Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is een internetconsultatie gestart Het besluit geeft uitwerking aan de Wet Vbar en introduceert een gestructureerd toetsingskader Werkinhoudelijke en organisatorische sturing door de werkgever Werken voor eigen rekening en risico door de werkende (zelfstandige) Indicatoren uit rechtspraak en praktijk verduidelijken deze hoofdelementen. Niet alle Indicatoren voor sturing en ondernemerschap Voor sturing (werknemerschap) zijn onder meer relevant: Bevoegdheid van de werkgever tot het geven van aanwijzingen/instructies Controle en bijsturingsmogelijkheid bij het uitvoeren van werkzaamheden Werk binnen het organisatorisch kader van de werkgever Structureel karakter van de werkzaamheden Vergelijkbaarheid van werk met andere werknemers Voor werken voor eigen rekening en risico (zelfstandigheid) gelden onder andere: Financieel risico en resultaat bij de werkende Herkenbare zelfstandige uitvoering van werkzaamheden (ook naar derden toe) Beschikken over unieke kennis/vaardigheden die in de organisatie niet structureel Korte duur of beperkt aantal uren van de opdracht Kenmerken van ondernemerschap bij vergelijkbare werkzaamheden Praktische toepassing en gevolgen Het toetsingskader is bewust flexibel gehouden: de weging van indicatoren hangt af Bron: Ministerie SZW, 12-09-2025, ‘Besluit verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties’.
over het Besluit verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties.
voor het begrip ‘werken in dienst van’. Dit kader bestaat uit twee hoofdelementen:
indicatoren hoeven aanwezig te zijn; het zwaartepunt in de arbeidsrelatie bepaalt
de kwalificatie. In onduidelijke gevallen kan een “ventielbepaling” gebruikt worden
om onvoorziene omstandigheden mee te wegen.
aanwezig zijn
van de omstandigheden van het specifieke geval. Het systeem is geen afvinklijst, maar
een middel voor een genuanceerde beoordeling, met ruimte voor toekomstige ontwikkelingen
en uitzonderingen. Door deze heldere structuur krijgen werkenden en werkgevers meer
houvast bij het bepalen van de juiste contractvorm, wat zowel de rechtszekerheid als
de handhaving vergemakkelijkt. De regeling treedt naar verwachting op 1 juli 2026
in werking. De internetconsultatie staat open tot en met 13 oktober 2025.
Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden mag bijgeschreven rente op een onderhandse eigenwoningschuld Een vrouw koopt in 2006 een woning en financiert de aankoop deels met leningen van Niet aannemelijk dat rente rentedragend schuldig is gebleven Het hof oordeelt dat de inspecteur terecht navorderingsaanslagen heeft opgelegd, aangezien Geen bijzonder recht op proceskostenvergoeding Het hof sluit zich aan bij de beoordeling door de rechtbank. Wel vermindert het hof Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden, 26-08-2025.
alleen in aftrek worden gebracht als voldoende is aangetoond dat deze rentedragend
schuldig is gebleven. Dit bewijs slaagt hier niet, waardoor de bijgeschreven rente
niet aftrekbaar is.
twee bv’s waarvan haar vader dga is, naast een hypothecaire lening. Over de onderhandse
leningen is jaarlijks 12% rente verschuldigd, maar deze rente wordt telkens bijgeschreven
en niet betaald. In haar aangiften ib/pvv 2013, 2014 en 2016 trekt zij deze bijgeschreven
rente af als kosten eigen woning en rekent de bijgeschreven rente als schuld in box
3. De inspecteur corrigeert de aangiften via navorderingsaanslagen, omdat volgens
hem geen sprake is van rentedragende schuld en dus geen recht op renteaftrek bestaat.
De vrouw voert aan dat de rente wel degelijk rentedragend is gebleven, omdat deze
telkens wordt bijgeschreven en in box 3 wordt meegenomen.
sprake is van een nieuw feit. Het hof bevestigt dat alleen rente over een eigenwoningschuld
die daadwerkelijk rentedragend schuldig is gebleven, in aftrek komt. Volgens het hof
is door de vrouw niet onderbouwd – bijvoorbeeld via administratie of kolommenbalansen
van de bv’s – dat de jaarlijks bijgeschreven rente vervolgens ook rentedragend schuldig
bleef. De cijfers over de schulden zijn bovendien niet consistent en bieden zonder
aanvullende documentatie geen voldoende grondslag. Dat de rente in box 3 is opgevoerd
als schuld, is onvoldoende. Daarom accepteert het hof de renteaftrek niet.
