Inloggen

Archief

Werkkostenregeling mogelijk als niet-inhoudingsplichtige werkgever vergoedingen niet heeft aangewezen

Ook werknemers met een buitenlandse, niet-inhoudingsplichtige werkgever kunnen gebruikmaken
van gerichte vrijstellingen als aan de voorwaarden van de werkkostenregeling wordt
voldaan.

Een piloot werkt in 2016 voor een Ierse luchtvaartmaatschappij. Hij is via een uitzendbureau
ingehuurd en ontvangt betalingen via twee Ierse vennootschappen waarvan hij mede-aandeelhouder
is. Deze vennootschappen vergoeden hem deels loon en deels bedragen onder de noemer
‘expenses’(in totaal € 38.586). De piloot geeft zijn inkomen aan, waarbij hij de expenses
aanmerkt als onbelaste kostenvergoedingen. De inspecteur rekent het grootste deel
daarvan echter tot het loon. Voor het hof is in geschil of de expenses kwalificeren
als gerichte vrijstellingen binnen de werkkostenregeling. Tijdens de zitting doet
de inspecteur een voorstel om €7.700 als gerichte vrijstelling te accepteren voor
reis- en vervoerskosten.

Inspecteur wijzigt standpunt tijdens procedure Het hof oordeelt dat ook bij een niet-inhoudingsplichtige werkgever sprake kan zijn
van gerichte vrijstellingen, ook al zijn de vergoedingen niet formeel als eindheffingsbestanddeel
aangewezen. De piloot slaagt er echter niet in om aan te tonen dat hij recht heeft
op meer vrijstellingen dan de €7.700 die de inspecteur heeft voorgesteld. Het hof
volgt dat standpunt en vermindert de aanslag dienovereenkomstig.

Hoge Raad bevestigt oordeel van het hof In cassatie voert de staatssecretaris aan dat geen sprake is van een overeengekomen
kostenvergoeding en dat de werkgever de vergoedingen niet heeft aangewezen als eindheffingsbestanddeel.
De Hoge Raad verwerpt beide klachten, onder verwijzing naar zijn arrest van 5 september
2025 (ECLI:NL:HR:2025:1236). Omdat de inspecteur zijn eerdere standpunt ondubbelzinnig heeft ingetrokken en
het compromis van € 7.700 als nieuw standpunt heeft ingenomen, mocht het hof daarop
zijn oordeel baseren. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond.

Bron: HR 24-10-2025.

Geen aftrek zorgkosten zonder medische verklaring of voorschrift

Een belastingplichtige die zorgkosten wil aftrekken, moet kunnen aantonen dat de uitgaven
voldoen aan de wettelijke voorwaarden. Zonder verklaring van een arts of medisch voorschrift
bestaat geen recht op aftrek, ook niet als de betaling aantoonbaar is gedaan.

Een gepensioneerde man had in zijn aangifte over 2021 voor ruim € 7.000 aan specifieke
zorgkosten opgevoerd, waaronder medicijnen, dieet, vervoer, hulpmiddelen en wijkverpleging.
De inspecteur accepteerde slechts €485, omdat voor het grootste deel van de kosten
geen bewijsstukken of medische verklaringen waren overgelegd. De man stelde dat hij
zijn best had gedaan bewijs te verzamelen, maar dat stukken ontbraken omdat zijn arts
was verhuisd. Daarnaast vond hij dat de Belastingdienst onzorgvuldig had gehandeld
in de bezwaarprocedure.

Geen aftrek zonder medische onderbouwing Hof Den Haag bevestigt het oordeel van de rechtbank. Voor aftrek van medicijnen is
een medisch voorschrift nodig, wat de man niet kon overleggen. Ook voor het dieet
ontbrak de vereiste dieetverklaring van een arts. De eigen bijdrage aan de thuiszorg
komt evenmin voor aftrek in aanmerking, omdat de zorgverlener geen contract had met
de verzekeraar. Die kosten vallen daardoor onder het verzekerde risico volgens de
Zorgverzekeringswet en zijn op grond van art. 6.18 Wet IB 2001 uitgesloten. Volgens
het hof is de behandeling door de Belastingdienst niet onzorgvuldig geweest. Dat verschillende
medewerkers aan de zaak werkten, is volgens de wet toegestaan. Ook het feit dat de
inspecteur een aankondiging deed voordat de reactietermijn afliep, schaadt de procespositie
van de man niet. Omdat de rechtbank de juiste maatstaven heeft toegepast, verklaart
het hof het hoger beroep ongegrond.

