Uit een zaak voor Rechtbank Noord-Nederland blijkt dat het gebruik van een achteraf De Belastingdienst past op het fiscale loon van een dga een correctie toe van € 17.125 Bron: Rb. Noord-Nederland 12-10-2022 (gepubl. 04-11-2022)
opgestelde rittenregistratie soms toch is toegestaan.
vanwege het privégebruik van de auto van de zaak. De fiscus wijst namelijk de rittenregistratie
af die de dga heeft gereconstrueerd. Dat heeft de dga gedaan omdat de koffer waarin
hij zijn oorspronkelijke rittenregistratie heeft bewaard, is gestolen. Het geschil
komt voor Rechtbank Noord-Nederland. De rechtbank stelt dat men niet wettelijk verplicht
is om het privégebruik van hooguit 500 privékilometers te bewijzen met een oorspronkelijk
bijgehouden rittenregistratie. Andere middelen mogen ook. Daarnaast benadrukt de rechtbank
dat de dga niet het exacte aantal privékilometers hoeft te bewijzen. Het overtuigend
aantonen dat het gaat om hoogstens 500 privékilometers op jaarbasis volstaat.
De rechtbank oordeelt dat de dga slaagt in zijn bewijslast. De inspecteur stelt dat
diverse kilometeropgaves niet kloppen. Maar de rechtbank constateert dat deze afwijkingen
niet bestaan of verwaarloosbaar zijn. De rechtbank merkt daarnaast op dat de dga eerder
te veel in zijn nadeel dan in zijn voordeel heeft afgerond. Daarmee zijn de fundamenten
van de conclusies van de Belastingdienst weggeslagen. Vervolgens beoordeelt de rechtbank
of de gereconstrueerde rittenregistratie deugt. Daarbij stelt de rechtbank vast dat
de gereconstrueerde rittenregistratie wat opzet en inrichting betreft (vrijwel) helemaal
voldoet aan de voorwaarden voor een ‘echte’ rittenregistratie. De routes die de dga
heeft gereden, zijn gebruikelijke routes. Bovendien heeft de dga in privé nog enkele
andere motovoertuigen waarmee hij privéritten kan maken. Vanwege deze omstandigheden
keurt de belastingrechter de gereconstrueerde rittenregistratie goed. De rechtbank
draait vervolgens de correcties van de inspecteur terug.
De afwaardering van een regresvordering die verband houdt met borg staan voor schulden Op 14 augustus 2008 heeft een man een overeenkomst van borgtocht gesloten met een Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden 01-11-2022 (gepubl. 02-11-2022)
is geen verlies uit terbeschikkingstelling als borgsteller geen aanmerkelijk belang
meer heeft in de bv.
bank. Deze overeenkomst vermeldt twee vennootschappen, waarin de man indirect een
aanmerkelijk belang (ab) houdt, als debiteuren. Op 29 december 2010 spreekt de bank
de man aan als borg voor een bedrag van € 50.000. In 2015 komen de bank en de man
overeen dat hij de bank in delen € 40.000 zal betalen. In 2016 betaalt hij de bank
bijvoorbeeld € 25.000. De man verkrijgt daarmee een regresvordering op de vennootschappen,
maar die zijn inmiddels failliet gegaan. Hij wil dan ook zijn regresvordering afwaarderen
ten laste van zijn resultaat uit overige werkzaamheden. De inspecteur merkt echter
de betaling van € 25.000 aan als een verlies in de kapitaalsfeer. Volgens hem is dus
sprake van negatief inkomen uit aanmerkelijk belang. Daarop start de man een beroepsprocedure.
Tijdens de zitting voor Hof Arnhem-Leeuwarden is niet in geschil dat de man vanaf
17 februari 2010 geen ab meer houdt in de twee vennootschappen. Daarmee is ook de
terbeschikkingstelling geëindigd, aldus het hof. De man stelt nog dat de terbeschikkingstelling
voortduurt tot het moment van daadwerkelijke betaling. Volgens het hof vindt deze
stelling echter geen steun in het recht. Het hof wijst er bovendien op dat de vennootschappen
in 2014 zijn opgeheven. In 2016 waren er dus geen vennootschappen meer waaraan de
man iets ter beschikking had kunnen stellen. Het hof verklaart zijn hoger beroep dan
ook ongegrond.
