Rechtbank Gelderland oordeelt dat een bv die na het faillissement van de zoon geen Een man is gehuwd en zijn echtgenote is enig aandeelhouder van een bv. In 2006 heeft Geen prijsgeven van vordering Rechtbank Gelderland oordeelt dat geen sprake is van een onttrekking of uitdeling. Bron: Rb. Gelderland, 04-07-2025.
verdere actie onderneemt, daarmee nog niet de restantvordering prijsgeeft en er dus
geen winstuitdeling plaatsvindt.
de bv een lening van € 90.000 verstrekt aan hun zoon. De voorwaarden zijn in 2011
schriftelijk vastgelegd: onbepaalde tijd, 3% rente, geen aflossingsverplichting. In
2014 heeft de bv de vordering van toen € 74.745 ten laste van het resultaat afgewaardeerd
naar nihil, maar de Belastingdienst accepteerde dit niet. De zoon is in 2015 failliet
verklaard en toegelaten tot de WSNP. In 2018 is de slotuitdelingslijst opgemaakt waarbij
de bv uiteindelijk € 7.764 heeft ontvangen van haar ingediende vordering van € 151.717.
De inspecteur stelt dat sprake is van een winstuitdeling van € 73.047 in 2018 omdat
de restantvordering het vermogen van de bv definitief heeft verlaten.
Er is niet gebleken dat de vordering op de zoon het vermogen van de bv definitief
heeft verlaten of dat de bv deze vordering op enige manier heeft prijsgegeven. Integendeel,
de bv heeft het volledige bedrag van haar vordering bij de curator ingediend. Ook
wanneer de situatie materieel overeenkomt met een formele kwijtschelding, betekent
dit nog niet dat daarmee de gehele restantvordering is prijsgegeven. Een enkel stilzitten
na het verbindend worden van de slotuitdelingslijst is onvoldoende om aan te nemen
dat de vordering is prijsgegeven. Het beroep van de man wordt gegrond verklaard en
het belastbare inkomen verlaagd.
Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat de langdurige verliezen uit activiteiten naast het Een werknemer van de brandweer start in 2008 met maatwerk in licht, geluid en geluidstechniek Objectieve voordeelsverwachting ontbreekt Het hof overweegt dat om van een bron van inkomen te kunnen spreken, minimaal voldaan Geen rechtsgeldig vertrouwen De man doet nog een beroep op het vertrouwensbeginsel: omdat de inspecteur jarenlang Bron: Hof Den Bosch, 02-07-2025.
dienstverband van een brandweerman geen bron van inkomen zijn, waardoor de opgegeven
verliezen niet in aftrek komen.
onder de naam van een eenmanszaak. Naast zijn fulltime baan geeft hij in zijn aangiften
inkomstenbelasting vanaf de start elk jaar negatieve resultaten op uit deze nevenactiviteiten.
Volgens de inspecteur is er vanaf 2014 geen bron van inkomen meer, omdat al jaren
uitsluitend verlies wordt gedraaid en vanaf 2012 nauwelijks nog omzet wordt behaald.
Hij legt navorderingsaanslagen op over de jaren 2014-2017, waarop de man bezwaar maakt.
In eerste aanleg krijgt de man deels gelijk; het hof beoordeelt in hoger beroep of
de verliezen terecht zijn geweigerd.
moet zijn aan de eis dat met de werkzaamheden redelijkerwijs voordelen te verwachten
zijn. De man voert aan dat hij in het verleden succesvol was in soortgelijke activiteiten
en reclame heeft gemaakt. Het hof stelt dat hij over de hele periode 2008-2018 omvangrijke
verliezen heeft geleden, na 2011 slechts één opdracht heeft gehad en zijn stelling
over klantacquisitie niet voldoende onderbouwt met bewijs. In elk geval vanaf 2014
ziet het hof geen realistische verwachting op positieve resultaten: investeringen
in nieuwe technologie blijven achterwege en er is nauwelijks inspanning voor het werven
van nieuwe klanten aangetoond. Volgens het hof geldt er dus geen objectieve voordeelsverwachting,
en dus geen bron van inkomen.
zijn verliezen volgt en pas over 2014 ingrijpt, zou gewekt vertrouwen niet mogen worden
doorbroken. Het hof volgt dit niet: de inspecteur heeft expliciet zijn oordeel uitgesteld
vanwege een aanloopperiode, en het enkele volgen van de aangiften vormt geen te honoreren
toezegging. Daarmee staat vast dat de verliezen uit deze activiteiten over de jaren
2014-2017 niet aftrekbaar zijn.
