Inloggen

Archief

Vaststellen werkelijk rendement box 3 moet op totaal box 3-vermogen; vordering met lage rente onvoldoende voor rechtsherstel

De rechtbank beslist dat bij het bepalen van het werkelijk rendement voor rechtsherstel
box 3 het totale rendement op het gehele box 3-vermogen meeweegt, en niet alleen het
rendement op individuele vorderingen met een relatief lage rente.

Een man doet aangifte IB/PVV voor 2021 en geeft in box 3 bezittingen aan waaronder
vorderingen op zijn kinderen met een rente van 1,5% per jaar en een verhuurde woning
waarvoor de leegwaarderatio is toegepast. De inspecteur volgt de aangifte en legt
de aanslag op naar een forfaitair rendement van €35.616. De man betoogt dat het werkelijke
rendement op de vorderingen lager ligt dan het forfait en wenst rechtsherstel, verwijzend
naar het Kerstarrest van de Hoge Raad. De inspecteur wijst erop dat het rentepercentage
op de vorderingen onzakelijk laag is en benadrukt dat het werkelijk rendement zakelijk
moet worden beoordeeld.

Gehele vermogen relevant bij werkelijk rendement De rechtbank stelt vast dat op basis van recente jurisprudentie van de Hoge Raad het
werkelijk rendement op het gehele vermogen in box 3 bepalend is; het volstaat niet
om alleen het rendement van specifieke vermogensbestanddelen te bezien. Daarbij horen
ook niet-gerealiseerde waardeveranderingen en is aftrek van kosten niet toegestaan.
Bij het beoordelen van het totale vermogen neemt de rechtbank behalve de ontvangen
rente van de vorderingen ook de aanzienlijke waardestijging van de verhuurde woning
en de ontvangen huurinkomsten in aanmerking. Dit levert een werkelijk rendement op
dat hoger is dan het forfaitair vastgestelde rendement. De man heeft niet aannemelijk
gemaakt dat het werkelijk rendement lager is dan het forfait, zodat geen sprake is
van een schending van het discriminatieverbod of het eigendomsrecht bij box 3.
Het beroep is ongegrond.

Bron: Rb. Noord-Nederland, 04-09-2025.

Veel arbeidsrelaties zzp’er blijken volgens overheid in feite loondienst

De Belastingdienst heeft recent uitgebreid inzicht gegeven in de beoordeling van arbeidsrelaties
tussen opdrachtnemers en opdrachtgevers. In een nieuw overzicht worden praktijkcasussen
uitgelegd die laten zien wanneer een zzp’er daadwerkelijk zelfstandig werkt en wanneer
sprake is van een verkapte dienstbetrekking.

Het blijkt dat veel constructies waarbij zelfstandigen worden ingehuurd, bij nadere
beschouwing toch voldoen aan de criteria van loondienst. Vooral factoren zoals gezag,
inbedding in de organisatie en een verplichting tot persoonlijke uitvoering zijn doorslaggevend
in de classificatie. Dit levert belangrijke aandachtspunten op voor accountants, fiscalisten
en ondernemers die werken met opdrachtovereenkomsten.

Praktische voorbeelden: vaak tóch loondienst Een aantal praktijkvoorbeelden uit het document van de Rijksoverheid licht de beoordelingscriteria
toe. Zo werd een websitebeheerder die voor diverse opdrachtgevers werkt en commercieel
risico draagt, door de Belastingdienst als zelfstandige aangemerkt. Daarentegen werden
onderhoudsmonteurs en productiemedewerkers, ondanks hun kvk-inschrijving en btw-facturatie,
vaak als werknemers gezien vanwege een sterke organisatorische inbedding, beperkte
onderhandelingsruimte en feitelijke aansturing door de opdrachtgever. Vooral wanneer
het uitvoerende werk structureel onderdeel is van de onderneming of als de opdrachtgever
de werkzaamheden en werktijden bepaalt, is het risico groot dat toch een arbeidsovereenkomst
wordt aangenomen.