Bron: Hof Den Haag, 23-09-2025.

ABN AMRO: Afbouw hypotheekrenteaftrek valt mee voor huiseigenaren

Volgens ABN AMRO zou de geleidelijke afschaffing van de hypotheekrenteaftrek minder
zware financiële gevolgen hebben voor huishoudens dan vaak wordt gedacht.

De bank onderzocht de effecten van beleidsvoorstellen die bij de komende verkiezingen
spelen, waaronder de afbouw van de hypotheekrenteaftrek, de regulering van de huurmarkt
en maatregelen om de woningbouw te stimuleren. Hoewel de meeste politieke partijen
de hypotheekrenteaftrek willen afbouwen, is de verwachting dat dit voor de meeste
huishoudens beheersbaar blijft zolang het proces gespreid plaatsvindt over tien tot
vijftien jaar.

Uit berekeningen blijkt dat ongeveer 30% van de huiseigenaren hun belastingteruggave
maandelijks laat uitkeren, wat sommige huishoudens afhankelijk maakt van deze regeling.
Toch verwacht de bank dat de meeste woningeigenaren de hogere lasten na afbouw kunnen
opvangen doordat salarissen in de komende jaren naar verwachting meestijgen met inflatie.
Een afschaffing van de hypotheekrenteaftrek zal volgens het onderzoek ook geen directe
daling van de huizenprijzen veroorzaken, omdat loonstijgingen en inflatie juist bijdragen
aan verdere prijsdruk.

Wat betreft de bouw van nieuwe woningen stelt ABN AMRO dat extra aanbod niet automatisch
tot lagere huizenprijzen leidt. Door stijgende bouwkosten, complexe vergunningprocedures,
lange doorlooptijden en het stikstofprobleem blijft het woningtekort nog jaren aanhouden.
Hierdoor zal de woningmarkt voorlopig gespannen blijven, ondanks plannen om jaarlijks
veel nieuwe huizen te bouwen.

Daarnaast analyseert ABN AMRO de gevolgen van strengere huurmarktregulering. De bank
benadrukt dat regulering alleen effectief is wanneer de overheid tegelijkertijd financiële
steun biedt om de bouw van nieuwe huurwoningen rendabel te houden. Door stijgende
grondprijzen en bouwkosten is het voor projectontwikkelaars en woningcorporaties in
veel regio’s niet haalbaar om zonder subsidie betaalbare woningen te bouwen.

Wet betaalbare huur Volgens Mike Langen, senior econoom woningmarkt bij ABN AMRO, heeft de invoering van
de Wet betaalbare huur ertoe geleid dat veel beleggers hun huurwoningen hebben verkocht.
Dit vergrootte weliswaar het aanbod voor koopstarters, maar beperkte de opties voor
huurders. Zonder extra financiële ondersteuning dreigt het aanbod in het huursegment,
vooral in het middensegment, verder te dalen.

De bank concludeert dat de huidige woningmarkt sterk verweven is: beleid dat bedoeld
is om de positie van koopstarters te verbeteren, kan negatieve effecten hebben op
huurders, en vice versa. Evenwichtige beleidskeuzes zijn daarom essentieel om zowel
betaalbaarheid als beschikbaarheid van woningen in balans te brengen.

Bron: ABN AMRO 22-10-2025.

Samenloop BOR en NSW-faciliteit leidt niet tot extra vrijstelling

De rechtbank oordeelt dat bij samenloop van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) en
de faciliteit van de Natuurschoonwet (NSW) de NSW-vrijstelling slechts aanvullend
toepassing vindt, omdat de BOR het merendeel van de NSW-gerangschikte goederen al
van heffing vrijstelt.

Een man erft alle aandelen in een bv van zijn overleden moeder. De bv bezit een opengesteld
landgoed dat is gerangschikt onder de Natuurschoonwet 1928 (NSW) en drijft een agrarische
onderneming. De man doet in zijn aangifte erfbelasting zowel een beroep op de bedrijfsopvolgingsregeling
(BOR) als op de NSW-faciliteit. De inspecteur past de BOR toe op de onderneming en
stelt de NSW-vrijstelling vast op € 38.603. De man meent dat de NSW-faciliteit volledig
moet gelden en dat de aanslag erfbelasting moet worden vastgesteld op slechts € 113.641.

