De Universiteit Leiden heeft met SEO Economisch Onderzoek onderzoek gedaan naar de Uit het onderzoek blijkt dat die wet deels bijdraagt aan het beoogde effect: een betere Aanbevelingen Naast het verlengen van de Tijdelijke wet en het voorbereiden van een structurele Zet in op effectieve controle van en handhaving op naleving van de Tijdelijke wet. Verbeter de bewijspositie van schuldeisers bij niet-naleving van verplichtingen rondom Zorg dat schuldeisers onregelmatigheden, misbruik en/of fraude rond turboliquidatie Bekostig een fraudefonds voor onderzoek naar onregelmatigheden. Zorg voor gelijkvormige inrichting van verschillende beëindigingsvormen voor rechtspersonen, Heb aandacht voor het beperken van (administratieve) lasten van ondernemers om toepassing Lees het volledige rapport en bekijk de factsheet op de website van het Wetenschappelijk Bron: WODC, 10-07-2025.
werking van de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie.
balans tussen de belangen van ondernemers én schuldeisers. Ondernemers hebben belang
bij een eenvoudige beëindiging van hun bedrijf door turboliquidatie en voor schuldeisers
is een transparante procedure belangrijk, om te voorkomen dat zij onrechtmatig benadeeld
worden bij een turboliquidatie. Maar de wet draagt slechts beperkt bij aan het voorkomen
van (herhaald) misbruik van turboliquidatie. Door beperkte controle en handhaving
op de verplichtingen uit de Tijdelijke wet is de naleving nog niet optimaal. Dit heeft
een negatief effect op de werking van de wet. De onderzoekers adviseren om de Tijdelijke
wet te verlengen, omdat de situatie wel is verbeterd ten opzichte van vóór de wet.
Over de verlenging en mogelijke verbeteringen van de wet doen de onderzoekers enkele
aanbevelingen.
regeling doen de onderzoekers de volgende aanbevelingen:
transparantie.
bij een centraal meldpunt kunnen melden.
zoals ontbinding met baten of ontbinding door de Kamer van Koophandel.
van de wet eenvoudig te houden en een verschuivingseffect te voorkomen.
Onderzoek- en Datacentrum.
Belanghebbende is een in België gevestigde bvba die via een Nederlandse tussenhoudster In geschil is of de inhoudingsvrijstelling in artikel 4 lid 2 Wet DB van toepassing Volgens hof Amsterdam (NTFR 2922/2622) is aan beide voorwaarden voldaan zodat de inhoudingsvrijstelling geen toepassing In dit geval is sprake van (i) in het buitenland gevestigde aandeelhouders die via Volgens de Hoge Raad heeft het hof terecht geoordeeld dat aanwijzingen aanwezig zijn Bron: HR, 18-07-2025.
bv een indirect belang houdt in een Nederlandse cv van een private-equityhuis. De
aandeelhouders wonen in België. Belanghebbende heeft geen kantoorruimte en geen personeel.
In 2018 heeft zij een dividend ontvangen van de Nederlandse tussenhoudster bv waarop
5% Nederlandse dividendbelasting is ingehouden.
is of dat de antimisbruikbepaling in artikel 4 lid 3 letter c Wet DB daaraan in de
weg staat. Die bepaling sluit de vrijstelling uit als (i) het belang in de Nederlandse
tussenhoudster bv wordt gehouden via de belastingplichtige met als doel belastingheffing
bij een ander (de uiteindelijk gerechtigde) te ontgaan (subjectieve voorwaarde) en
(ii) dat indirecte belang een kunstmatige constructie is (objectieve voorwaarde).
vindt. De Hoge Raad onderschrijft dat oordeel. Art. 4 lid 3 letter c Wet DB is een
anti-misbruikbepaling die uitvoering geeft aan de algemene anti-misbruikbepaling uit
de Moeder-dochterrichtlijn. Voor het toetsingskader verwijst de Hoge Raad naar zijn
arrest HR 25 april 2025, NTFR 2025/791. Daaraan voegt de Hoge Raad toe dat bij de beoordeling of een constructie kunstmatig
is, ook feiten in aanmerking kunnen worden genomen die zich voordoen na de totstandkoming
van de constructie.
