Inloggen

Archief

Geen btw-aangiften

De Belastingdienst gaat een brief sturen aan ondernemers die minimaal één jaar geen btw aan de Belastingdienst hebben afgedragen of in aftrek hebben gebracht. De Belastingdienst gaat er dan van uit dat de onderneming is gestopt.
Ondernemers die zo’n brief ontvangen, maar niet zijn gestopt met hun onderneming krijgen tot uiterlijk 2 september de tijd om te reageren op de brief van de Belastingdienst. In een brief aan de Belastingdienst moet men dan aangeven waarom minimaal één jaar is ingevuld dan niets is aan te geven, waarom men mogelijk onder een ontheffing, vrijstelling of bijzondere regeling valt of waarom de kleineondernemingsregeling van toepassing is (in dat laatste geval moet bij komende aangiften het bedrag van de voorlopige of definitieve vermindering bij rubriek 5 worden aangegeven). Vergeet ook niet in de brief het kenmerk van de ontvangen brief, uw telefoonnummer en e-mailadres te vermelden. Na ontvangst van de brief neemt de Belastingdienst schriftelijk of telefonisch contact op. Het omzetbelastingnummer trekt de Belastingdienst niet in voordat er contact is geweest. Klopt het, dat de onderneming is gestopt, dan hoeft men niets te doen. De Belastingdienst trekt het omzetbelastingnummer in. De Belastingdienst kan het omzetbelastingnummer ook intrekken door gebrek aan economische activiteiten. Mogelijk moet men dan btw betalen over de waarde van bedrijfsmiddelen die naar privé zijn overgegaan. Bron: Belastingdienst 1-08-2019

Door krapte op arbeidsmarkt sollicitanten veeleisender

Door de krapte op de arbeidsmarkt, duurt het voor de meeste werkzoekenden tegenwoordig niet lang voordat ze een baan hebben gevonden. Maar is dat ook van invloed op het sollicitatiegedrag van werknemers. Durven ze een hoger loon te vragen of solliciteren ze eerder naar een functie waar ze minder gekwalificeerd voor zijn?
HR-dienstverlener Brunel onderzocht of dit ook van invloed is op het sollicitatiegedrag van werknemers. Voor het onderzoek werden 1.158 Nederlanders ondervraagd. Een jaar of zeven terug zouden de meeste werknemers er niet over denken om te solliciteren naar een functie waar ze niet de juiste opleiding voor hebben gevolgd of niet genoeg werkervaring voor hebben. Dat werd gezien als verspilde moeite. Nu denkt een meerderheid daar anders over 51% durft namelijk op banen te solliciteren waar ze niet gekwalificeerd voor zijn. Vooral vrouwen en jongere sollicitanten zijn daartoe bereid. Onder twintigers ligt dit percentage op 65%. De krapte op de arbeidsmarkt leidt er ook toe dat meer sollicitanten hoog inzetten bij hun sollicitatie. Driekwart van de ondervraagden geeft aan tegenwoordig bij een sollicitatiegesprek om meer loon te vragen dan vroeger. Ook hier geldt dat hoe jonger men is, hoe hoger men inzet. Maar in alle leeftijdscategorieën durven mannen hoger in te zetten bij de salarisonderhandelingen (76% tot 82%). Vrouwen ouder dan 60 jaar blijven met 35% op dit punt ver achter, ook ten opzicht van vrouwen in de overige leeftijdscategorieën (66% - 73%). De personeelstekorten worden het meest gevoeld in sectoren als de ICT, de bouw, de zorg en het onderwijs. Dit betekent echter niet dat in al deze branches sollicitanten in dezelfde mate om een hoger salaris durven te vragen. De meeste sollicitanten in de bouw (87%) en ICT (92%) geeft aan stevig in te zetten waar het salaris betreft, maar het onderwijs blijft op dat punt achter (59%). Naast het feit dat Nederlanders tegenwoordig om een hoger salaris durven te vragen dan vroeger, zetten ze ook hoger in als het om secundaire arbeidsvoorwaarden gaat. Zeven op de tien ondervraagden zeggen namelijk dat ze bij een sollicitatiegesprek om betere secundaire arbeidsvoorwaarden zouden vragen dan voorheen. Onder mannelijke fulltimers ligt dit percentage nóg hoger. De schaarste leidt er ook toe dat werkgevers ongekwalificeerd personeel moeten aannemen. Volgens 60% van de mensen in de bouw gebeurt dit te vaak. Het gemiddelde van alle onderzochte sectoren is 54%. Bron: Brunel 2-08-2019

Volle hypotheekrenteaftrek dankzij economische eigendom

Wie juridisch voor de helft eigenaar is van een eigen woning, maar voor 100% de economische eigendom heeft, mag van Rechtbank Den Haag de hele hypotheekrente aftrekken.
Een echtpaar is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Gedurende hun huwelijk verkrijgen zij een eigen woning die zij met een hypotheek financieren. Wanneer het tot een echtscheiding komt, komen de ex-echtgenoten overeen dat de vrouw vanaf 1 januari 2014 alle lasten van de woning voor haar rekening neemt. Zou op 1 januari 2017 duidelijk worden dat de vrouw de woning niet op haar naam kan overnemen, dan blijft haar ex-echtgenoot hoofdelijk aansprakelijk. In deze situatie zal een onderhandse verkoop van de woning aan een derde plaatsvinden. De ex-echtgenoten zullen dan ieder de helft van de verkoopopbrengst minus de verkoopkosten ontvangen. Zo ver komt het echter niet: de vrouw verkrijgt op 19 januari 2017 de volledige eigendom van de woning. In haar aangifte inkomstenbelasting over 2016 geeft zij de woning voor 100% op als eigen woning. Ze trekt daarom de volledige hypotheekrente af. De Belastingdienst gaat daarmee niet akkoord, omdat de vrouw over 2016 maar 50% van de juridische eigendom had. Voor de rechtbank maakt dat niet uit. Door alle kosten voor haar rekening te nemen, heeft de vrouw de economische eigendom van de woning gekregen. Dat de waardeverandering van de woning haar niet volledig toekomt als zij de woning niet tijdig op haar naam kan laten zetten, doet daar niets aan af. Deze omstandigheid heeft zich immers niet voorgedaan. Nu de vrouw 100% van de economische eigendom heeft, mag zij de hypotheekrente eveneens volledig aftrekken. Bron: Rb. Den Haag 3-06-2019 (publ. 2-08-2019)

