Inloggen

Archief

Nota’s naar aanleiding van verslag pakket Belastingplan 2026

Staatssecretaris Heijnen heeft de Tweede Kamer de Nota’s naar aanleiding van het verslag
bij het pakket Belastingplan 2026 gestuurd.

Bron: MvF 17-10-2025, nr. 2025-0000480964.

Reactie kabinet op motie voor opties verlagen box 3-heffing woningen in 2026 en 2027

Staatssecretaris Heijnen gaat in een Kamerbrief in op een motie waarin is verzocht
om opties in kaart te brengen voor het verlagen van de box 3-heffing voor woningen
in 2026 en 2027.

Dekking budgettaire derving in box 3 Het kabinet heeft aangekondigd dat de invoering van het nieuwe stelsel van box 3,
gebaseerd op werkelijk rendement, met een jaar wordt uitgesteld tot 1 januari 2028.
Hierdoor blijft het huidige forfaitaire systeem met de tegenbewijsregeling nog een
jaar langer van kracht. Dit systeem brengt een aanzienlijke budgettaire derving met
zich mee (€ 2,55 miljard per jaar), omdat belastingplichtigen jaarlijks voor het meest
gunstige systeem kunnen kiezen. Om deze derving op te vangen, stijgt het forfait voor
overige bezittingen per 2026 met 1,78 procentpunt naar 7,78 procent en wordt het heffingvrije
vermogen vanaf 1 januari 2026 verlaagd van € 57.684 naar € 51.396. Deze maatregelen
leveren samen € 1.107 miljoen en 161 miljoen per jaar op voor de jaren 2026 en 2027.

Alternatieven voor lastenverzwaring De Kamer vroeg het kabinet opties te onderzoeken om de verhoging van de box 3-heffing
voor woningen te verzachten. Een mogelijkheid is het forfait niet te verhogen; dit
kost € 1.129 miljoen per jaar. Deze optie is technisch mogelijk, maar vraagt om alternatieve
dekking. Een andere optie is om kostenaftrek toe te staan bij de tegenbewijsregeling,
maar dit is eerder verworpen door de Kamer vanwege een oplopend begrotingstekort en
uitvoeringsproblemen bij rechtsherstel. Door deze opties ontstaat vertraging bij het
bieden van rechtsherstel en invoering van het nieuwe stelsel, wat door vastgoedbeleggers
onwenselijk wordt geacht.

Leegwaarderatio en toekomstige onderzoeken Tot slot gaat de brief in op de leegwaarderatio voor verhuurde woningen, een technische
correctie waardoor rekening wordt gehouden met het waardeverlagende effect van verhuur.
Het kabinet benadrukt dat dit geen beleidsmaatregel is, maar een technische parameter
die alleen na uitgebreid onderzoek kan wijzigen. Een aanpassing vóór 2027 kan zelfs
gevolgen hebben voor Europese herstel- en veerkrachtmiddelen.

Voortgang Het kabinet heeft bij de augustusbesluitvorming de voorgestelde lastenmaatregelen
integraal gewogen. Het kabinet heeft ervoor gekozen om voor de hiervoor geschetste
budgettaire derving in box 3 dekking te zoeken binnen box 3. Aangezien belastingplichtigen
met een lager werkelijk rendement dan het forfait tegenbewijs kunnen leveren, komt
deze dekking dus terecht bij belastingplichtigen met hogere rendementen. Het kabinet
blijft zich verder inspannen voor zo snel mogelijke invoering van het nieuwe stelsel
in box 3 per 1 januari 2028.

Bron: MvF 17-10-2025.

Verhuisbericht ondernemers komt niet altijd goed aan bij Belastingdienst

Staatssecretaris Heijnen geeft antwoord op vragen over het bericht ‘Verhuisberichten
die niet goed doorkomen bij de Belastingdienst waardoor ondernemers in de financiële
problemen komen’. 

Ondernemers kunnen in de financiële problemen raken door foutieve verwerking van adreswijzigingen.
De overheid erkent het probleem en licht toe welke stappen worden gezet om fouten
te voorkomen en op te lossen.

Ondernemers melden hun verhuizing aan de Kamer van Koophandel (KVK), maar soms komt
deze wijziging niet door bij de Belastingdienst. In een zeer beperkt aantal gevallen
kunnenfouten optreden door technische problemen of menselijke vergissingen. Procedures
om deze fouten te herstellen zijn aanwezig, en de KVK en Belastingdienst stemmen af
wanneer een onjuist koppeling is gesignaleerd. Na analyse kan de fout worden hersteld
en soms wordt een aanvullend verbetertraject gestart.

Blokkeren van bankrekeningen vindt alleen plaats als ondernemers hun belastingen niet
betalen, ondanks diverse waarschuwingen en mogelijkheden tot uitstel. Dit proces duurt
gemiddeld acht weken en ondernemers krijgen meerdere contactmomenten om betaling of
uitstel te regelen. Mocht een beslag worden gelegd terwijl de ondernemer geen aanslag,
aanmaning of dwangbevel heeft ontvangen, dan wordt het beslag na contact met de Belastingdienst
weer opgeheven. Het kabinet begrijpt de stress die zo’n situatie voor ondernemers
veroorzaakt en wijst op het Stellateam voor urgente gevallen.

Geen verder onderzoek Het kabinet ziet geen aanleiding voor een grootschalig onderzoek naar de omvang van
het probleem, gezien het beperkte aantal incidenten en bestaande procedures voor herstel.
Er vindt regulier overleg plaats tussen de Belastingdienst en de KVK, waarbij extra
aandacht wordt besteed aan adresmutaties om toekomstige fouten te minimaliseren.

