Inloggen

Archief

Weinig cao’s afgesloten in juni

In juni werden slechts 14 nieuwe cao’s afgesloten. Dat is een laag aantal voor die maand. Meestal is juni een van de drukste maanden in het cao-seizoen en worden die maand 50 tot 60 cao’s afgesloten. Ook het totaal aantal in 2019 afgesloten cao’s loopt hierdoor achter op dat van andere jaren. De loonafspraken waren in juni met 3,04% wel op recordhoogte.
Volgens werkgeversvereniging AWVN is het lage aantal cao-akkoorden in juni te verklaren door een samenhang van factoren. Zo leidt volgens AWVN de actiegerichte houding van vakbonden tot langere onderhandelingen. Ook zijn de vakbondsonderhandelaars, vanwege de economische groei, vaak te optimistisch over de mogelijkheden binnen hun bedrijf of bedrijfstak. Daarnaast werpt volgens AWVN ook het pensioenakkoord zijn schaduwen vooruit. Onderhandelaars denken na over de betekenis en de gevolgen van het akkoord voor hun eigen cao-overleg. De 14 juni-akkoorden hadden een gemiddelde loonafspraak van 3,04%. Dat is het hoogste maandgemiddelde sinds de financiële crisis van ruim tien jaar geleden en beduidend hoger dan het gemiddelde van 2,74% over de eerste vijf maanden van 2019. In 2018 bedroeg de gemiddelde loonafspraak 2,3%. Dit jaar lopen in totaal 427 cao’s af voor 3,1 miljoen werknemers. Daarvan zijn in de eerste zes maanden 164 cao’s (38%) vernieuwd voor 844.000 werknemers. In voorgaande jaren bedroeg het aantal in het eerste half jaar vernieuwde cao’s doorgaans circa 43%. Vorig jaar zijn er circa 30 afgelopen cao’s niet vernieuwd. Mogelijk gebeurt dit alsnog, waardoor het aantal nieuwe cao’s in 2019 hoger uitkomen dan 427. Bron: AWVN 12-07-2019

WKR: inspecteur moet ongebruikelijkheid aantonen

De Hoge Raad is van oordeel dat de inspecteur zijn standpunt dat aanwijzing van een beloning als eindheffingsbestanddeel ongebruikelijk is, met feiten en omstandigheden moet onderbouwen.
Een bv heeft volgens haar aandelenplan in 2012 en 2013 aan haar groepsraadsleden aandelen toegekend. De bv wenst deze toegekende aandelen aan te merken als eindheffingsbestanddelen onder de werkkostenregeling. Hof Amsterdam heeft op 25 januari 2018 de bv in het ongelijk gesteld. Naar aanleiding van het cassatieberoep van belanghebbende zet de Hoge Raad eerst de werkkostenregeling van 2012 en 2013 uiteen, waarbij wordt vermeld dat voor de toepassing van de werkkostenregeling geen plaats is indien niet wordt voldaan aan de gebruikelijkheidstoets. Volgens de Hoge Raad brengt een redelijke bewijslastverdeling mee dat de inspecteur die het standpunt inneemt dat, gelet op de gebruikelijkheidstoets, de door een inhoudingsplichtige aangewezen vergoedingen of verstrekkingen niet als eindheffingsbestanddeel zijn aan te merken, de stelplicht en bewijslast heeft. Aan deze stelplicht kan niet worden voldaan door uitsluitend te verwijzen naar de door de Belastingdienst gehanteerde doelmatigheidstoets van € 2.400 per werknemer per jaar. Hoewel de wetsgeschiedenis van de werkkostenregeling nauwelijks aanknopingspunten biedt over de wijze waarop aan de stelplicht kan worden voldaan, ligt het voor de hand dat hierbij ook voor 2012 en 2013 onder andere als gezichtspunten in aanmerking kunnen komen, zoals is toegelicht voor de per 1 januari 2016 geldende gebruikelijkheidstoets, de gebruikelijkheid van de aanwijzing van een vergoeding of verstrekking als eindheffingsbestanddeel, vergelijkingen met de werkkostenregeling voor andere werknemers van dezelfde werkgever, en vergelijkingen met werkkostenregelingen voor collega’s van de werknemer in dezelfde functiecategorie bij dezelfde werkgever en voor werknemers bij andere werkgevers. Hieruit volgt dat, anders dan het hof heeft geoordeeld, de reikwijdte van de werkkostenregeling niet is beperkt tot vergoedingen en verstrekkingen die naar algemeen maatschappelijke opvattingen een zuiver zakelijk of een gemengd karakter hebben. De Hoge Raad verwijst de zaak voor een nieuwe behandeling van de vraag of aan de gebruikelijkheidstoets is voldaan. Na verwijzing dienen partijen gelegenheid te krijgen hun stellingen aan te passen aan de hiervoor geformuleerde gezichtspunten voor de toepassing Bron: HR 5-7-2019 (publ. 12-7-2019)