Geen opgewekt vertrouwen dat er een boete volgt

Wordt voor een bepaald feit een fiscale boete opgelegd, dan kan een belastingplichtige voor datzelfde feit in principe niet meer strafrechtelijk worden vervolgd, tenzij er sprake is van nieuwe bezwaren. Een belastingplichtige meende aan het feit dat hij een fiscale boete had gekregen, het vertrouwen te kunnen ontlenen dat over een andere periode ook een fiscale boete volgt, zodat strafvervolging niet mogelijk meer was.
Een belastingplichtige werd door het OM ten laste gelegd dat hij over een reeks jaren - al dan niet als medeplichtige - onjuiste aangiften IB had gedaan, opzettelijk niet (op tijd) aangiften IB had ingediend, opzettelijk onjuiste aangiftes btw had gedaan en niet voldaan had aan zijn inlichtingenplicht door opzettelijk verstrekken van valse documenten. Zijn advocaat verweert zich met de stelling dat de man al verzuimboetes had gekregen voor de te late aangiften en een vergrijpboete voor een onjuiste aangifte btw (over een ander tijdvak). Daarmee is volgens de advocaat gekozen voor de bestuursrechtelijke weg. De strafrechtelijke weg is daardoor afgesloten. Daarnaast is bij de man het vertrouwen opgewekt dat hij ook voor de aangifte IB/PVV over 2014 en aangiften omzetbelasting over januari – augustus 2016 fiscale boetes zou moeten betalen. Strafrechtelijke vervolging zou daarom volgens de advocaat in strijd zijn met het vertrouwensbeginsel. Rechtbank Rotterdam constateert dat de man inderdaad al verzuimboetes heeft moeten betalen voor het niet (op tijd) indienen van de aangifte IB/PVV. Het zogeheten ‘una via-beginsel’ staat daarom strafrechtelijke vervolging niet meer toe. Maar voor de andere feiten is strafrechtelijke vervolging wel mogelijk. De vergrijpboete voor de omzetbelasting ziet immers op een andere periode. En de stelling van het opgewekte vertrouwen dat er een fiscale boete zou volgen, zodat strafrechtelijke vervolging niet mogelijk was, vond de rechtbank echt te ver gaan. De rechtbank meent dat er geen sprake is van opgewekt vertrouwen. Rb. Rotterdam 23-07-2019

Meer ‘kleine’ mkb-bedrijven

Het mkb in Nederland telde aan het begin van het derde kwartaal 1,16 miljoen mkb-bedrijven, bijna 335.000 meer dan tien jaar geleden. Grote groeiers zijn de informatie- en communicatiesector, daar zijn in die periode relatief de meeste bedrijven bijgekomen. Slechts 41% van de mkb-bedrijven is ouder dan tien jaar.
De toename in het aantal mkb-bedrijven bestaat voor het overgrote deel (330.000) uit zogenoemde microbedrijven. Nederland telt nu ruim 1,1 miljoen microbedrijf. In microbedrijven zijn 1 tot 10 personen werkzaam. Het aantal bedrijven met 10 tot 250 werkzame personen is met 52.000 bedrijven in 2019 ongeveer gelijk aan dat van begin 2009. In de informatie- en communicatiesector nam het aantal bedrijven met 67% het sterkste toe in tien jaar tijd. Zowel het aantal eenpitters als het aantal bedrijven met meer werkzame personen nam toe. Zo steeg het aantal IT-dienstverleners aanzienlijk en verdubbelde het aantal filmproducenten en vloggers bijna. Dit zijn voornamelijk eenmanszaken. In de handel kwamen er tienduizenden webwinkels bij, voornamelijk eenmanszaken. In de industrie en vooral bouwnijverheid nam het aantal mkb-bedrijven met 10 tot 250 werkzame personen af, maar kwamen er meer microbedrijven voor terug, zodat per saldo er meer bedrijven actief zijn in deze bedrijfstakken. In de industrie vertienvoudigde het aantal bierbrouwerijen. In het vervoer kwamen er veel pakketbezorgers bij. Alleen in de horeca nam het aantal mkb-bedrijven met meer dan 10 werkzame personen sterker toe dan het aantal microbedrijven. Op 1 januari van 2019 bestonden 467.000 (41,2%) mkb-ondernemingen tien jaar of langer. Vijf jaar eerder (in 2014) was 37% van de mkb-bedrijven tien jaar of ouder. Dit betreft vooral grotere bedrijven. In het middenbedrijf (50 tot 250 werkzame personen) is bijna 80% van de bedrijven ouder dan tien jaar, terwijl onder de zzp’ers ruim 34% langer dan tien jaar actief is. ‘Oude’ bedrijven vindt men vooral in de industrie (51,1%) en de bouw en handel (47%) , terwijl de jonge mkb-bedrijven (3 jaar of jonger) vooral voorkomen in de verhuur en overige zakelijke diensten (25,0%) en bij bedrijven actief in vervoer en opslag (24,4%). Bron: CBS 1-08-2019

© lArcade 2022