veel projecten in
nieuwe categorieën, zoals lucht-water-warmtepompen en kleinschalige biomassavergisting,
een beschikking hebben ontvangen. Binnen het domein elektriciteit is het totaal beschikte
budget gehalveerd ten opzichte van 2023, mede door toegenomen netcongestie.

Openstelling SDE++ 2025 en aanpassingen Voor de openstellingsronde van 2025 is een budget van € 8 miljard vastgesteld. De
regelingen met daarin de details van de openstellingsronde zullen binnenkort worden
gepubliceerd en RVO zal bedrijven via zijn website nader informeren over de regelingen
en praktische zaken voor de voorbereidingen van de subsidie aanvragen voor projecten.
Een belangrijke wijziging betreft de versoepeling van de vergunningseisen: bij de
aanvraag hoeft niet langer de vergunning voor een technische bouwactiviteit te worden
overlegd, behalve voor wind op land en zon-PV.

CO₂-opslag in het buitenland wordt vanaf 2025 toegestaan binnen de Europese Economische
Ruimte (EER), om te voldoen aan Europese regelgeving en staatssteungoedkeuring te
behouden. Subsidie voor CO₂-opslag in het buitenland is alleen beschikbaar voor bedrijven
die CO₂ reduceren in Nederland; de CO₂-reductie wordt niet toegeschreven aan het land
van opslag.

Tot slot meldt de minister dat het kabinet werkt aan meerjarige zekerheid voor de
markt en dat het definitieve budget voor de SDE++-ronde van 2026 in het voorjaar van
2026 bekend wordt gemaakt.

Bron: Ministerie van Klimaat en Groene Groei.

Foutenleer van toepassing op fout bij bepaling van aan vaste inrichting toerekenbare winst

Fouten bij de bepaling van de vrij te stellen winst van een vaste inrichting kunnen
worden hersteld via de foutenleer, ook als de balans van de Nederlandse onderneming
als geheel juist is.

Belanghebbende, een in Nederland gevestigde bv, heeft een vaste inrichting in België.
In 1999 heeft zij een HIR gevormd ter zake van de bij de vervreemding van een huurrecht
van een in Nederland gevestigde supermarkt behaalde boekwinst. In 2003 heeft belanghebbende
het gebruiksrecht op een in België gelegen woning verworven. Het gebruiksrecht is
tot het vermogen van de vaste inrichting gerekend. Bij de fiscale verwerking heeft
belanghebbende een fout gemaakt. Zij heeft – in strijd met HR 2 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5597 – de HIR niet uitsluitend voor de bepaling van haar generale winst afgeboekt op de
aanschaffingsprijs van het gebruiksrecht, maar ook voor de bepaling van de vrij te
stellen winst van de vaste instelling. Hierdoor heeft bij de winstberekening van de
vaste instelling telkenjare een te lage afschrijving op het gebruiksrecht plaatsgevonden,
waardoor voor de jaren 2004 t/m 2012 de winst van de vaste inrichting te hoog is vastgesteld.
Daardoor is aan belanghebbende in die jaren een te hoge vrijstelling ter voorkoming
van dubbele belasting verleend, en is de in Nederland belastbare winst dus te laag
vastgesteld. Het in aanmerking nemen van te lage afschrijvingen bij de winstbepaling
van de vaste inrichting heeft bewerkstelligd dat ten onrechte de boekwinst die in
1999 door belanghebbende was behaald met de vervreemding van het huurrecht, in zoverre
buiten haar totale winst is gebleven.

De inspecteur heeft de fout ontdekt en heeft voor 2013 het aangegeven bedrag aan vrij
te stellen winst van de vaste inrichting gecorrigeerd. Tevens heeft hij in dat jaar
de voor elk van de jaren 2004 t/m 2012 tot een te hoog bedrag verleende vrijstelling
ter voorkoming van dubbele belasting met toepassing van de foutenleer in één keer
gecorrigeerd. Rechtbank Zeeland-West-Brabant (NTFR 2022/1417) heeft de inspecteur in het gelijk gesteld. Belanghebbende heeft sprongcassatieberoep
ingesteld, maar zonder succes.