Samenloop BOR en NSW-faciliteit Rechtbank Noord-Nederland wijst erop dat de samenloop van de BOR en de NSW-faciliteit
niet eerder aan de rechter is voorgelegd. Volgens de rechtbank vereist de NSW twee
berekeningen: één op basis van de normale erfbelasting (de aanslag) en één waarbij
de waarde van het landgoed op nihil wordt gesteld. De inspecteur moet voor beide berekeningen
uitgaan van de liquidatiewaarde van het ondernemingsvermogen, omdat die hoger is dan
de waarde going concern. Op basis daarvan bedraagt de NSW-faciliteit € 38.603.

Volgens de rechtbank is het doel van de NSW-faciliteit – het behoud van landgoederen
– hiermee bereikt. Het grootste deel van de waarde van het landgoed is al vrijgesteld
door de BOR. De aanvullende NSW-faciliteit zorgt ervoor dat ook het resterende deel
niet wordt belast. Dat de NSW-faciliteit hierdoor niet volledig kan worden benut,
maakt dit niet anders. Het beroep is ongegrond.

Bron: Rb. Noord-Nederland, 30-09-2025.

Kabinet wil geen verruiming BOR

Het kabinet is niet van plan om de bedrijfopvolgingsregeling uit te breiden vanwege
aanzienlijke risico’s op ongeoorloofde staatssteun.

Dit blijkt uit de nota naar aanleiding van het verslag van het Belastingplan 2026.
Het debat rond de verruiming van de BOR draait met name om twee aanpassingen: de invoering
van een familietoets en een versoepeling van de verwateringsregeling. Door de familietoets
zouden ook belangen uit box 3 kunnen kwalificeren voor de BOR als familieleden samen
minstens 25% in de onderneming houden. Daarnaast zou de verwateringsregeling moeten
waarborgen dat ook indirecte belangen van minder dan 0,5% voor de BOR in aanmerking
komen, mits die via vererving, schenking of huwelijksvermogensrecht zijn verwaterd
vanuit een oorspronkelijk aanmerkelijk belang.

Het kabinet benadrukt dat door de formulering van het amendement deze uitbreiding
enkel effect zou hebben bij ondernemingen die door een houdstermaatschappij worden
gedreven. De motie Grinwis beoogt echter dat de familietoets ook van toepassing is
indien ondernemingen via onderliggende werkmaatschappijen structureren.

Aanzienlijk risico op ongeoorloofde staatssteun Belangrijk bezwaar van het kabinet is dat uit interne en externe (second opinion)
analyses blijkt dat deze verruiming een aanzienlijk risico op ongeoorloofde staatssteun
met zich meebrengt, wat in strijd is met het Verdrag betreffende de werking van de
Europese Unie. Bovendien zou de familietoets op gespannen voet staan met het gelijkheidsbeginsel,
omdat vergelijkbare gevallen dan enkel op basis van familiebanden ongelijk worden
behandeld, waarvoor geen objectieve rechtvaardiging is.

Vanwege deze juridische en uitvoeringstechnische bezwaren is in het wetsvoorstel vastgelegd
dat beide maatregelen nog niet per 2025 in werking treden, maar op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip. Het kabinet heeft echter het voornemen om dit besluit
niet te nemen, mede omdat een formeel goedkeuringsverzoek bij de Europese Commissie
het risico in zich draagt dat niet alleen de voorgestelde wijzigingen, maar de gehele
BOR onder de loep wordt genomen, met het gevaar van een afwijzing.

Bestaande BOR is voldoende Het kabinet ziet bovendien geen aanwijzingen dat de schenk- en erfbelasting zonder
deze uitbreiding de continuïteit van familiebedrijven in gevaar brengt. De bestaande
BOR wordt door het kabinet als voldoende steunend ervaren voor bedrijfsopvolging.
Alternatieven gericht op familiebedrijven, zouden volgens het kabinet met dezelfde
staatssteun- en gelijkheidsproblemen kampen. Het kabinet acht uitbreiding daarom niet
noodzakelijk en niet wenselijk.

Bron: MvF 17-10-2025, ‘Nota naar aanleiding van verslag bij voorstel Wet Belastingplan
2026’.

© lArcade 2026