De onderlinge verdeling van box 3 en de keuze voor het hele jaar fiscaal partnerschap Een vrouw is enig erfgenaam van haar in 2021 overleden echtgenoot. Voor het jaar 2021 Onherroepelijkheid van keuzes box 3 en fiscaal partnerschap De rechtbank oordeelt dat de aanvankelijk gekozen verdeling van de gezamenlijke grondslag Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 28-05-25 (gepubl. 05-06-25).
kunnen na onherroepelijk vaststaande aanslagen niet meer worden aangepast.
hebben zij en haar man aangifte gedaan als fiscaal partners voor het hele jaar, waarbij
de volledige gezamenlijke grondslag uit sparen en beleggen (box 3) aan de man is toegerekend.
De inspecteur heeft de aanslagen overeenkomstig deze aangiften opgelegd. Later heeft
de vrouw geprobeerd deze keuzes te wijzigen via herziene aangiften en een verzoek
om ambtshalve vermindering, omdat de oorspronkelijke keuzes voor haar fiscaal nadelig
uitpakten. De inspecteur heeft deze verzoeken afgewezen, waarna de vrouw in beroep
is gegaan.
uit sparen en beleggen, en de keuze om voor het hele jaar als fiscaal partners te
worden aangemerkt, niet meer kunnen worden gewijzigd nadat de aanslagen onherroepelijk
vaststaan. Op grond van artikel 2.17 Wet IB 2001 kan de onderlinge verhouding voor
de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen namelijk worden gewijzigd tot het moment
waarop de aanslagen onherroepelijk vaststaan, maar daarna niet meer. De omstandigheid
dat onherroepelijk geworden belastingaanslagen ambtshalve kunnen worden verminderd,
betekent niet dat deze aanslagen hun onherroepelijkheid hebben verloren in het kader
van artikel 2.17 Wet IB 2001. Het beroep van de vrouw wordt daarom ongegrond verklaard.
Staatssecretaris Van Oostenbruggen geeft een overzicht van actuele ontwikkelingen Het Benelux Parlement heeft een aanbeveling aangenomen om grensoverschrijdend telewerk Fiscaliteit Het kabinet richt zich op een tweetal fiscale maatregelen om grensoverschrijdend telewerk Eind 2023 is met België een verduidelijkende overeenkomst is gesloten over het niet-bestaan Sociale zekerheid Werknemers kunnen op basis van de Europese kaderovereenkomst inzake structureel grensoverschrijdend De uitvoering van de kaderovereenkomst omvat niet alle nieuwe vormen van werk. Zelfstandigen Bron: MvF, 03-06-2025.
rondom grensoverschrijdend telewerken.
verder te faciliteren. De aanbeveling bevat vijftien verzoeken, gericht op het bevorderen
van een barrièrevrije interne arbeidsmarkt binnen de Benelux. De verzoeken liggen
zowel op het gebied van de sociale zekerheid als de fiscaliteit. Het is niet mogelijk
om aan de hand van een tijdlijn aan te geven wat de vervolgstappen zullen zijn Dat
zal op gezamenlijke wijze moeten worden bepaald.
te faciliteren: 1) Nederland stelt voor om een thuiswerkmaatregel gericht op grenswerkers
op te nemen in de bilaterale belastingverdragen met buurlanden. 2) Het ontstaan van
een vaste inrichting kan voor de werkgever leiden tot (administratieve) verplichtingen
voor de loonbelasting en vennootschapsbelasting in het woonland van de werknemer.
De onzekerheid hierover lijkt voor werkgevers een belemmering te kunnen zijn om thuiswerken
toe te staan of om grensarbeiders in dienst te nemen. Nederland zou werkgevers door
middel van een bilaterale overeenkomst tussen bevoegde autoriteiten graag meer zekerheid
bieden over het niet-bestaan van een vaste inrichting van de werkgever in het woonland
van de werknemer als gevolg van thuiswerken over de grens.
van een vaste inrichting van de werkgever in het woonland van de werknemer als gevolg
van thuiswerken over de grens. Daarentegen is het nog niet gelukt om afspraken te
maken over een thuiswerkregeling. De gesprekken zijn nog gaande. Daarnaast is het
gelukt om met Duitsland afspraken te maken over het opnemen van drempelregeling in
het belastingverdrag, waardoor grenswerkers jaarlijks maximaal 34 dagen kunnen thuiswerken
waarbij het heffingsrecht volledig blijft bij het land waar de werkgever is gevestigd.
De goedkeuringsprocedure moet dit jaar worden afgerond, zodat de wijzingen op 1 januari
2026 kunnen ingaan. Ook het Duitse parlement moet akkoord gaan met de wijzigingen.
telewerk, telewerken in de woonstaat tot 50% van de totale arbeidstijd, zonder dat
dit leidt tot een wijziging van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving. Andersom
moet er ten minste 50% van de totale arbeidstijd fysiek gewerkt worden in de lidstaat
waar de werkgever is gevestigd. Nederland, België en Luxemburg hebben de kaderovereenkomst
op 1 juli 2023 ondertekend.
worden bijvoorbeeld niet gedekt. Nederland pleit er daarom in EU verband voor dat
er aanwijsregels moeten komen in Verordening 883/2004 voor nieuwe vormen van werk
en nieuwe vormen van grensoverschrijdende mobiliteit, bijvoorbeeld voor telewerken
om de grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit in de grensstreek te faciliteren.