De Hoge Raad zet in het arrest de strekking van de foutenleer uiteen en de wijze waarop
de winst van een vaste inrichting onder de werking van belastingverdragen wordt bepaald.
Gelet op deze wijze van bepaling van de vrij te stellen winst van een vaste inrichting
en op de strekking van de foutenleer, te weten het vermijden van een te lage of een
te hoge heffing van belasting als gevolg van een balansfout, is de Hoge Raad van oordeel
dat een bij de bepaling van de aan een vaste inrichting toerekenbare winst gemaakte
fout die heeft geleid tot een onjuiste vaststelling van het vermogen op de eindbalans
van die vaste inrichting, zoals een afschrijvingsfout, en daarmee tot een te hoge
of een te lage vrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting, onder de toepassing
van de foutenleer valt.

Nu de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat in dit geval de verlengde navorderingstermijn
niet van toepassing is, heeft zij eveneens terecht geoordeeld dat de in de jaren 2004
t/m 2012 gemaakte afschrijvingsfout kan worden hersteld door toepassing van de foutenleer
in het jaar 2013, zijnde het oudste nog openstaande jaar. (Cassatieberoep ongegrond.)

Bron: Hoge Raad 06-06-25.

Pensioenfonds verricht btw-vrijgestelde verzekeringsprestaties

Het pensioenfonds verricht vrijgestelde verzekeringsprestaties en heeft dus geen recht
op aftrek van omzetbelasting op de uitvoeringskosten. Er bestaat namelijk een rechtsbetrekking
tussen de werknemers/deelnemers en het pensioenfonds en er is voldaan aan de drie
vereisten die door het Hof van Justitie zijn gesteld aan verzekeringsprestaties.

Een algemeen pensioenfonds dat pensioenovereenkomsten uitvoert voor diverse werkgevers
heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van aftrek van omzetbelasting over het eerste
kwartaal 2022. Het pensioenfonds voert voor meerdere werkgevers pensioenregelingen
uit, ondergebracht in verschillende collectiviteitskringen met elk een afgescheiden
vermogen. Voor deze zaak betreft het specifiek Pensioenkring [pensioenkring 1], waarbij
vier ondernemingen verplicht zijn hun werknemers een pensioen toe te zeggen volgens
de cao. De werkgevers betalen 73% van de pensioenpremies en werknemers 27%. Het pensioenfonds
heeft over het eerste kwartaal 2022 een bedrag van 31.244 euro aan omzetbelasting
in rekening gebracht gekregen voor uitvoeringskosten. Het pensioenfonds stelt dat
het een btw-belaste prestatie verricht aan de werkgevers en recht heeft op aftrek
van voorbelasting.

Rechtsbetrekking tussen deelnemers en pensioenfonds De rechtbank oordeelt dat er wel degelijk een rechtsbetrekking bestaat tussen het
pensioenfonds en de werknemers. De deelnemers hebben een rechtstreekse aanspraak jegens
het pensioenfonds op een uitkering, zoals vastgelegd in het pensioenreglement. Uit
het pensioenreglement blijkt dat de deelnemer, werkgever en pensioenfonds de betrokken
partijen zijn, waaruit een contractuele betrekking volgt. Ook de verplichting van
werknemers om deel te nemen aan de pensioenovereenkomst en zelf premies te betalen
bevestigt deze rechtsbetrekking. Het maakt daarbij niet uit dat de werkgever de premies
eerst inhoudt op het loon en daarna afdraagt.

Drie voorwaarden verzekeringsprestatie vervuld De rechtbank stelt vast dat aan alle drie door het Hof van Justitie gestelde voorwaarden
wordt voldaan. Aan de eerste voorwaarde van premiebetaling wordt voldaan omdat werkgevers
jaarlijks premies moeten voldoen, inclusief het door werknemers verschuldigde deel.
De tweede voorwaarde betreft het verzekerde risico: het pensioenfonds moet premiebetalingen
aanwenden voor het opvangen van financiële gevolgen bij ouderdom, overlijden en arbeidsongeschiktheid.
Ook de derde voorwaarde is vervuld: het pensioenfonds heeft de verplichting tot uitkering
wanneer het verzekerde risico zich voordoet. Het beroep van het pensioenfonds is ongegrond,
omdat het verzekeringsprestaties verricht die zijn vrijgesteld van omzetbelasting.

Bron: Rb. Gelderland 25-04-25 (gepubl. 30-05-25).

© lArcade 2026