De Belastingdienst heeft de Handreiking Wijziging deelnemer fiscale eenheid geactualiseerd. In de bijlage van de vaststelling van een FE OB staat dat een wijziging schriftelijk een uittredende (rechts)persoon uit een FE OB blijft hoofdelijk aansprakelijk voor de (rechts)personen in de FE OB blijven hoofdelijk aansprakelijk voor de omzetbelastingschulden Na de melding blijft de hoofdelijke aansprakelijkheid gelden voor de omzetbelastingschulden Let op! Zolang de wijziging niet schriftelijk wordt doorgegeven aan de inspecteur, blijft Bron: Belastingdienst 13-10-2025 ‘Handreiking Wijziging deelnemer fiscale eenheid’.
moet worden doorgegeven. Dit is ook in het belang van alle deelnemers aan de FE OB,
want:
de omzetbelastingschulden van de FE OB, tot het moment van melding bij de inspecteur
van de uitgetreden (rechts)persoon, tot het moment van melding aan de inspecteur
die betrekking hebben op de periode vóór de melding bij de inspecteur. Het afmelden
heeft dus enkel effect op de aansprakelijkheid voor schulden die zijn gemaakt na het
uittreden uit de FE OB. De inspecteur houdt bij bovenstaande de datum aan waarop de
melding bij de Belastingdienst binnenkomt.
de hoofdelijke aansprakelijkheid bestaan. Als de Belastingdienst zelf een wijziging
vaststelt, wordt de dagtekening van de beschikking als datum aangehouden.
Wie na aankoop een woning sloopt om een nieuwe woning te bouwen, kan geen gebruikmaken Twee particulieren kopen in december 2022 een perceel waarop een verouderd dubbel Geen hoofdverblijf in de verkregen woning Rechtbank Gelderland stelt voorop dat overdrachtsbelasting een tijdstipbelasting is. Bron: Rb. Gelderland, 01-10-2025.
van het verlaagde tarief van 2% overdrachtsbelasting.
woonhuis staat. In de koopovereenkomst is vastgelegd dat zij de woning willen slopen
en op het perceel een nieuwe woning zullen bouwen. Na de overdracht wordt de bestaande
woning inderdaad gesloopt en start de nieuwbouw. Over de aankoop wordt 8% overdrachtsbelasting
voldaan. De kopers menen dat het verlaagde tarief van 2% geldt, omdat zij de nieuw
te bouwen woning als hoofdverblijf zullen gebruiken. De inspecteur wijst het bezwaar
af.
Beslissend is de situatie op het moment van de verkrijging. Op dat moment staat er
nog een oude woning, maar vaststaat dat de kopers daarin niet zullen gaan wonen. Omdat
de verkregen woning gesloopt zal worden, is niet voldaan aan het hoofdverblijfcriterium
van art. 14, tweede lid, Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBRV). Volgens de rechtbank
is de wettekst duidelijk: het 2%-tarief geldt alleen als de verkregen woning daadwerkelijk
als hoofdverblijf wordt gebruikt. Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat de wetgever
een uitzondering heeft willen maken voor gevallen waarin de woning na aankoop wordt
gesloopt om plaats te maken voor nieuwbouw. Dat de aanhorigheden, het riool en de
hemelwaterafvoer behouden blijven, verandert dat niet. Het beroep is ongegrond.
Tijdens de coronapandemie konden zelfstandig ondernemers inkomensondersteuning krijgen Inmiddels is 51,2% van het uitgeleende bedrag (€ 149 miljoen) daadwerkelijk terugontvangen. Grote verschillen tussen gemeenten Volgens schattingen van gemeenten wordt verwacht dat uiteindelijk tussen de 65% en Het bedrijfskapitaal Tozo werd als rentedragende lening verstrekt, met duidelijke Het streven is dat gemeenten terugvorderingen op een rechtvaardige en zoveel mogelijk Bron: SZW 13-10-2025.
via de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo). Ongeveer 24.000
ondernemers maakten gebruik van de Tozo-lening voor bedrijfskapitaal, in totaal goed
voor € 291 miljoen.
Dit schrijft de minister van SZW in het Gemeentenieuws van SZW 2025-5.
70% van de verstrekte leningen wordt terugbetaald. Er zijn aanzienlijke verschillen
in het terugvorderingspercentage tussen gemeenten. Gemeenten die relatief veel leningen
hebben uitgezet, innen gemiddeld een lager percentage dan gemeenten die minder leningen
hebben verstrekt. Dit kan deels worden verklaard door verschillen in werkwijze en
intensiteit van de terugvordering.
voorwaarden rond terugbetaling. Gemeenten hebben zich daarbij verbonden inspanningen
te verrichten om de bedrijfskredieten terug en in te vorderen als niet aan de betalingsverplichtingen
wordt voldaan. Het is van belang om zelfstandig ondernemers te ondersteunen bij de
afbetaling waar dit nodig is. Het is echter ook van belang dat zelfstandig ondernemers
de betalingsverplichtingen nakomen zodra dit vereist en mogelijk is. Beïnvloeding
van markt en concurrentiepositie van ondernemers moet immers worden voorkomen schrijft
de minister. Waar nodig bieden gemeenten hulp bij afbetaling en kan een betalingsregeling
worden afgesproken, met als doel betalingsproblemen of faillissement te voorkomen.