De verhuur van volledig gemeubileerde appartementen voor maximaal zes maanden valt Een bv ontwikkelt bouwprojecten en heeft in 2018 een rijksmonumentale woonboerderij Short-stay-verhuur concurreert met hotelbranche De rechtbank oordeelt dat de bv in de relevante periode het voornemen had om de appartementen Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 28-05-25 (gepubl. 02-06-25).
onder de short-stay-uitzondering en is belast met btw. De bv heeft daarom recht op
aftrek van de voorbelasting.
gekocht, gefinancierd via obligatieleningen. Na verbouwing tot vijf appartementen
was eerst het plan om deze te verkopen. In het tweede kwartaal van 2022 besluit de
bv echter de appartementen volledig gemeubileerd en gestoffeerd op short-stay-basis
te gaan verhuren, gericht op tijdelijke huurders zoals expats en studenten. Dit voornemen
wordt aan investeerders gecommuniceerd en aan de Belastingdienst gemeld. De inspecteur
weigert vervolgens de teruggaaf van voorbelasting over de verbouwingskosten, omdat
volgens hem de verhuur vrijgesteld zou zijn van btw. De bv stelt dat sprake is van
belaste verhuur onder de short-stay-uitzondering van art. 11 lid 1 letter b ten tweede
Wet OB 1968.
volledig gemeubileerd en voor maximaal zes maanden te verhuren aan personen die tijdelijk
in Nederland verblijven. Volgens vaste rechtspraak is doorslaggevend of de verhuur
concurreert met het hotel- en vakantiebestedingsbedrijf. De aard van de prestatie
is bepalend: het gaat om kortdurend verblijf zonder zorg voor inventaris, net als
bij hotels. Dat de appartementen een woonfunctie hebben of niet als logies zijn aangemeld
bij de gemeente, doet hier niet aan af. De rechtbank vindt dat de verhuur van deze
appartementen primair concurreert met hotels en vakantiebestedingsbedrijven en dus
onder de short-stay-uitzondering valt. De verhuur is daarom belast met btw en de bv
heeft recht op aftrek van voorbelasting over de verbouwingskosten. De beroepen zijn
gegrond.
Het kabinet werkt aan een nieuwe definitie van startups en introduceert een gunstigere In het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 wordt als hoofdregel belasting geheven Er is onderzoek gedaan naar een definitie die beter aansluit bij de kenmerken van Nieuwe definitie van startups De contouren van een nieuwe definitie van startups houden rekening met de atypische De onderneming dient bij de RVO een aanvraag in en verstrekt hiervoor de benodigde De beschikking van de RVO voor startups heeft in eerste instantie een looptijd van Vervolgproces voor box 3 Het is de bedoeling om de nieuwe definitie via een nota van wijziging te verwerken Samenloop met aandelenoptieregeling in de loonheffingen Het is wenselijk dat de beoogde nieuwe definitie voor startups en scale-ups in box Bron: MvF, 02-06-2025.
aandelenoptieregeling voor werknemers. Staatssecretaris Van Oostenbruggen stuurt de
Tweede Kamer een Kamerbrief over het onderzoek naar een nieuwe definitie startups
in Wet werkelijk rendement box 3 en aandelenoptieregeling voor werknemers in de loonheffingen.
via de vermogensaanwasbelasting. Voor onroerende zaken en voor aandelen in en winstbewijzen
van startups en scale-ups geldt echter de vermogenswinstbelasting. Voor deze afwijkende
behandeling is in het wetsvoorstel een definitie opgenomen met een aantal criteria
waaraan de onderneming moet voldoen, zoals bestaansduur en een maximum aan jaaromzet.
Deze definitie sluit echter beperkt aan bij de specifieke kenmerken van startups en
scale-ups.
startups en scale-ups en tegelijkertijd werkbaar is voor de praktijk en uitvoerbaar
is voor de Belastingdienst. Omwille van de eenvoud en overzichtelijkheid van het belastingstelsel
is ervoor gekozen om één definitie van startups en scaleups te hanteren, voor zowel
box 3 als de aangekondigde regeling voor aandelen verkregen uit aandelenopties die
worden toegekend aan werknemers van startups en scale-ups.
aspecten van startups. In plaats van een toets op bestaansduur en jaaromzet wordt
getoetst op innovatie, schaalbaarheid en liquiditeit van de onderneming. Om de uitvoering
van de regeling door de Belastingdienst zoveel mogelijk te ontlasten zal de RVO een
belangrijke rol spelen in de toetsing van deze definitie. In de nieuwe definitie is
sprake van een startup of scale-up als aan de volgende vier cumulatieve voorwaarden
is voldaan: 1. De onderneming innovatief is en er sprake is van schaalbare bedrijfsactiviteiten.