Vanaf 1 januari 2023 verandert de manier waarop men de gegevens over uitbetaalde bedragen Voor het aanleveren van de gegevens voor uitbetaalde bedragen aan derden (nieuwe renseigneringsverplichting de naam, het adres, het bsn en de geboortedatum van de ontvanger van de betaling;
de in het kalenderjaar betaalde bedragen inclusief eventuele kostenvergoedingen. de datum waarop de uitbetaling is gedaan. De belangrijkste verschillen tussen inhoudingsplichtige en niet-inhoudingsplichtige Inhoudingsplichtige uitbetalers moeten het burgerservicenummer (bsn) van personen Niet-inhoudingsplichtige uitbetalers mogen het burgerservicenummer (bsn) juist níet Vanaf 1 januari 2023 moeten inhoudingsplichtige uitbetalers altijd gegevens over uitbetaalde Niet-inhoudingsplichtige uitbetalers hoeven gegevens over uitbetaalde bedragen aan Vanaf 1 januari 2023 verandert de manier waarop men de gegevens over uitbetaalde bedragen Volgend jaar kan men de gegevens aanleveren via het gegevensportaal van de Belastingdienst In 2023 is de huidige invoerapplicaties niet meer te gebruiken. Deze worden vervangen Inhoudingsplichtigen die eerder gegevens voor uitbetaalde bedragen aan derden hebben Bron: Belastingdienst, Forum Salaris 27-10-2022
aan derden (IB 47) kan aanleveren. Vanaf die datum moet ook het BSN weer worden aangeleverd.
voor administratieplichtigen) maakt de Belastingdienst sinds 1 januari 2022 onderscheid
tussen inhoudingsplichtige en niet-inhoudingsplichtige uitbetalers. Inhoudingsplichtige
uitbetalers hebben een loonheffingennummer en doen aangifte loonheffingen. Collectieve
beheersorganisaties zijn ook inhoudingsplichtige uitbetalers. Niet-inhoudingsplichtige
uitbetalers hebben géén loonheffingennummer.
Voor inhoudingsplichtigen én collectieve beheersorganisaties geldt dat zij vanaf 1 januari
2022 de volgende gegevens over uitbetaalde bedragen aan derden moeten registreren
en aanleveren bij de Belastingdienst:
uitbetalers zijn:
aan wie zij hebben uitbetaald registreren en aanleveren.
registreren en dus ook niet aanleveren.
bedragen aan derden aanleveren. Vanaf die datum krijgen zij hiervoor geen uitnodiging
meer van de Belastingdienst.
derden alleen aan te leveren wanneer zij daarvoor een uitnodiging krijgen van de Belastingdienst.
aan derden kan aanleveren. De belangrijkste wijzigingen zijn:
(met een webformulier, met het slabloon UBD of met eigen software) óf via Digipoort.
door het sjabloon UBD (Uitbetaalde Bedragen aan Derden).
aangeleverd, ontvangen een brief over de wijzigingen. Meer informatie is te vinden
op belastingdienst.nl/uitbetaalde_bedragen_aan_derden
In een recent arrest licht de Hoge Raad het begrip ‘in wezen nieuwbouw’ voor de omzetbelasting Op 14 december 2018 koopt een S.À R.L. een ongebruikt hotelgebouw. De verkoper heeft Veranderingen in de bouwkundige identiteit/uiterlijke herkenbaarheid. Wijzigingen in de bouwkundige constructie; Veranderingen in functie in de zin van aanwendingsmogelijkheden. De grootte van de gedane investeringen en/of de door verbouwing gerealiseerde meerwaarde. De Hoge Raad antwoordt als volgt. Met de woorden ‘in wezen nieuwbouw’ is tot uitdrukking Bron: Hoge Raad 04-11-2022, Rb. Zeeland West-Brabant 31-01-2022 (gepubl. 07-02-2022)
nader toe. Uitsluitend wijzigingen in de bouwkundige constructie kunnen leiden tot
‘in wezen nieuwbouw’.