een in het buitenland gevestigde vennootschap een belang houden in een in Nederland
gevestigde vennootschap, (ii) een structuur die aanvankelijk is opgezet om geldige
zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen, en (iii) het in standhouden
van een structuur met de tussengeschakelde buitenlandse vennootschap nadat de omstandigheden
zijn gewijzigd (de vervreemding door belanghebbende van haar belang in een Belgische
nv). De vraag is of de onderhavige structuur op enig moment na die wijziging een kunstmatig
karakter heeft gekregen, dat wil zeggen dat aan de structuur niet langer economische
en commerciële voordelen zijn verbonden. De inspecteur dient dit te bewijzen. Vervolgens
is het aan de belastingplichtige om het tegenbewijs te leveren dat de instandhouding
van de structuur wordt gerechtvaardigd door geldige zakelijke redenen.
voor misbruik van recht, dat sprake is van een kunstmatige constructie en dat belanghebbende
geen tegenbewijs heeft geleverd. (Volgt ongegrondverklaring.) Deze samenvatting ziet
ook op arrest HR 18 juli 2025, nr. 22/02695, ECLI:NL:HR:2025:1163.
Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat verdubbeling van de bijtelling elektrische Een werknemer werkt in 2020 bij een werkgever die op 2 april 2019 een elektrische Schending eigendomsrecht De rechtbank overweegt dat belastingheffing een inbreuk op het eigendomsrecht onder Bron: Rb. Noord-Nederland, 10-07-2025.
auto’s voor 2020 het eigendomsrecht schendt van mensen die in 2019 al onomkeerbare
verplichtingen waren aangegaan.
auto bestelt om aan hem ter beschikking te stellen. Op 20 mei 2020 is de auto geleverd
en is het privégebruik belast. In 2020 geldt door wetswijziging een bijtelling van
8% in plaats van 4%. De inspecteur past dit hogere percentage toe. De man vraagt om
correctie naar 4%, het percentage dat gold toen hij de auto bestelde. Hij stelt dat
hij door de aankondiging van de verhoging medio 2019 voor een voldongen feit werd
geplaatst, omdat hij de bestelling niet meer zonder forse kosten kon annuleren. In
geschil is of de man recht heeft op het lagere bijtellingstarief van 4% dat gold voor
2019.
artikel 1 van het Eerste Protocol EVRM vormt, maar dat die inbreuk proportioneel moet
zijn. Volgens de rechtbank is door het ontbreken van overgangsrecht voor mensen die
al onomkeerbare verplichtingen zijn aangegaan vóór de aankondiging, geen sprake van
een ‘fair balance’. De werknemer mocht redelijkerwijs verwachten dat de bijtelling
4% zou zijn bij aflevering van de auto, omdat hij zich al vastlegde vóór de beleidswijziging
en annuleren niet reëel was. De wetgever heeft, ondanks de ruime beoordelingsvrijheid,
onvoldoende aandacht gehad voor deze specifieke groep. De rechtbank kan uit de onderbouwing
van de wetgever geen specifieke en dwingende redenen afleiden voor de aantasting van
gerechtvaardigde verwachtingen. Hoewel de verkoop van elektrische auto’s hard ging,
was geen sprake van een gat in de begroting of een acute financiële noodtoestand.
Een overgangsregeling voor de groep mensen die in juni 2019 een elektrische auto in
bestelling had, zou bovendien geen onoverkomelijke financiële gevolgen hebben gehad.
De rechtbank bepaalt dat in het geval van de man rekening moet worden gehouden met
het bijtellingspercentage van vóór de aankondiging, dus 4%.
Een voormalig politiewerknemer krijgt geen arbeidskorting over RVU-uitkeringen omdat Een voormalig politieambtenaar ontvangt in 2022 uitkeringen in het kader van de Regeling RVU-uitkeringen geen loon uit tegenwoordige dienstbetrekking De rechtbank stelt vast dat de RVU-uitkeringen terecht als inkomen uit vroegere dienstbetrekking Deugdelijke motivering door inspecteur De rechtbank bevestigt dat de inspecteur de aanslag inkomstenbelasting over 2022 correct Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant, 03-07-2025.
deze gelden als inkomen uit vroegere dienstbetrekking, niet uit tegenwoordige arbeid.