2. De onderneming kan aantonen welke stappen nodig zijn om deze schaalbare activiteiten
en groei te realiseren middels een groeiplan. 3. De onderneming wordt gedreven als
een besloten vennootschap, naamloze vennootschap of een vergelijkbare Europese rechtsvorm.
4. De onderneming niet in surseance of faillissement verkeert en beschikt over een
passende solvabiliteit en liquiditeit voor een innovatieve onderneming met schaalbare
bedrijfsactiviteiten.
documenten. Na een positieve beoordeling geeft de RVO een beschikking af aan de onderneming.
De onderneming informeert haar aandeelhouders. De aandeelhouders (natuurlijke personen)
van de onderneming geven in de aangifte inkomstenbelasting de aandelen in de startup
aan onder het regime van de vermogenswinstbelasting in box 3.
acht jaren, waarna de beschikking in termijnen van vijf jaren na hertoetsing verlengd
kan worden. De aandelen verlaten in box 3 het regime van de vermogenswinstbelasting
als de termijn van de beschikking afloopt of als er (gedurende die termijn) sprake
is van een van de volgende situaties: 1. Het is mogelijk om als aandeelhouder 70%
of meer (hoofdzakelijk) van de aandelen van het eigen aandelenpakket in het bedrijf
aan te bieden voor inkoop door de startup tegen de waarde in het economisch verkeer.
2. Het is mogelijk om als aandeelhouder 70% of meer (hoofdzakelijk) van de aandelen
van het eigen aandelenpakket in het bedrijf aan te bieden aan een andere (rechts)persoon
tegen de waarde in het economisch verkeer; 3. Er is sprake van een beursgang.
in het wetsvoorstel. De nieuwe definitie wordt in lagere regelgeving nader uitgewerkt
en toegelicht.
3 ook gaat gelden voor de nieuwe aandelenoptieregeling voor werknemers in de loonheffingen.
Bij de uitwerking van de nieuwe regeling zal nog worden besloten of en in hoeverre
in overgangsrecht zal worden voorzien voor aandelenopties die al voor inwerkingtreding
van de nieuwe regeling zijn/worden toegekend. Het kabinet is op dit moment van plan
om de aandelenoptieregeling in de loonbelasting te introduceren per 2027 voorafgaand
aan de introductie van het nieuwe box 3-stelsel per 2028.
De rechtbank oordeelt dat een uitkering uit een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule Een man heeft in 1989 een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule afgesloten met Expiratiedatum niet bewezen verschoven De rechtbank oordeelt dat de man er niet in is geslaagd om aan te tonen dat de expiratiedatum Saldomethode niet van toepassing Voor de Pre-Brede Herwaarderingslijfrentepolis geldt weliswaar de saldomethode op Bron: Rb. Gelderland 26-05-25 (gepubl. 30-05-25).
in 2020 moet worden belast als periodieke uitkering. De belastingplichtige slaagt
er niet in aan te tonen dat de polis al in 2013 is geëxpireerd of dat de saldomethode
tot een lagere heffingsgrondslag leidt.
oorspronkelijk als expiratiedatum 1 december 2013. De verzekering is meerdere keren
overgegaan naar andere verzekeraars. In 2020 heeft de man de waarde van de beleggingsverzekering
van € 40.745 laten uitkeren. De inspecteur heeft dit bedrag volledig tot het belastbaar
inkomen uit werk en woning gerekend. De man stelt primair dat de polis al in 2013
is geëxpireerd en daarom in 2014 als periodieke uitkering in aanmerking had moeten
worden genomen. Subsidiair beroept hij zich op de saldomethode, waarbij volgens hem
slechts € 26.379 in plaats van € 40.745 belast zou moeten worden.
ten onrechte is verschoven van 2013 naar 2020. Uit de correspondentie van de verzekeraar
in 2014 blijkt dat de einddatum al op 1 februari 2020 was gesteld. Het ligt op de
weg van de man als houder van de polis om duidelijkheid te verschaffen over wanneer
en waarom de expiratiedatum zou zijn gewijzigd. De enkele stelling dat de oorspronkelijke
expiratiedatum 1 december 2013 was, is onvoldoende bewijs. De rechtbank concludeert
daarom dat de kapitaalverzekering in 2020 is geëxpireerd en niet eerder.
grond van het overgangsrecht, maar de man heeft niet bewezen dat dit in zijn geval
tot een lagere belastinggrondslag leidt. Bij de saldomethode wordt het uitkeringsbedrag
verminderd met de waarde van de premies, maar die waarde wordt weer verminderd met
premies die als persoonlijke verplichting in aftrek konden worden gebracht. De man
heeft geen inzicht gegeven in de daadwerkelijk betaalde premies en ook niet gesteld
dat hij de aftrek niet kon plegen. Daarom moet de volledige uitkering van € 40.745
tot het inkomen uit werk en woning worden gerekend. Het beroep is ongegrond.