Deze voorbeelden maken duidelijk dat zowel bedrijven als zzp’ers kritisch moeten kijken
naar de feitelijke situatie en niet alleen naar de contractvorm. Beloningsstructuren,
gezagsverhoudingen, de manier van beloning en de vraag of er commerciële risico’s
worden gelopen, wegen zwaar mee in de beoordeling door de Belastingdienst. In twijfelgevallen
is het raadzaam tijdig advies in te winnen bij een specialist, om naheffingen en juridische
strijd te voorkomen.

Renteaftrek in kader van overnamestructuur private equity terecht wegens fraus legis geweigerd

Private equity fondsen kunnen geen renteaftrek claimen bij gekunstelde financieringsstructuren
met Luxemburgse doorgeefluiken die alleen dienen voor winstdrainage.

Belanghebbende en haar (klein)dochter zijn onderdeel van een private-equityovernamestructuur.
Zij hebben de aankoop van de Nederlandse target (B-groep), gefinancierd met onder
meer een lening van € 57 miljoen van haar 100%-moeder te Luxemburg; die heeft de middelen
verkregen door uitgifte van preferred-equitycertificates (PECs) aan zes subfondsen
(LP’s) en twee cv’s van twee private-equityfondsen die indirect ook aandeelhouders
zijn in belanghebbende. Geen van de LP’s en cv’s houdt meer dan een derde belang in
belanghebbende. De target is meteen na aankoop opgenomen in de fiscale eenheid met
belanghebbende, waardoor de rente op de aandeelhoudersleningen ten laste komt van
de winst van de target. De inspecteur heeft die rentaftrek geweigerd.

In de eerste cassatieronde is in HR 15 juli 2022, NTFR 2022/3113, geoordeeld dat een onzakelijke omleiding binnen concern zich alleen kan voordoen
tussen ‘verbonden’ entiteiten in de zin van art. 10a lid 4 Wet Vpb, welke verbondenheid
zich in geval van belanghebbende niet voordoet omdat alle PEC-houders beneden een
derde belang zitten.

Na verwijzing heeft hof Amsterdam (6 juni 2023, NTFR 2023/1225) de aandeelhoudersleningen als onzakelijk aangemerkt en daarom de renteaftrek geweigerd
voor zover hoger dan een rente ontdaan van een opslag voor debiteurenrisico. De resterende
rente achtte het hof vervolgens evenmin aftrekbaar wegens fraus legis, namelijk in
strijd met doel en strekking van de (hele) Wet Vpb. De Hoge Raad onderschrijft dat
oordeel. Dat renteaftrek niet is uitgesloten door art. 10a Wet Vpb, staat niet eraan
in de weg dat de aftrek toch wordt geweigerd wegens fraus legis. En dat geen omleiding
van middelen heeft plaatsgevonden, staat evenmin in de weg aan uitsluiting van de
renteaftrek.

Bron: Hoge Raad, 05-09-2025.

Belastingdienst verstuurde tienduizenden brieven met verkeerd box 3-rendement

De staatssecretaris van Financiën reageert op Kamervragen over tienduizenden foutieve
brieven van de Belastingdienst betreffende het box 3-rendement. In deze antwoorden
benadrukt de staatssecretaris dat de hersteloperatie gaandeweg wordt verbeterd, en
verkeerde afwijzingen inmiddels zijn gecorrigeerd.

Naar aanleiding van mediaberichten over foutief vermelde bedragen in brieven aan circa
33.000 burgers, bevestigt de staatssecretaris ‘Ja, ik ben bekend met dit bericht.’
In de recent verstuurde excuusbrief, rond 1 augustus 2025, is het ‘correcte forfaitaire
rendement opgenomen.’ De eerdere communicatie (tussen 14 en 27 juli 2025) bevatte
onjuistheden omdat het rendement gebaseerd was op de definitieve aanslag, terwijl
betrokken burgers inmiddels een herziene aanslag hebben ontvangen met een aangepast
rendement. Bij navraag geeft de bewindspersoon aan dat ‘niet voor de tweede keer een
fout is geconstateerd.’ Daarmee is de onrust over een herhaalde fout ongegrond.