voor Vervroegde Uittreding (RVU) van zijn oude werkgever. De uitkeringen zijn door
de werkgever aangemerkt als ‘inkomsten uit vroegere dienstbetrekking’ (inkomenscode
53). In zijn aangifte inkomstenbelasting merkt de man deze uitkeringen echter aan
als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, waardoor hij arbeidskorting claimt. De
inspecteur wijkt bij het opleggen van de definitieve aanslag af van de aangifte en
verlaagt de arbeidskorting, omdat volgens hem de RVU-uitkeringen niet kwalificeren
als arbeidsinkomen. De man stelt dat hij in de betreffende periode nog beschikbaar
moest zijn voor oproepen en dat de uitkeringen daarom als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking
moeten worden gezien.
zijn aangemerkt. Er is geen bewijs dat de man in de relevante periode daadwerkelijk
arbeid heeft verricht of dat er concrete afspraken waren over werk op oproepbasis.
Ook de werkgever heeft de uitkeringen niet als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking
behandeld. Omdat de uitkeringen niet als arbeidsinkomen kwalificeren, bestaat er geen
recht op arbeidskorting over deze bedragen.
heeft vastgesteld. De terugvordering van de arbeidskorting volgt uit het feit dat
deze ten onrechte was toegekend bij de voorlopige aanslag. De rechtbank vindt verder
dat de inspecteur zijn standpunt voldoende heeft gemotiveerd: het is duidelijk waarom
de uitkeringen zijn verplaatst van de rubriek “tegenwoordige dienstbetrekking” naar
‘vroegere dienstbetrekking’ en waarom geen arbeidskorting is toegepast. Het beroep
van de man is ongegrond.
Het kabinet heeft een impactanalyse laten uitvoeren naar mogelijke beleidsopties om In het kader van het Hoofdlijnenakkoord en het Regeerprogramma is onderzocht hoe de De onderzoekers concluderen dat zowel de herinvoering van rode diesel als een accijnsteruggaveregeling Subsidieregeling als meest kansrijke optie Het rapport stelt dat een subsidieregeling beter uitvoerbaar lijkt dan de andere opties. Duurzame brandstoffen en milieueffecten HVO100 kan bijdragen aan het verlagen van emissies, mits de jaarverplichting voor Bron: MvF, 11-07-2025.
de brandstofkosten in de landbouwsector te verlagen. De analyse vergelijkt de herinvoering
van rode diesel, een accijnsteruggaveregeling en een subsidieregeling, en kijkt ook
naar de toepasbaarheid op duurzame brandstoffen zoals HVO100.
brandstofkosten voor de landbouwsector kunnen worden verlaagd. De analyse richt zich
op drie beleidsopties: de herinvoering van rode diesel, een accijnsteruggaveregeling
voor diesel en een subsidieregeling. Voor alle opties is ook bekeken of ze toepasbaar
zijn op HVO100, een synthetische, hernieuwbare dieselvariant die uit hernieuwbare
grondstoffen wordt geproduceerd en geschikt is voor bestaande dieselmotoren.
weinig kans van slagen hebben. Beide opties scoren slecht op uitvoerbaarheid en brengen
aanzienlijke risico’s op fraude met zich mee. Vooral de gecombineerde inzet van voertuigen
voor landbouw- en niet-landbouwactiviteiten door loonwerkers maakt effectieve handhaving
lastig. Loonwerkers zouden voor werkzaamheden buiten de landbouw geen voertuigen mogen
gebruiken waarin rode diesel is getankt, wat aanzienlijke investeringen vereist. Daarnaast
bemoeilijkt de verbeterde brandstofbeveiliging in nieuwe voertuigen de controle op
het gebruik van rode diesel.
Wel moeten de juridische (on)mogelijkheden van zo’n regeling nog verder worden onderzocht,
met name in het licht van Europese regelgeving en staatssteunkaders. De onderzoekers
adviseren om hierover in overleg te treden met de Europese Commissie.
het aandeel hernieuwbare energie wordt verhoogd. Zonder aanpassing van deze verplichting
ontbreekt voor brandstofleveranciers de prikkel om meer hernieuwbare diesel te leveren;
het wordt dan alleen makkelijker om aan bestaande verplichtingen te voldoen. Aan alle
drie de beleidsopties kleven onzekerheden, onder meer over de juridische toelaatbaarheid
binnen de EU. Het rapport raadt aan om deze aspecten verder te onderzoeken voordat
een definitieve keuze wordt gemaakt.