Beschikking tegemoetkomingen Wtl 2018 komt eraan

Voor 1 augustus stuurt de Belastingdienst aan werkgevers die recht hebben op één of meer tegemoetkomingen uit de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) een beschikking . In de beschikking staat het bedrag van de tegemoetkomingen, dat de belastingdienst binnen zes weken uitbetaalt. Het bedrag van de beschikking is gebaseerd op de definitieve berekening.
De beschikking kan afwijken van de voorlopige berekening die de werkgever eerder van het UWV kreeg. Dit kan het geval zijn indien de werkgever nog voor 1 mei zijn aangiften loonheffingen nog heeft gecorrigeerd. Wijkt de beschikking af van wat de werkgever had verwacht – en heeft de werkgever zijn aangiften tot en met 1 mei niet meer gecorrigeerd - dan moet de werkgever eerst controleren of dit komt door afrondingsverschillen: hij moet de beschikking goed vergelijken met de verloonde uren uit zijn aangiften loonheffingen en niet met de uren uit zijn loonadministratie. In de aangiften loonheffingen worden de uren uit zijn loonadministratie namelijk afgerond op hele uren en dit is de basis voor de tegemoetkomingen Wtl. Is de werkgever het hierna nog steeds niet eens met de beschikking, dan kan hij bezwaar maken. Komt de werkgever er achter dat er nog fouten zaten in de aangiften loonheffingen over 2018, dan is hij nog steeds verplicht de fout te herstellen door de aangifte te corrigeren. Deze correctie kan echter niet leiden tot een recht op een extra tegemoetkoming Wtl. Hiervoor worden alleen correcties tot en met 1 mei meegenomen in de definitieve berekening. Wel is het mogelijk dat de Belastingdienst een bedrag terugvordert, indien de werkgever (een deel van) de tegemoetkomingen Wtl onterecht heeft ontvangen. Bron: Belastingdienst 10-07-2019

Door dga ingediende nihilaangifte IB ongeloofwaardig

Doet een belastingplichtige geen aangifte en maakt hij ook geen bezwaar tegen een informatiebeschikking? Dan verklaart de rechter het beroep ongegrond, tenzij de belastingplichtige doet blijken dat de uitspraak op bezwaar onjuist is geweest.
In 2013 heeft een dga aandelen in diverse vennootschappen. De man heeft aan twee vennootschappen behoorlijke bedragen uitgeleend. Van een derde vennootschap heeft hij zelf geld geleend. Voor het jaar 2013 dient de dga een nihilaangifte in. De Belastingdienst wijkt bij het opleggen van de aanslag af van de aangifte. De inspecteur corrigeert de aangifte onder meer met een hoger gebruikelijk loon, resultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen en inkomen uit aanmerkelijk belang. In geschil bij Rechtbank Noord-Holland zijn de aangebrachte correcties door de Belastingdienst. De rechtbank keert de bewijslast om. Er is een onherroepelijke informatiebeschikking en de dga heeft niet de vereiste aangifte ingediend. De dga motiveert een lager gebruikelijk loon met de stelling dat de vennootschappen structureel verlieslijdend zijn. De rechter vindt dat de dga dit niet heeft aangetoond. De resultaten waarnaar de dga verwijst zijn niet alle jaren negatief geweest. De dga haalt ook bakzeil met zijn stelling dat de geldleningen kwalificeren als informele kapitaalstortingen. Door de geldleningen in de aangifte inkomstenbelasting 2012 op te nemen en hierbij rentebaten in aanmerking te nemen, is het niet waarschijnlijk dat in 2013 de geldleningen geen geldleningen meer zijn. Zeker niet als de omstandigheden niet zijn veranderd. De rechtbank is voorts van oordeel dat de schatting door de inspecteur van het inkomen uit terbeschikkingstelling redelijk is. De dga heeft in ieder geval niet doen blijken dat dit inkomen te hoog is vastgesteld. De niet-betaalde rente door de dga vanwege de aan hem verstrekte lening, ziet de rechtbank als verkapte winstuitdeling en inkomen uit aanmerkelijk belang. De daarvoor gehanteerde rente van 4% is niet te hoog. Bovendien heeft de dga dit percentage ook gebruikt in zijn aangifte 2012. Bron: Rb. Noord-Holland 2-7-2019

Nieuwe bewijsregels voor ontvangst boetebeschikking

Per 1 augustus 2019 gelden nieuwe bewijsregels voor de ontvangst van een boetebeschikking. Dit is het gevolg van een recente uitspraak van de Hoge Raad.
In deze zaak had een bv onder andere bezwaar gemaakt tegen de ontvangst van een boetebeschikking. Volgens de inspecteur was dit bezwaar niet-ontvankelijk vanwege een termijnoverschrijding. De Hoge Raad stelde vast dat in een arrest van de Hoge Raad uit 1988 werd geoordeeld dat de inspecteur een ingediend bezwaar tegen een boetebeschikking alleen niet-ontvankelijk kan verklaren als hij kan bewijzen dat wat de belastingplichtige beweert over de niet-ontvankelijkheid onjuist is. Maar omdat in de rechtspraak over bestuurlijke boetes een andere opvatting zichtbaar is geworden, oordeelt de Hoge Raad nu dat voor boetes de gewone bewijsregels moeten gaan gelden. Deze regels houden in dat wordt aangenomen dat een boetebeschikking die per post wordt verzonden, in de regel aankomen bij de geadresseerde. Als een belanghebbende de ontvangst van een poststuk betwist, moet hij het vermoeden van ontvangst ontzenuwen. Hierbij is het voldoende dat de ontvangst c.q. de aanbieding van de beschikking kan worden betwijfeld op grond van hetgeen dat de belanghebbende aanvoert. Wordt het vermoeden van ontvangst inderdaad ontzenuwt, dan moet de inspecteur bewijzen dat de boetebeschikking is ontvangen c.q. aangeboden. Bron: Hoge Raad, 5-7-2019

© lArcade 2026