Indien noodzakelijk kan een vordering nog minstens vijf jaar na het opeisbaar stellen
van de lening worden geïnd.
gelijke manier afhandelen. Het ministerie van SZW doet daarom opnieuw een dringend
beroep op gemeenten om zich maximaal in te spannen om de openstaande vorderingen alsnog
te innen.
Betalen van een instapvergoeding van € 750 per auto betekent dat het bedrijfsmodel Een man procedeert over een bpm-geschil. Eerder heeft de Hoge Raad bij tussenarrest Geen no cure no pay bij instapvergoeding De Hoge Raad heeft op 26 september 2025 in negen soortgelijke zaken geoordeeld dat Dit betekent dat de man erin is geslaagd te bewijzen dat zijn geval is aan te merken Bron: HR 10-10-2025.
van een gemachtigde niet kwalificeert als no cure no pay, waardoor de WHpkv niet van
toepassing is bij proceskostenvergoeding.
van 6 juni 2025 (ECLI:NL:HR:2025:862) al beslist dat de inspecteur moet worden veroordeeld in de proceskosten voor de
bezwaar- en hoger beroepsfase. Nu ligt alleen nog de omvang van de proceskostenvergoeding
in cassatie ter beoordeling. De Hoge Raad heeft de man verzocht om nadere gegevens
te verstrekken. Het gaat hierbij om gegevens waaruit blijkt dat zijn zaak een bijzonder
geval vormt als bedoeld in het arrest van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46). De man, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, heeft bij bericht van 6 juni 2025
van die gelegenheid gebruikgemaakt. Het geschil betreft de vraag of de proceskostenvergoeding
berekend moet worden met toepassing van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen
WOZ en bpm (WHpkv) of niet.
de betrokken belanghebbenden erin zijn geslaagd buiten redelijke twijfel te bewijzen
dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde, beoordeeld naar de situatie op het moment
waarop beroep in cassatie is ingesteld in het jaar 2024, niet het kenmerk heeft van
optreden op basis van no cure no pay. Met voldoende gegevens is onderbouwd dat deze
gemachtigde in het jaar 2024 voor elke op te starten procedure een instapvergoeding
van € 750 exclusief omzetbelasting per betrokken auto in rekening brengt, ongeacht
de uitkomst van die procedure. Een instapvergoeding van € 750 exclusief omzetbelasting
per betrokken auto is niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening
op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van
no cure no pay.
als een bijzonder geval als bedoeld in het arrest van 17 januari 2025. De Hoge Raad
berekent de vergoeding van de proceskosten van deze cassatieprocedure daarom zonder
inachtneming van de WHpkv. De Hoge Raad kondigt aan dat met betrekking tot volgende
beslissingen over de omvang van de vergoeding van kosten van rechtsbijstand in elke
andere door deze gemachtigde in het jaar 2024 bij de Hoge Raad aanhangig gemaakte
procedure over de bpm waarin wordt gesteld dat sprake is van een bijzonder geval,
ervan zal worden uitgegaan dat de gemachtigde niet werkt op basis van no cure no pay.
De Hoge Raad oordeelt dat de inspecteur onder voorwaarden een vergrijpboete kan opleggen Een man ontvangt voor 2017 en 2018 aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen Onderscheid tussen boetebepalingen De Hoge Raad maakt duidelijk verschil tussen artikel 67d, lid 1, AWR en artikel 67e, Herbeoordeling door hof Omdat het hof niet het juiste wettelijke onderscheid heeft gemaakt en uitging van Bron: HR, 10-10-2025.
bij navorderingsaanslagen, ook wanneer de belastingplichtige niet (correct) is uitgenodigd
tot het doen van aangifte.
op basis van door hem verstrekte aangiftegegevens. Later stelt de inspecteur via onderzoek
vast dat te weinig resultaat uit overige werkzaamheden is aangegeven en legt navorderingsaanslagen
op, inclusief vergrijpboeten van 50% van het nagevorderde bedrag. De inspecteur meent
dat er sprake is van voorwaardelijk opzet. Voor het hof is het punt in geschil of
correct en passend is gehandeld bij het opleggen van de vergrijpboete; het hof oordeelt
dat de inspecteur niet heeft aangetoond dat de man correct is uitgenodigd tot het
doen van aangifte, en vernietigt de boete. De inspecteur gaat in cassatie.
lid 1, AWR. Voor een vergrijpboete wegens niet (opzettelijk) doen van aangifte op
basis van artikel 67d is vereist dat eerst een correcte uitnodiging en aanmaning is
verstuurd. Artikel 67e heeft echter een ruimere reikwijdte: hier kan ook een boete
worden opgelegd wanneer opzet of grove schuld tot een te lage aanslag heeft geleid,
zelfs zónder correcte uitnodiging tot aangifte of aanmaning. Dit betekent dus dat
het ontbreken van een correcte uitnodiging niet automatisch betekent dat geen vergrijpboete
kan worden opgelegd bij navordering.
een te strikte eis uit het arrest van 2022 bij de toepassing van art. 67e AWR, vernietigt
de Hoge Raad het oordeel over de boeten en verwijst het geschil terug naar het hof
‘s-Hertogenbosch voor herbeoordeling.