De Kennisgroep winstfaciliteiten en firmaproblematiek heeft een standpunt ingenomen In 2018 participeert X in een vof en kwalificeert hiermee als ondernemer op grond Vraag Kan de inbreng van het commanditaire aandeel van Y plaatsvinden met toepassing van Antwoord Nee, Y is medegerechtigde en deze medegerechtigdheid vloeit niet voort uit een rechtstreekse Bron: Belastingdienst, 14-08-2025.
over de vraag of de faciliteit van de geruisloze omzetting van artikel 3.65 Wet IB
2001 van toepassing kan zijn op een geruisloos doorgeschoven voortgezet ondernemerschap.
van artikel 3.4 van de Wet IB 2001. In 2020 wijzigt het samenwerkingsverband van een
vof naar een cv. X is vanaf dat moment commanditaire vennoot en kwalificeert als medegerechtigde
op grond van artikel 3.3 Wet IB 2001. In 2022 draagt X zijn aandeel in de cv over
aan Y, een werknemer van het samenwerkingsverband. Bij de overdracht wordt gebruik
gemaakt van de geruisloze doorschuiving van artikel 3.63 Wet IB 2001. Voormalig werknemer
Y wordt commanditaire vennoot en kwalificeert als medegerechtigde op grond van artikel
3.3 Wet IB 2001. In 2024 wenst Y haar commanditaire aandeel in de cv in te brengen
in een bv.
de geruisloze doorschuiffaciliteit van artikel 3.65 Wet IB 2001?
voortzetting als ondernemer. Als sprake is van een doorgeschoven voortgezet ondernemerschap
kan de geruisloze omzetting van artikel 3.65 Wet IB 2001 niet toegepast worden.
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch oordeelt dat een oorspronkelijk als woning gebouwd pand Op 31 december 2020 koopt een bv samen met een andere bv een pand dat oorspronkelijk Beoordeling vereiste aard en noodzakelijke aanpassingen Het hof stelt voorop dat doorslaggevend is of het pand naar zijn bouwaard voor bewoning Bron: Hof Den Bosch, 25-06-2025.
dat werd verbouwd tot kantoor, zijn woningkarakter behoudt als slechts beperkte aanpassingen
nodig zijn om het weer bewoonbaar te maken.
als woning is gebouwd, maar sinds de jaren 70 als kantoor wordt gebruikt. Direct daarna
verkopen zij die onroerende zaak door aan drie stichtingen. Het pand, dat tijdelijk
anti-kraak wordt bewoond, heeft een gemengde bestemming. Bij aankoop voldoen de bv’s
6% overdrachtsbelasting en maken bezwaar: volgens hen is nog steeds sprake van een
woning in de zin van art. 14, lid 2 Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) zodat
het tarief 2% bedraagt. De inspecteur vindt van niet: het pand is door verbouwingen
en gebruik als kantoor zijn woningkarakter kwijt.
is bestemd, óók na verbouwingen. Ook als het object voor kantoor is ingericht, behoudt
het zijn woningaard zolang niet méér dan beperkte aanpassingen nodig zijn voor terugkeer
naar bewoning. In deze zaak vindt het hof dat relatieve simpele ingrepen — zoals het
dichten van gaten voor luchtventilatie en systeemplafonds herstellen — volstaan om
het pand weer geschikt te maken voor bewoning. Ruimten als de keuken en badkamers
zijn aanwezig. Daarmee kwalificeert het pand ten tijde van de levering weer als woning.
Het hof verklaart het hoger beroep gegrond en bepaalt dat de bv recht heeft op het
woningtarief van 2%. In plaats van € 24.540 (6% tarief) is de bv slechts € 8.180 aan
overdrachtsbelasting verschuldigd.
De Kennisgroep omzetbelasting heeft acht standpunten ingetrokken in verband met de Het betreft de volgende standpunten: KG:209:2022:5 Toegang verlenen tot kunstcentrum met immersieve werken KG:209:2023:2 Btw-tarief digitale kunst KG:209:2023:4 Btw-tarief online software voor dyslectici KG:209:2023:5 Tarief bh met masserende werking KG:209:2024:1 Tarief drukmeetsets KG:209:2024:2 Tarief eetbare rietjes KG:209:2024:3 Tarief doorverkoop tickets KG:209:2024:4 Tarief bloemencorso Voor meer informatie zie: ‘Standpunten Kennisgroep omzetbelasting ingetrokken wegens opname in Besluit omzetbelasting Bron: Belastingdienst, 13-08-2025.
inwerkingtreding van het besluit van 23 december 2024, Stcrt. 2024, 41782.
toelichting tabel I’.