Schade als gevolg van administratieproblemen kan voor vergoeding in aanmerking komen
indien sprake is van een onrechtmatige overheidsdaad, geleden schade en een causaal
verband; dit wordt per geval bekeken en de bewijslast ligt bij de ondernemer. KVK
en Belastingdienst sturen altijd statusupdates over adreswijzigingen, en ondernemers
kunnen zelf de juiste verwerking controleren via Mijn Belastingdienst Zakelijk.

Er is geen speciale controle op correcte verwerking van elke mutatie door de KVK,
gezien het minimale aantal fouten en bestaande herstelprocedures. Ten onrechte in
rekening gebrachte kosten of rente worden gecorrigeerd. Als een schrijnende situatie
dreigt, biedt de Belastingdienst maatwerk. Het kabinet ziet voldoende waarborgen om
ondernemers te beschermen, maar blijft extra aandacht besteden aan adreswijzigingen
in het vervolg.

Bron: MvF 16-10-2025.

Reactie RB internetconsultatie ‘Besluit verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties’

Het Register Belastingadviseurs (RB) heeft gereageerd op de internetconsultatie over
het ‘Besluit verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties’.

Dit besluit geeft meer duidelijkheid over het verschil tussen een arbeidsovereenkomst
en een overeenkomst van opdracht. Volgens het RB is het besluit een nuttig hulpmiddel
voor de praktijk, maar vraagt het wel om enkele verbeteringen.

Het RB adviseert om het besluit ook te laten ondertekenen door de staatssecretaris
van Financiën, omdat de inhoud belangrijke fiscale gevolgen kan hebben. Daarnaast
wijst het RB erop dat het besluit nog onvoldoende duidelijk is bij overeenkomsten
waarbij iemand op basis van inspanning werkt in plaats van op resultaat. Het verzoek
is daarom om in het besluit voorbeelden op te nemen die verduidelijken wanneer sprake
is van ‘werkinhoudelijke’ of ‘organisatorische’ aansturing – met andere woorden: wanneer
iemand feitelijk onder een werkgever valt of juist zelfstandig onder een opdrachtgever
werkt.

Verder benadrukt het RB dat de grens tussen arbeidsovereenkomst en opdracht in de
praktijk vaak vloeiend is. Om die reden pleit de organisatie ervoor dat bij twijfel
over de aard van de arbeidsrelatie partijen de Belastingdienst kunnen vragen om een
bindend oordeel via een beschikking. Zo’n beschikking zou ook civielrechtelijke betekenis
moeten hebben, zodat er meer rechtszekerheid ontstaat voor zowel werknemer als opdrachtgever.

Bron: RB 14-10-2025, ‘Reactie RB op de internetconsultatie ‘Besluit verduidelijking
beoordeling arbeidsrelaties’.

Loonkosten per gewerkt uur 6 procent hoger in 2024

De loonkosten per gewerkt uur in Nederland zijn in 2024 met 6 procent gestegen, van
42,5 euro per uur in 2023 naar 45,0 euro per uur in 2024. Dit meldt het Centraal Bureau
voor de Statistiek (CBS) op grond van voorlopige cijfers.

Deze stijging is iets minder groot dan die in 2023, toen de loonkosten met 6,8 procent
toenamen. De toename in loonkosten is niet in alle sectoren even sterk. Vooral in
de sector verhuur en overige zakelijke diensten stegen de loonkosten fors: met 9,9
procent, mede doordat in deze sector het totaal aantal gewerkte uren flink afnam.
Ook sectoren als landbouw, bosbouw en visserij (+8,5 procent) en openbaar bestuur
en overheidsdiensten (+7,2 procent) zagen bovengemiddelde stijgingen. In de financiële
dienstverlening bleef de toename het kleinst met slechts 2,7 procent.

Hogere CAO-lonen In alle bedrijfstakken stegen de loonkosten per gewerkt uur. Zo waren ook in de horeca
en de zorg aanzienlijke stijgingen zichtbaar, evenals in handel, industrie, bouwnijverheid
en andere diensten. De verschillen hangen onder meer samen met het afgenomen aantal
gewerkte uren, hogere cao-lonen en veranderingen in de werknemerspopulatie. Zo zorgt
een groeiend aandeel oudere werknemers en mensen met een hoger opleidingsniveau voor
hogere gemiddelde loonkosten. Het zogenaamde structuureffect (verandering in de samenstelling
van het personeelsbestand) was in 2024 0,4 procentpunt: er waren naar verhouding meer
werknemers met relatief hoge loonkosten dan een jaar eerder. Gecorrigeerd voor dit
effect komt de ‘zuivere’ loonkostenstijging — de prijs van arbeid — op 5,5 procent.

Over de periode 2014-2024 zijn de loonkosten per gewerkt uur totaal met 35,1 procent
gestegen. De sector openbaar bestuur en overheidsdiensten kende de grootste stijging
in tien jaar tijd (+44,8 procent), gevolgd door informatie en communicatie (+41,8
procent) en de gezondheidszorg (+37,1 procent). De kleinste stijging werd geregistreerd
in de verhuur en handel van onroerend goed (+26,2 procent). In de meeste sectoren
steeg de prijs van arbeid nagenoeg gelijk op met het totaal, wat wijst op een relatief
beperkte invloed van de veranderingen in werknemerssamenstelling; het grootste structuureffect
deed zich voor in landbouw, bosbouw en visserij, met meer oudere en hoger opgeleide
werknemers.

Bron: CBS 15-10-2025, ‘Loonkosten per gewerkt uur 6 procent hoger in 2024’.

© lArcade 2026