Onterechte afwijzingen gecorrigeerd De staatssecretaris bevestigt dat ‘een aantal onterechte afwijzingen is verzonden’
bij de openstelling van het formulier Opgaaf Werkelijk Rendement (OWR). Sinds 10 juli
2025 zijn er 4.500 afwijzingsbrieven verstuurd, waarvan 200 ten onrechte. Deze burgers
‘hebben een excuusbrief ontvangen, waarin staat aangegeven dat het formulier OWR wel
in behandeling zal worden genomen.’ Ook zijn er 41 foutieve afwijzingen rond fiscaal
partnerschap gecorrigeerd. Het geautomatiseerde toetsingsproces wordt momenteel grondig
gecontroleerd: ‘Doordat voornoemde fouten nu inzichtelijk zijn, kunnen zij tijdig
verholpen worden.’ De Belastingdienst start de uitnodigingen tot het indienen in kleine
batches om van de eerste fase te leren en problemen te voorkomen bij grotere aantallen.

Kwaliteitscontrole en herstel Het toetsingsproces voor OWR is uit voorzorg stilgelegd totdat de kwaliteitscontrole
is afgerond en het probleem is opgelost. Naar verwachting zal dit ‘uiterlijk begin
oktober’ zijn, zonder impact op de doorlooptijd van de hersteloperatie. ‘Eventuele
fouten worden echter snel verholpen door de verantwoordelijke medewerkers,’ aldus
de staatssecretaris.

Bron: Rijksoverheid 02-09-2025.

Hoog belastingrentetarief Vpb onverbindend wegens onevenredigheid

Rechtbank Den Haag verklaart de rentepercentages van 8% en 10% in het Besluit belasting-
en invorderingsrente (Bbi) voor Vpb-ondernemers onverbindend en verlaagt de belastingrente
tot € 632.

Een bv vroeg op 9 november 2023 een voorlopige aanslag Vpb over Q1 2023 van € 325.000
aan. De inspecteur legde deze aanslag op en berekende daarbij € 1.658 aan belastingrente
(8% over 1/10–31/12/23 en 10% over 1/1–13/1/24). De bv verzocht om herziening tot
€ 632, dit verzoek werd afgewezen. In beroep stelt zij dat de hoge rentepercentages
in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel.

Feiten en geschil De bv diende op 4 december 2023 een herzieningsverzoek in voor de beschikking belastingrente.
De inspecteur wees dit af en handhaafde in de uitspraak op bezwaar de volledige berekening
van € 1.658. De kern van het geschil is of de rentepercentages van 8% (2023) en 10%
(2024) uit art. 1 onderdeel b Bbi de belangen van Vpb-ondernemers in redelijkheid
hebben meegewogen of op regelniveau in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel.

Toetsing evenredigheidsbeginsel De rechtbank onderzoekt eerst of de wetgever bij de totstandkoming van het Bbi de
belangen van Vpb-ondernemers heeft afgewogen. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt
dat het hoge tarief vooral uit budgettaire belangen is ingevoerd en dat nadelige gevolgen
voor ondernemers onderbelicht zijn gebleven. Daardoor kon de wetgever niet in redelijkheid
tot deze rentepercentages komen en schendt art. 1 onderdeel b Bbi het evenredigheidsbeginsel
op regelniveau.

Gevolgen en beslissing Omdat het evenredigheidsbeginsel op regelniveau is geschonden, hoeft niet te worden
getoetst op individueel niveau. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt
de afwijzing van het herzieningsverzoek en verlaagt de belastingrente naar het door
de bv gevraagde bedrag van € 632. Daarnaast wordt de inspecteur veroordeeld in proceskosten
van € 169,26 en het betaalde griffierecht van € 371.

Bron: Rb. Den Haag 22-07-2025.

© lArcade 2026