de aanslagen voor box 3, nu de inspecteur erkent dat het inkomen uit sparen en beleggen
op nihil moet worden vastgesteld. Het verzoek voor een integrale proceskostenvergoeding
wordt afgewezen omdat geen sprake is van bijzondere omstandigheden.
titel fotosuggestie categorie targetaudience Pinkweb 1. Rente eigenwoningschuld niet aftrekbaar: onvoldoende bewijs van rentedragend schuldig n-BZ-2025-0943 Zie Taxence cat: Fiscaal ta: Ondernemer, DGA, IB-ondernemer, ZZP, Particulier
blijven
Tijdens het wetgevingsoverleg over de Fiscale verzamelwet 2026 licht staatssecretaris De Hoge Raad oordeelde op 14 juni 2024 dat Duitse Immobilien Sondervermögen die Nederlands Uitzonderen Vpb-plicht woningcorporaties Het kabinet verwijst naar eerdere stukken over vrijstelling van de Vpb voor woningcorporaties. Overige amendementen Het amendement van lid Kouwenhoven c.s. om voordelen uit lucratief belang in box 2 Bron: Staatssecretaris Financiën, brief nr. 2025-0000432084.
Heijnen terugkoppeling en appreciaties toe ten aanzien van ingediende amendementen.
De brief behandelt verschillende fiscale vraagstukken en bevat directe antwoorden
op toezeggingen van het kabinet aan de Tweede Kamer.
vastgoed hielden, niet buitenlands vennootschapsbelastingplichtig waren. Per 1 januari
2025 is deze Vpb-plicht aangepast. Lid Stultiens vroeg naar een mogelijk amendement
waarbij de betreffende beleggingsfondsen hun Nederlandse vastgoed lager dienen te
waarderen. Heijnen geeft aan dat belastingheffing met terugwerkende kracht terughoudend
moet worden benaderd en dat er meerdere bezwaren zijn, waaronder dubbele belasting
en rechtsongelijkheid. Ook acht de Belastingdienst het niet uitvoerbaar en ziet Heijnen
risico op vele juridische procedures. Daarom wordt een dergelijk amendement afgeraden.
Sinds 2008 geldt de integrale vpb-plicht vooral ter waarborging van een gelijk speelveld
tussen marktpartijen en woningcorporaties. De staatssecretaris wijst op het staatssteunaspect
en dat een vrijstelling eerst aan de Europese Commissie voorgelegd moet worden. Ook
wijst hij op het proces rondom de DAEB-vrijstelling en de substantiële budgettaire
gevolgen van vrijstelling, waaronder een eindafrekening van circa € 35 miljard. Vanwege
dit omvangrijke en complexe proces acht Heijnen het niet realistisch dit mee te nemen
in het Belastingplan 2026 en ontraadt de motie.
zwaarder te belasten wordt eveneens als ontijdig beoordeeld, evenals het voorstel
tot verlaging van de overdrachtsbelasting voor woningen naar 6 procent en het amendement
voor een gemeentelijke leegstandsheffing.
Het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen heeft op 4 september 2025 drie nieuwe vraag- V&A 25-004 behandelt de vraag of pensioenregelingen met premiestaffels die doorlopen Inkopen pensioen In V&A 25-005 wordt ingegaan op de mogelijkheid tot het inkopen van pensioen over Tot slot geeft V&A 25-006 antwoord op de vraag of een verlaging van het pensioengevend Wet: art. 18a Wet LB, art. 19d Wet LB, art. 38q Wet LB.
en antwoordpublicaties (V&A’s) uitgebracht. De publicaties gaan in op actuele vraagstukken
rond pensioenregelingen:
tot vijf jaar na het bereiken van de AOW-leeftijd moeten worden aangepast aan het
gewijzigde Staffelbesluit Pensioenen. Dit is relevant voor regelingen met premiepercentages
voor leeftijden vanaf 68 jaar.
perioden bij een vorige werkgever, wanneer er destijds geen pensioenovereenkomst was
afgesloten. Dit biedt duidelijkheid voor werknemers die in het verleden geen pensioen
hebben opgebouwd.
loon directe gevolgen heeft voor de omvang van de fiscaal toegestane pensioenopbouw.
Hiermee wordt inzicht geboden in de fiscale behandeling en gevolgen bij loonwijzigingen.
De nieuwe V&A’s verschaffen belangrijke richtlijnen voor werkgevers, werknemers en
pensioenadviseurs over de toepassing van de fiscale pensioenwetgeving.