het gebouw als kantoorgebouw verkregen en verbouwd tot hotelgebouw. Volgens de S.À
R.L. heeft de verbouwing in wezen tot nieuwbouw geleid. In dat geval is de levering
belast met btw, maar vrijgesteld van overdrachtsbelasting. Maar de fiscus meent dat
hier geen sprake is van nieuwbouw. Vervolgens brengen de partijen het geschil voor
Rechtbank Zeeland West-Brabant. De rechtbank stelt prejudiciële vragen aan de Hoge
Raad over de te hanteren criteria. Meer specifiek wil de rechtbank weten hoe belangrijk
de volgende criteria zijn:
gebracht dat door verbouwingswerkzaamheden een vervaardigd – en dus een in wezen nieuw
– gebouw dient te zijn ontstaan. Daarvoor moet men vaststellen wat er in bouwkundig
opzicht met het bestaande gebouw is gebeurd. Uitsluitend wijzigingen in de bouwkundige
constructie kunnen ertoe leiden dat een verbouwing zo ingrijpend is geweest dat daardoor
in wezen een nieuw gebouw is ontstaan. Een verbouwing zal niet snel zó ingrijpend
zijn dat deze situatie aan de orde is. De andere factoren die de rechtbank noemt,
kunnen erop wijzen dat een verbouwing in bouwkundig opzicht zo ingrijpend is geweest,
dat in wezen een nieuw gebouw is ontstaan. Deze criteria zijn echter niet doorslaggevend
en evenmin noodzakelijk.
In de Miljoenennota 2023 heeft het kabinet een pakket maatregelen aangekondigd voor In de jaren 2023 tot en met 2027 wordt elk jaar € 500 miljoen uitgetrokken. Vanaf Aanpassing dekking vrijstelling BPM bestelauto’s De voorgenomen verhoging van het MRB-tarief voor bestelauto’s van ondernemers gaat Bron: MvF 03-11-2022
het MKB. De invulling van dit pakket is nu afgerond. De voorgenomen verhoging van
het tarief in de motorrijtuigenbelasting (MRB) voor bestelauto’s van ondernemers vanaf
2025 vervalt.
2028 is een jaarbedrag van structureel € 600 miljoen beschikbaar.
Allereerst intensiveert het kabinet het budget voor de Energie-investeringsaftrek
(EIA) en Milieu-investeringsaftrek (MIA). Ten tweede wordt het aantrekkelijker gemaakt
voor ondernemers om te investeren, omdat op investeringen in nieuw aangewezen bedrijfsmiddelen
in 2023 willekeurig mag worden afgeschreven. Als derde worden ondernemers gestimuleerd
om meer te innoveren; speur- en ontwikkelingswerk wordt goedkoper doordat de fiscale
regeling WBSO geïndexeerd wordt. Verder verhoogt het kabinet de werkkostenregeling
(WKR). Door de Aof-premie voor kleine werkgevers te verlagen worden de lasten op arbeid
verlaagd. En met een tijdelijke verruiming van het lage inkomensvoordeel worden werkgevers
tegemoet gekomen in de verhoging van het wettelijk minimumloon (Wml).
niet door. In plaats daarvan komt een herijking van de forfaits die binnen de BPM
gelden bij de import van gebruikte voertuigen. Het gaat hierbij om de actualisatie
van de afschrijvingstabel die wordt gebruikt om de actuele waarde van een gebruikt
voertuig vast te stellen. Ook wordt het waardeverminderingspercentage bijgesteld.
Dit percentage wordt gebruikt bij het vaststellen van de waarde van voertuigen met
schade. Om het budgettaire gat verder te dichten wordt de kansspelbelasting met 0,3%-punt
verhoogd met ingang van 1 januari 2023 en het tarief van de accijns op rooktabak (shag,
pijptabak) met ingang van 1 april 2023 aanvullend verhoogd met € 0,15 per pakje shag
(50 gram).